Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBACM:2019:1

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
29-01-2019
Datum publicatie
15-02-2019
Zaaknummer
RvBAz CUR2017H00077
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Curaçaose zaak. Afwijzing verzoek om schadevergoeding. Geleden schade niet toe te rekenen aan het bevoegd gezag als werkgever bij het gebruik maken van aan haar toekomende publiekrechtelijke bevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (RAr 1951)

Uitspraakdatum: 29 januari 2019

Zaaknummer: RvBAz CUR2017H00077

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

Zittingsplaats Curaçao

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante],

wonend in Curaçao,

appellante,

gemachtigde: mr. W.E. Fortin, advocaat,

tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken, zittingsplaats Curaçao, van 26 september 2016, in zaak nr. GAZ 2015/74547, in het geding tussen:

appellante,

en

de Regering van Curaçao,

geïntimeerde,

gemachtigde mr. Z.V.I. Isenia, werkzaam bij het Land.

Procesverloop

Bij brief van 22 mei 2015 heeft geïntimeerde (gedeeltelijk) afwijzend beslist op het verzoek van appellante van 23 mei 2013 om toekenning van schadevergoeding (de afwijzing).

Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld en vervolgens de gronden daarvan ingediend.

Geïntimeerde heeft een contramemorie ingediend.

De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2018, waar appellant, bijgestaan door haar gemachtigde, is verschenen. Voor geïntimeerde is zijn gemachtigde verschenen.

Overwegingen

1. Als ambtenaar aangesteld bij het Bevolkingsregister werd appellante ervan verdacht in de uitoefening van haar functie fraude te hebben gepleegd, waarvan geïntimeerde aangifte heeft gedaan bij het Openbaar Ministerie (het OM). Het OM heeft appellante, nadat zij op 15 maart 2010 was aangehouden en in verzekering gesteld, ter zake strafrechtelijk vervolgd. Na veroordeling door de strafrechter in eerste aanleg, is appellante bij arrest van het Hof van 2 februari 2012 vrijgesproken van de haar ten laste gelegde strafbare feiten.

Geïntimeerde had appellante in verband met de strafrechtelijke vervolging de toegang tot de werkplek ontzegd, terwijl haar bezoldiging werd doorbetaald. Per augustus 2012 heeft appellante haar werk hervat.

2. In hoger beroep is de afwijzing alleen nog in geschil wat betreft de volgende schadeposten: 30 dagen doorgebracht in detentie (NAf 2.400), immateriële schade (NAf 100.000), juridische bijstandskosten in de strafrechtprocedure (NAf 20.000), en vervallen vakantiedagen (PM).

3. Naar het oordeel van de Raad stelt appellante zich ten onrechte op het standpunt dat de door haar geclaimde schade is toe te rekenen aan het handelen door geïntimeerde, zijnde haar werkgever, als (rechtsopvolger van) het bevoegd gezag jegens haar in strijd met een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid.

De eerste drie beweerdelijke schadeposten zijn uitsluitend toe te rekenen aan de strafrechtelijke vervolging door het OM, zijnde het voor iedere burger geldend opsporingsapparaat, die los staat van enig handelen of beschikken door geïntimeerde als werkgever. Voor het verhalen daarvan op de overheid staan, zoals het Gerecht ook heeft overwogen, eigenstandige bepalingen in het Wetboek van Strafvordering. Dat geïmiteerde de inleidende aangifte tegen appellante heeft gedaan, doet daaraan niet af. Daarbij wordt nog opgemerkt dat de uiteindelijke vrijspraak ook niet betekent dat die aangifte onrechtmatig zou zijn gedaan door geïntimeerde.

Wat betreft de vervallen vakantiedagen heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij die niet heeft kunnen opnemen als gevolg van de ontzegging van toegang tot haar werkplek, nog afgezien van de beantwoording van de vraag of die ontzegging thans nog als onrechtmatig handelen zou kunnen worden aangemerkt, nu appellante daar niet (tijdig) bij de ambtenarenrechter tegen is opgekomen.

4. De slotsom is dat het hoger beroep niet kan slagen en de aangevallen uitspraak kan worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep ziet de Raad geen aanleiding.

Beslissing

De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mrs. D. Haan, voorzitter, en L.C. Hoefdraad en J. Sybesma, leden, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

Verzonden: