Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBACM:2015:21

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
19-06-2015
Datum publicatie
07-09-2015
Zaaknummer
71558, 71559 en 71560
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vastgoedbelasting BES voor tweede woningen. Geen strijd met (artikel 1 van het Eerste Protocol bij) het EVRM. Geen toepassing van een ‘gebruiksfactor’ of evenredige kwijtschelding wegens 180 (en geen 365) dagen feitelijk gebruik van de tweede woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 19 juni 2015, nrs. 71558, 71559 en 71560

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende op Bonaire

inzake:

X te Y, belanghebbende,

tegen

de Inspecteur van de Belastingdienst Caribisch Nederland, de Inspecteur.

1 Het procesverloop

1.1

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 9 augustus 2013 aanslagen vastgoedbelasting voor de jaren 2011 en 2012 opgelegd ter zake van het object a-straat nummer 1, naar een waarde van $ 1.172.000.

1.2

De aanslag vastgoedbelasting voor het jaar 2013 ter zake van evengenoemd object is aan belanghebbende opgelegd met dagtekening 30 april 2014.

1.3

Belanghebbende is op 19 mei 2014 in bezwaar gekomen tegen de in 1.1 en 1.2 vermelde drie aanslagen vastgoedbelasting. Op 26 september 2014 heeft de inspecteur uitspraak op de bezwaren gedaan en daarbij de bezwaren niet ontvankelijk verklaard.

1.4

Bij beroepschrift met dagtekening 28 oktober 2014, aangetekend ter post bezorgd te Bonaire op 19 november 2014 en bij de Raad te Curaçao ingekomen op 10 december 2014, is belanghebbende in beroep gekomen tegen de uitspraken van de Inspecteur.

1.5

Met dagtekening 28 januari 2015 heeft de Inspecteur een vertoogschrift ingediend.

1.6

Belanghebbende heeft op 5 maart 2015 een nader stuk ingezonden. De Inspecteur heeft daarop gereageerd bij schrijven van 23 maart 2015.

1.7

Ter zitting van 31 maart 2015 te Kralendijk zijn verschenen belanghebbende, vergezeld door haar echtgenoot, en namens de Inspecteur […].

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota doen voordragen en aan de Raad en de wederpartij overgelegd.

2 De ontvankelijkheid van de beroepen en de bezwaren

2.1

Uit hetgeen in 1.4 is vermeld volgt dat belanghebbende, naar zij heeft gesteld, haar beroepschrift op 19 november 2014 bij de griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg (het GEA) te Bonaire had kunnen afgeven in plaats van het op die dag aangetekend ter post te bezorgen. Het beroep was dan binnen de daarvoor geldende termijn van twee maanden na dagtekening van de uitspraken op bezwaar, en derhalve tijdig, als bij de Raad ingekomen aangemerkt. Nu belanghebbende niet kan worden aangerekend dat zij met die mogelijkheid van afgifte ter griffie van het GEA niet bekend was (in de uitspraak op bezwaar is in de rechtsmiddelverwijzing alleen het adres van de Raad te Curaçao vermeld), zal de Raad belanghebbende in haar beroep ontvangen.

2.2

Uit hetgeen in 1.1 en 1.3 is vermeld blijkt dat belanghebbende de termijn voor het maken van bezwaar tegen de aanslagen voor de jaren 2011 en 2012 niet in acht heeft genomen. Belanghebbende heeft daarover verklaard dat zij de aanslagen niet had ontvangen en eerst met hun bestaan bekend werd doordat aan haar namens de Ontvanger op 17 maart 2014 een aanmaning tot betaling van de aanslagen werd uitgereikt. Zij heeft onverwijld met de Ontvanger contact opgenomen; deze heeft aan belanghebbende op 24 april 2014 duplicaten van de aanslagen gezonden welke zij op 8 mei 2014 heeft ontvangen. Inmiddels had de aanslag voor het jaar 2013 belanghebbende bereikt. Belanghebbende is vervolgens zo spoedig mogelijk, op 19 mei 2014, tegen alle drie de aanslagen in bezwaar gekomen.

