Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBACM:2015:39

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
04-12-2015
Datum publicatie
21-12-2015
Zaaknummer
2014/66705
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitspraak van 4 december 2015, nr. 2014/66705

Belanghebbende is een alleenstaande moeder die alle studiekosten van haar kind, dat in Canada studeert, betaalt. Op grond van artikel 16A, lid 1, letter e van de landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (Curaçao) kan zij maximaal Naf 10.000 in aftrek brengen. Voor gehuwden bedraagt de aftrek maximaal Naf 20.000. Belanghebbende vindt dat ze als alleenstaande vrouw ten opzichte van gehuwden gediscrimineerd wordt en vraagt om aftrek van Naf 20.000 aan studiekosten. De Raad is van oordeel dat van discriminatie geen sprake is, nu de door de wetgever gemaakte keuze niet van iedere redelijke grond is ontbloot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 4 december 2015, nr. 2014/66705

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Curaçao,

inzake:

X, te Curaçao, belanghebbende,

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1 Het procesverloop

1.1

Aan belanghebbende is met dagtekening 2 november 2012 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd over het jaar 2011 naar een belastbaar inkomen van Naf 187.483.

1.2

Belanghebbende is op 21 december 2012 tijdig in bezwaar gekomen tegen de aanslag inkomstenbelasting. Bij uitspraak op bezwaar van 22 november 2013 is de Inspecteur gedeeltelijk aan het bezwaar tegemoet gekomen. Hij heeft de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van Naf 187.363.

1.3

Belanghebbende is op 21 januari 2014 in beroep gekomen tegen deze uitspraak op bezwaar.

1.4

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.5

Ter zitting van 18 september 2015 te Willemstad zijn verschenen belanghebbende en namens de Inspecteur A en B.

2 De tussen partijen vaststaande feiten

2.1

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.2

Belanghebbende is een alleenstaande moeder. Haar dochter, Y, is geboren in 1991 en studeerde in het onderhavige jaar in D als Bachelor of Science aan de Z University. Belanghebbende heeft in haar aangifte een bedrag van Naf 20.000 aan studiekosten in de zin van artikel 16A Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (LIB) opgevoerd. Bij het opleggen van de aanslag heeft de Inspecteur een bedrag van Naf 10.000 aan aftrekbare studiekosten geaccepteerd. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in het onderhavige jaar minstens Naf 20.000 aan studiekosten in de zin van artikel 16A LIB betaald heeft voor haar dochter en dat die kosten op belanghebbende drukken. De vader van Y draagt niet bij in haar studiekosten.

3 Geschil

Tussen partijen is in geschil welk bedrag belanghebbende aan studiekosten in aftrek op haar inkomen kan brengen, Naf 20.000 (belanghebbende) dan wel Naf 10.000 (inspecteur).

4 De standpunten van partijen

4.1

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

4.2

De inspecteur stelt dat ingevolge artikel 16A, lid 1, letter e, LIB de aftrek beperkt is tot Naf 10.000. Belanghebbende betwist niet dat zij op basis van die bepaling slechts recht heeft op aftrek van Naf 10.000 aan studiekosten. Echter, zij verwijst voor haar standpunt dat zij een bedrag van Naf 20.000 in aftrek kan brengen naar artikel 16A, lid 5, LIB dat een verdubbeling van de aftrek tot Naf 20.000 per kind toestaat in het geval van gehuwde ouders. Door die verdubbeling alleen te laten gelden voor gehuwde ouders is volgens belanghebbende sprake van discriminatie op grond van burgerlijke staat en (indirect) geslacht. Aldus is dit onderscheid in strijd met de Staatsregeling, het EVRM en het IVBPR. Belanghebbende voert aan dat alleenstaande ouders net zoals een gehuwd stel alle kosten voor de studie van een kind betalen. De kosten blijven hetzelfde ongeacht de burgerlijke staat van de ouder. Bovendien zijn het overwegend vrouwen die zelfstandig een kind opvoeden, zeker in Curaçao. Vrouwen worden in dit opzicht dan ook gediscrimineerd. De inspecteur is van mening dat van discriminatie geen sprake is.

5 Beoordeling van het geschil

5.1

De Raad stelt voorop dat het EVRM ook op de overzeese gebiedsdelen van het Koninkrijk der Nederlanden van toepassing is. Voor hen gelden aldus dezelfde rechten en verplichtingen als voor burgers van het Europese deel van het Koninkrijk. Daarnaast zijn ook de Staatsregeling van Curaçao en het IVBPR op de situatie van belastingplichtige van toepassing. In de artikelen 14 EVRM, 26 IVBPR en 3 Staatsregeling Curaçao zijn antidiscriminatieregels opgenomen waarnaar belanghebbende verwijst. Met betrekking tot artikel 14 EVRM en 26 IVBPR heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 16 oktober 2015, nr. 14/04751, ECLI:NL:HR:2015:3022 geoordeeld:

“De genoemde bepalingen verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Dit betekent dat alleen sprake is van discriminatie indien het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of indien er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel…….. Hierbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen…… Indien het - zoals in het onderhavige geval – niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke grond ontbloot is…….. Dit laatste kan niet snel worden aangenomen.. Het onderscheid moet van dien aard zijn dat de keuze van de wetgever evident van redelijke grond ontbloot is.”

