Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBACM:2015:63

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
14-10-2019
Zaaknummer
66334 en 66335
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Is er bij een niet afgebouwd woonhuis sprake van voordelen uit een onroerende zaak die belast kunnen worden met vastgoedbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 11 februari 2015, nr. 66334 en 66335

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN
zitting houdende op Bonaire

inzake: [belanghebbende],

tegen

[de Inspecteur].

1 Het procesverloop

1.1

Aan belanghebbende is op 8 september 2013 een beschikking waardevaststelling vastgoedbelasting ter zake van de onroerende zaak plaatselijk bekend als [adres 1], kadastraal [nr. 1] uitgereikt en zijn op 29 september 2013 aanslagen in de vastgoedbelasting opgelegd voor de jaren 2011 en 2012 ter zake van de onroerende zaken plaatselijk bekend als [adres 1], kadastraal [nr. 1], en [adres 2], kadastraal [nr. 2], Bonaire, Caribisch Nederland, tot een bedrag van US$ 5.561.

1.2

Belanghebbende is op 16 september 2013 tijdig in bezwaar gekomen tegen de vastgestelde waardebeschikking en tegen de aanslagen vastgoedbelasting. De Inspecteur heeft op 8 november 2013 uitspraak op bezwaar gedaan en daarbij de waarde van de onroerende zaak [adres 1] verminderd conform het door belanghebbende bij zijn bezwaarschrift ingediende taxatierapport. De aanslagen vastgoedbelasting zijn dienovereenkomstig verminderd naar een bedrag van US$ 2.376.

1.3

Belanghebbende is op 18 december 2013 tijdig in beroep gekomen.

1.4

De Inspecteur heeft op 25 maart 2014 een vertoogschrift ingediend.

1.5

Ter zitting van 8 april 2014 te Kralendijk zijn verschenen belanghebbende en namens de Inspecteur [A].

1.6

Belanghebbende heeft een pleitnota ingediend en voorgedragen.

2 De tussen partijen vaststaande feiten

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door een van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.1

Belanghebbende is inwoner van Caribisch Nederland. Belanghebbende was op 1 januari 2011 eigenaar van en gerechtigd tot het perceel kadastraal bekend als [nr. 1], gelegen te [adres 1], Bonaire, Caribisch Nederland (hierna: de onroerende zaak). Op dit perceel bevindt zich een niet afgebouwd woonhuis; volgens het door belanghebbende overgelegde taxatierapport was het woonhuis op 1 januari 2011 voor ca. 70% gereed. Belanghebbende heeft een waardebeschikking, peildatum 1 januari 2011, met dagtekening 8 september 2013 ontvangen voor de onroerende zaak waarbij de waarde werd vastgesteld op $ 456.000. Belanghebbende heeft tegen deze waardebeschikking tijdig bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar, gedateerd 8 november 2013, heeft de Inspecteur de waarde van de onroerende zaak verlaagd rekening houdend met de in het door belanghebbende overgelegde taxatierapport bepaalde waarde van US$ 204.000. Belanghebbende heeft tegen de nieuw vastgestelde waarde geen beroep ingesteld.

2.2

De aanslagen vastgoedbelasting voor de jaren 2011 en 2012 voor de onroerende zaak zijn opgelegd op 29 september 2013 naar de oorspronkelijk vastgestelde waarde van US$ 456.000; bij de uitspraak op bezwaar zijn de aanslagen verminderd en opgelegd naar een waarde van US$ 204.000.

3.Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of er bij een niet afgebouwd woonhuis sprake is van voordelen uit een onroerende zaak die belast kunnen worden met vastgoedbelasting.

4 De standpunten van partijen

4.1

Belanghebbende is van mening dat, omdat hij geen inkomsten (uit verhuur) ontvangt, hij vrijgesteld dient te worden van vastgoedbelasting voor dit onafgebouwde woonhuis.

4.2

De Inspecteur is van mening dat belanghebbende op 1 januari 2011 respectievelijk 2012 genot-hebbende van de onroerende zaak was en dus belastingplichtig. Niet relevant is of door belanghebbende daadwerkelijk inkomsten uit de onroerende zaak worden genoten.

4.3

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht

5 Beoordeling van het geschil

5.1

De artikelen 4.5 en 4.6 van de Belastingwet BES bepalen dat de heffingsmaatstaf voor de vastgoedbelasting de bij waardebeschikking vastgestelde waarde is. Na de uitspraak op het door belanghebbende ingediende bezwaar tegen de waardebeschikking is de waarde van de onroerende zaak niet Langer in geschil.

5.2

De eerste volzin van artikel 4.10, eerste lid, van de Belastingwet BES luidt met ingang van 01-012011:

1. De voordelen uit een onroerende zaak worden gesteld op 4% van de waarde van de onroerende zaak, met dien verstande dat ingeval de onroerende zaak een woning, niet zijnde een woning als bedoeld in artikel 4.4 onderdeel a, betreft en degene die bij het begin van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van die onroerende zaak heeft een natuurlijk persoon is de voordelen worden gesteld op 4% van de waarde, voor zover deze waarde meer bedraagt dan US$ 50.000.

5.3

Belanghebbende stelt dat hij geen voordelen heeft genoten uit de onroerende zaak omdat deze nog niet gereed was. Het feit dat de desbetreffende woning nog niet voor bewoning geschikt was, heeft ertoe geleid dat de Inspecteur bij de uitspraak op het bezwaar de waarde heeft verlaagd van US$ 456.000 naar US$ 204.000.

5.4

De voordelen uit een onroerende zaak worden volgens het hiervoor onder 5.2 geciteerde artikel 4.10 Belastingwet BES forfaitair vastgesteld; de vastgoedbelasting wordt dus niet geheven over de werkelijk genoten voordelen, maar over een vast percentage van de waarde van de onroerende zaak. Belanghebbendes standpunt dat, nu er door hem geen werkelijke voordelen uit de onroerende zaak zijn genoten, hij geen vastgoedbelasting behoeft te betalen, moet worden verworpen; dat de toelichting op de aanslag voor de gewone burger wellicht onduidelijk is, maakt dit niet anders.

5.5

De slotsom op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is dat de onderhavige aanslagen vastgoedbelasting terecht zijn opgelegd en dat het beroep ongegrond is.

6.Beslissing

De Raad verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan in raadkamer op door mrs. M.T. Boerlage, voorzitter, G.J. van Muijen en E.F. Faase, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris L Marrewijk en uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2015.