Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBACM:2015:26

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
31-08-2015
Datum publicatie
07-09-2015
Zaaknummer
2011/59462
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De (af)bouw van de woning in 2007 had ertoe moeten leiden dat vanaf 2008 GB werd geheven naar de ‘waarde bebouwd’. Voor de jaren 2008 t/m 2010 is dat niet gebeurd. De systematiek van de GB brengt mee dat voor het jaar 2011 de ‘bebouwde toestand’ in aanmerking mag worden genomen, zij het naar de waarde per 1 januari 2008.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 31 augustus 2015, nr. 2011/59462

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende op Curaçao

inzake:

X, woonplaats kiezende te Curaçao, belanghebbende,

gemachtigde: Y,

tegen

de Inspecteur der Belastingen op Curaçao, de Inspecteur.

1 Het procesverloop.

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011, met dagtekening 22 augustus 2011, een aanslag in de grondbelasting opgelegd ter zake van het object a-straat 1 (het object), naar een waarde van Naf. 1.500.000.

1.2.

Belanghebbende heeft tijdig een bezwaarschrift ingediend.

1.3.

Bij de uitspraak op bezwaar van 31 oktober 2011 heeft de Inspecteur de waarde van het object verminderd tot Naf. 900.000.

1.4.

Belanghebbende heeft vervolgens tijdig een beroepschrift bij de Raad ingediend. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.5.

Ter zitting van 19 maart 2015 te Willemstad zijn verschenen de hiervoor genoemde gemachtigde belanghebbende en namens de Inspecteur [B]. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota met bijlagen overgelegd. De Inspecteur heeft van deze stukken kennis kunnen nemen en daarop gereageerd.

2 De tussen partijen vaststaande feiten

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.1.

Belanghebbende is op 1 januari 2011 eigenaresse van het object. De kavel is door haar in juni 2006 aangekocht. In de loop van 2006 en 2007 is daarop een woning gebouwd welke in september 2007 is gereed gekomen. Belanghebbende heeft zich tezamen met haar echtgenoot in 2009 in Curaçao gevestigd; zij hebben toen de hiervoor bedoelde woning te a-straat 1 betrokken.

2.2.

Belanghebbende en haar echtgenoot hadden sinds hun vestiging op Curaçao de status van ‘penshonado’, hetgeen is bevestigd in een brief van de Inspecteur van 7 juli 2010. In verband met het verkrijgen van die status heeft belanghebbende onder meer de akte van aankoop van de grond en kwitanties met betrekking tot de voldoening van de aanneemsom aan de Inspecteur overgelegd. De echtgenoot van belanghebbende is in april 2010 overleden.

2.3.

Voor de jaren tot en met 2010 is belanghebbende ter zake van het object voor de grondbelasting aangeslagen naar de ‘waarde onbebouwd’ van de kavel ad Naf. 284.622, zijnde de koopsom van de kavel in 2006. Voor het jaar 2011 is de onderhavige aanslag in de grondbelasting opgelegd, naar de ‘waarde bebouwd’ van het object. De Inspecteur heeft de door haar nader vastgestelde waarde van Naf. 900.000 gebaseerd op de waardering, na opname, door de afdeling terreindienst van de Belastingdienst, waarbij rekening is gehouden met ligging en grootte van de kavel, alsmede (vergelijking met) de waarde van nabijgelegen percelen. Daarbij is uitgegaan van de waarde per 1 januari 2011.

3 Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de onderhavige aanslag rechtsgeldig aan belanghebbende is opgelegd en, zo ja, of de waarde van het object niet te hoog is vastgesteld.

4 De standpunten van partijen

4.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat voor 2011 geen aanslag in de grondbelasting kan worden opgelegd omdat niet in dat jaar één van de in artikel 24 van de Grondbelastingverordening 1908 (hierna: GB) genoemde gevallen is voorgevallen op grond waarvan de legger kan worden gewijzigd. Subsidiair is belanghebbende van mening dat bij de aanslagoplegging een te hoge waarde is gehanteerd. Volgens haar moet de waarde per 1 januari 2007 worden bepaald, en wel op de kostprijs van de woning ad ongeveer Naf. 800.000.

4.2.

De Inspecteur is van mening dat de aanslag tijdig, terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd.

4.3.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende ingevolge artikel 12 van de GB heeft te gelden als belastingplichtige ter zake van het object.

5.2.