2.3

De Raad stelt vast dat de aanslagen 2011 en 2012 naar het juiste (toenmalige) adres van belanghebbende te [Y], zijn gezonden en dat de aanslag 2013 naar het nieuwe (post)adres van belanghebbende te [Z], Nederland, is gestuurd. De Raad acht de hiervoor weergegeven verklaring van belanghebbende dat de aanslagen 2011 en 2012 belanghebbende niettemin niet hebben bereikt en welke zij ter zitting heeft herhaald, geloofwaardig. Nu de oorzaak van de niet-bezorging niet kan worden achterhaald en de Raad van oordeel is dat een (mogelijk) falen van de posterijen niet voor risico van belanghebbende mag worden gebracht, acht hij de hiervoor vastgestelde termijnoverschrijding verschoonbaar. Mitsdien heeft de Inspecteur de bezwaarschriften betreffende de jaren 2011 en 2012 ten onrechte niet ontvankelijk verklaard.

2.4

Met betrekking tot het bezwaarschrift betreffende het jaar 2013 geldt eveneens dat de Inspecteur belanghebbende ten onrechte niet in haar bezwaar heeft ontvangen. Van een termijnoverschrijding was in dat geval, naar de Inspecteur ter zitting ook heeft erkend, immers geen sprake.

2.5

De Raad constateert op grond van het vorenoverwogene dat de uitspraken van de Inspecteur – reeds – om deze redenen geen stand kunnen houden. De Raad komt vervolgens toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak.

3 De tussen partijen vaststaande feiten

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

3.1

Belanghebbende is woonachtig in het Europese deel van Nederland. Zij was op 1 januari van de onderhavige jaren eigenaresse van de onderhavige onroerende zaak. Zij heeft de onroerende zaak, een woning, verworven voordat de Belastingwet BES per 1 januari 2011 in werking trad.

3.2

De onderhavige aanslagen zijn opgelegd naar een vastgestelde waarde van de woning per 1 januari 2011 van US$ 1.172.000. Omtrent die waarde bestaat geen geschil. De aanslagen belopen elk US$ 7.741.

4 Geschil

In geschil is of de onderhavige aanslagen moeten worden vernietigd of verminderd wegens strijd met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) juncto artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP).

5 De standpunten van partijen

5.1

Belanghebbende stelt primair dat de heffing van vastgoedbelasting ter zake van haar woning te Bonaire in strijd is met artikel 14 van het EVRM in verbinding met artikel 1 EP omdat de toepassing van artikel 4.4, aanhef en sub a dan wel k, van de Belastingwet BES een disproportionele last bij een kleine groep van eigenaren van ‘tweede woningen’ legt, althans omdat de aanslagen in haar geval tot een buitensporige last leiden en dat de onderhavige aanslagen daarom dienen te worden vernietigd. Subsidiair verzoekt belanghebbende toepassing van de hardheidsclausule en meer subsidiair bepleit belanghebbende een evenredige kwijtschelding van het geheven belastingbedrag dan wel het toepassen van een ‘gebruiksfactor’ van (naar de Raad verstaat) 49,3%.

5.2

De Inspecteur is van mening dat de aanslagen terecht zijn opgelegd en dat het wettelijke stelsel van de vastgoedbelasting niet in strijd is met het EVRM. Ook de (meer) subsidiaire standpunten van belanghebbende moeten worden verworpen.

5.3

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de.

van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

6 Beoordeling van het geschil

6.1

Belanghebbende heeft primair betoogd dat de heffing van vastgoedbelasting in strijd is met artikel 1 EP althans dat artikel 4.4, aanhef en sub a en/of k, van de Belastingwet BES onverbindend is wegens strijd met het EVRM. Feitelijk zijn alleen niet op de BES-eilanden woonachtige particulieren en eigenaren van bedrijfsvastgoed belastingplichtig. De laatste groep krijgt een verlichting door het achterwege laten van een traditionele winstbelasting. Commerciële dienstverleners zoals hotels krijgen een veel lager tarief. Door dit alles verschuift de belastingdruk van ingezetenen naar niet-ingezetenen – die de onroerende zaak niet als hoofdverblijf (kunnen) benutten – en dat is geen ‘fair balance’, zo stelt belanghebbende. De belemmering van de vastgoedbelasting is volgens belanghebbende in het algemeen en in haar geval disproportioneel.