Naar het oordeel van de Raad heeft voor artikel 3 van de Staatsregeling Curaçao hetzelfde beoordelingskader te gelden.

5.2

Artikel 16A LIB maakt voor wat betreft de aftrek van studiekosten voor kinderen een onderscheid tussen (met elkaar) gehuwde en ongehuwde ouders. Belanghebbende heeft als ongehuwde ouder ingevolge lid 1, letter e van die bepaling recht op aftrek van maximaal Naf 10.000 aan studiekosten. Voor de gehuwde ouder aan wie de in artikel 20, lid 2 en lid 3 LIB bedoelde bestanddelen van het inkomen van zijn echtgenoot worden toegerekend (hierna: de gehuwde) geldt ingevolge artikel 16A, lid 5, letter a LIB een verdubbeling van de maximale aftrek tot Naf 20.000.

5.3

Naar het oordeel van de Raad betreft dit een keuze van de fiscale wetgever waarvan niet kan worden gezegd dat deze van iedere redelijke grond is ontbloot. De Raad stelt daarbij voorop dat voor gehuwden anders dan voor ongehuwden een systeem geldt van toerekening van bepaalde inkomensbestanddelen en aftrekposten van de ene echtgenoot aan de andere. Ingevolge artikel 20, lid 2 en lid 3 LIB in verbinding met artikel 16A lid 1, letter e LIB worden bij gehuwden de studiekosten van het kind verplicht in aanmerking genomen bij, kort gezegd, de meestverdienende ouder. De andere ouder kan aldus geen studiekosten in aftrek brengen zodat deze de maximale aftrek van Naf 10.000 niet kan effectueren. Dit is anders bij niet gehuwden. Daar kunnen beide ouders ieder afzonderlijk een bedrag van maximaal Naf 10.000, dus samen Naf 20.000, aan studiekosten in aftrek brengen. De gehuwde ouders verkeren in dat opzicht in een nadelige positie ten opzichte van de ongehuwde ouders. Met de invoering van artikel 16A, lid 5, letter a LIB heeft de wetgever tot doel gehad om die nadelige positie op te heffen door de maximale aftrek voor de gehuwde ouder die de studiekosten kan aftrekken te verdubbelen zodat deze gelijk is aan de maximale aftrek van twee ongehuwde ouders. De Raad acht dit een gerechtvaardigde doelstelling en de wijze waarop die in de wet is gerealiseerd gaat naar het oordeel van de Raad niet verder dan voor het bereiken ervan nodig is. In ieder geval bestaat er volgens de Raad geen wanverhouding tussen beide.

5.4

Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij alle studiekosten voor haar dochter betaalt en dat de vader niets bijdraagt. In die situatie is er volgens belanghebbende geen verschil met gehuwden, waarbij alle studiekosten aan een van de ouders worden toegerekend en dient zij ook gelijk te worden behandeld. De Raad verwerpt dit standpunt. Naar de inspecteur ter zitting heeft gesteld zou gelijkschakeling van deze situatie met de gehuwden-situatie allerlei uitvoeringsproblemen tot gevolg kunnen hebben, met name als een van de ouders betoogt dat de ander geen studiekosten betaalt terwijl die ander dat ontkent. Naar het oordeel van de Raad bestaat er aldus een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor de verschillende behandeling.

5.5

Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat in dit geval sprake is van ongeoorloofde (indirecte) discriminatie naar geslacht omdat veel meer vrouwen dan mannen hun kinderen opvoeden overweegt de Raad als volgt. Gelet op hetgeen de Raad heeft overwogen in 5.3 en 5.4 bestaan er goede redenen om de verdubbeling van de maximale aftrek ziektekosten tot Naf 20.000 alleen te beperken tot de gehuwden. Die redenen gelden evenzeer indien aangenomen moet worden dat de regeling meer alleenstaande vrouwen treft dan mannen. De wetgever is hierbij binnen de ruime beoordelingsvrijheid gebleven die haar toekomt. Het gelijk is aan de inspecteur.

6 Beslissing

De Raad verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mrs. S. Verheijen, M. de Werd en A. Beukers-van Dooren in tegenwoordigheid van de secretaris M. Faro MSc en uitgesproken op 4 december 2015.

De griffier, Bij afwezigheid van de

voorzitter tekent de rechter mr. drs. M. de Werd,