Ingevolge artikel 21 van de GB worden de aanslagen grondbelasting opgenomen in voor elk vijfjarig tijdvak op te maken leggers. Het onderhavige tijdvak loopt van 2007 tot en met 2011. De leggers ondergaan in de loop van het vijfjarig tijdvak waarvoor zij zijn vastgesteld geen wijzigingen, behoudens die welke het gevolg zijn van, onder meer, de op- of aanbouw of gedeeltelijke vernieuwing van de onroerende zaak (artikel 24, aanhef en sub c, van de GB). Ingevolge de derde volzin van artikel 24 van de GB wordt een wijziging in de leggers aangebracht in het jaar, volgende op dat waarin de verandering plaatsvond. De vierde volzin bepaalt (voor zover hier van belang) dat, in het geval bedoeld onder letter c, de belastbare waarde en de aanslag opnieuw worden vastgesteld, waarbij de belastbare waarde wordt genomen op 1 januari van het lopende belastingjaar.

5.3.

In het onderhavige geval had de (af)bouw van de onroerende zaak in 2007 moeten leiden tot een wijziging van de legger voor het jaar 2008 en had vervolgens, met ingang van dat jaar, van belanghebbende grondbelasting dienen te worden geheven naar de ‘waarde bebouwd’ van het object op (naar de Raad de vierde volzin van artikel 24 van de GB verstaat) 1 januari 2008. Dit is indertijd echter niet gebeurd. De Inspecteur heeft pas voor het jaar 2011 aan belanghebbende een aanslag naar de ‘waarde bebouwd’ opgelegd.

5.4.

De Raad houdt het er voor dat de Inspecteur per abuis over de jaren 2008 en volgende geen aanslagen naar de ‘waarde bebouwd’ aan belanghebbende heeft opgelegd. Dit houdt echter niet in dat, naar belanghebbende heeft betoogd, het de Inspecteur daarna niet meer vrij stond om dit abuis te herzien. De Raad is in dit verband van oordeel dat de systematiek van de GB, zoals neergelegd in de artikelen 21, 23 en 24 daarvan, met zich brengt dat de Inspecteur voor het jaar 2011 de ‘bebouwde toestand’ van het object voor de heffing van grondbelasting in aanmerking mocht nemen. De andersluidende stelling van belanghebbende wordt dus door de Raad verworpen.

5.5.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad van oordeel dat de Inspecteur het hiervoor bedoelde abuis voor het onderhavige jaar op de juiste wijze heeft hersteld. Daaraan doet niet af dat de inspecteur reeds sinds (uiterlijk) 2010 over de juiste gegevens beschikte. Het primaire standpunt van belanghebbende faalt.

5.6.

Wat betreft de voor het jaar 2011 vastgestelde waarde heeft naar het oordeel van de Raad te gelden dat moet worden aangesloten bij het lopende tijdvak 2007-2011 en dat, gelet op hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen, de belasting in casu wordt geheven naar de waarde van het object op 1 januari 2008. In dit opzicht is de Inspecteur, door de waarde van het object per 1 januari 2011 te bepalen, derhalve van een onjuist juridisch uitgangspunt uitgegaan. Overigens acht de Raad aannemelijk dat die door de Inspecteur voorgestane waarde per 1 januari 2011 niet te hoog is.

5.7.

Belanghebbende heeft gesteld dat de waarde van het object per 1 januari 2007 ongeveer Naf 800.000 bedroeg, zijnde de kostprijs van kavel en woning. De Inspecteur heeft de juistheid van die kostprijs op zich niet bestreden. Nu de waarde echter niet per 1 januari 2007, maar per 1 januari 2008 dient te worden vastgesteld, terwijl bovendien de kostprijs van een woning in het algemeen niet de waarde daarvan in gerede staat vertegenwoordigt, acht de Raad de door belanghebbende verdedigde waarde evenmin juist.

5.8.

Gelet op het vorenoverwogene, met inachtneming van de kostprijs van het object in 2006/2007 en de waarde daarvan per 1 januari 2011, zal de Raad de waarde van het object per 1 januari 2008 in goede justitie nader vaststellen op Naf 850.000.

5.9.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de slotsom dat het beroep van belanghebbende (gedeeltelijk) gegrond is.

6 Beslissing

De Raad verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak waarvan beroep, vermindert de door de Inspecteur vastgestelde waarde van het object tot een bedrag van Naf. 850.000 en vermindert de aanslag voor het jaar 2011 dienovereenkomstig.

Aldus gedaan door mrs. S. Verheijen, G.J. van Muijen en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de secretaris en uitgesproken op 31 augustus 2015.