6.2

De Raad volgt belanghebbende niet in haar standpunt. In de eerste plaats niet, omdat (artikel 4.4 van) de Belastingwet BES geen onderscheid maakt tussen binnen en buiten de BES-eilanden woonachtige eigenaren van onroerende zaken die voor hen geen eigen woning/hoofdverblijf vormen. De vastgoedbelasting wordt immers ook geheven ter zake van ‘tweede woningen’ van binnen de BES-eilanden woonachtige particulieren.

6.3

Het standpunt van belanghebbende kan voorts niet worden gevolgd omdat naar het oordeel van de Raad geen sprake is van strijd met artikel 1 EP. Het is vaste jurisprudentie van het EHRM dat het de lidstaten vrij staat in hun belastingwetgeving bepaalde, wenselijk geachte, fiscale faciliteiten op te nemen en dat het hen evenzeer vrij staat om zulks niet te doen. De verdragsstaat dient voorts bij het treffen van een maatregel die leidt tot een ontneming van eigendom als bedoeld in artikel 1 EP een ‘fair balance’ te treffen tussen de eisen van het algemeen belang en die van de bescherming van fundamentele rechten van het individu. Bij dit een en ander is de beslissende vraag of, met de feitelijk gemaakte keuze om voor fiscale doeleinden een onderscheid te maken tussen belastingplichtigen, de aanvaardbare ‘margin of appreciation’ is overschreden. Bij de hiervoor bedoelde keuze komt de fiscale wetgever een ruime beoordelingsmarge (‘wide margin of appreciation’) toe, aldus het EHRM. Naar het oordeel van de Raad heeft de belastingwetgever, door in de vastgoedbelasting bepaalde vrijstellingen op te nemen (waaronder die voor de eigen woning op de BES-eilanden en voor vastgoed van bepaalde ondernemingen), die ruime beoordelingsmarge niet overschreden. Ook op dit punt faalt daarom het standpunt van belanghebbende.

Uit hetgeen belanghebbende te dezen voorts nog heeft aangevoerd kan evenmin worden afgeleid dat de vastgoedbelasting in haar specifieke omstandigheden leidt tot een individuele en buitensporige last (‘individual and excessive burden’) in de zin van artikel 1 EP.

6.4

Wat het subsidiaire standpunt van belanghebbende betreft, overweegt de Raad dat het aan de Minister van Financiën is voorbehouden om met toepassing van artikel 8.19, aanhef en sub b, Belastingwet BES (de zogeheten hardheidsclausule) tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard welke zich bij de toepassing van de belastingwet mochten voordoen. In zoverre heeft belanghebbende haar verzoek derhalve ten onrechte aan de Raad gericht.

6.5

In haar meer subsidiaire standpunt doet belanghebbende een beroep op toepassing van een ‘gebruiksfactor’ van 49,3% dan wel op een daaraan evenredige kwijtschelding van het geheven belastingbedrag omdat zij, naar zij stelt, ingevolge de Rijkswet voor Toelating en Uitzetting BES feitelijk niet meer dan 180 dagen per kalenderjaar van de woning gebruik kan maken. Wat er zij van de juistheid van deze stelling, de vastgoedbelasting wordt geheven van de genothebbende, in casu de eigenaar, naar een forfaitair bepaald rendement dat is gerelateerd aan de waarde van de onroerende zaak zoals deze per de peildatum is vastgesteld. Of al of niet feitelijk van de onroerende zaak gebruik wordt gemaakt en zo ja, voor hoeveel dagen, dan wel of de onroerende zaak al of niet feitelijk opbrengsten oplevert, doet bij de forfaitaire rendementsheffing niet ter zake. Mitsdien moet ook het meer subsidiaire standpunt van belanghebbende worden verworpen.

6.6

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen dienen de uitspraken op bezwaar te worden vernietigd en de aanslagen te worden gehandhaafd.

7 Beslissing

De Raad verklaart het beroep van belanghebbende gegrond doch uitsluitend voor zover dat zich richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaarschriften, vernietigt de bestreden uitspraken van de Inspecteur in zoverre, verklaart belanghebbende alsnog ontvankelijk in haar bezwaren, verklaart het beroep overigens ongegrond en handhaaft de aanslagen vastgoedbelasting.

Aldus gedaan in raadkamer op 19 juni 2015 door mrs. S. Verheijen, G.J. van Muijen en E.F. Faase in tegenwoordigheid van de secretaris en uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2015.