Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBACM:2014:26

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
19-09-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
2011-52567
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende past bij de berekening van de door haar af te dragen premies AVBZ een percentage van 1 toe op die loonbedragen die in de eerste schijf vallen. In deze tussenuitspraak geeft de Raad als voorlopig oordeel dat deze wijze van berekening niet juist is en dat het beleid van de belastingdienst, waarbij rekening gehouden wordt met de basiskorting, de Raad alleszins redelijk voorkomt. Op basis van deze voorlopige oordelen moeten partijen nieuwe berekeningen maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Beschikking d.d. 19 september 2014, nr. 2011-52567.

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende op Curaçao

inzake:

X B.V., gevestigd te Curaçao, belanghebbende,

gemachtigde R,

tegen

de Inspecteur der Belastingen op Curaçao.

1 Het procesverloop

1.1

Belanghebbende heeft op 11 juli 2010 aangifte gedaan voor de premieheffing AVBZ over de periode juni 2010.

1.2

Belanghebbende is op 16 augustus 2010 tijdig in bezwaar gekomen tegen deze aangifte. De Inspecteur heeft geen uitspraak op bezwaar gedaan.

1.3

Belanghebbende is op 22 november 2011 tijdig in beroep gekomen.

1.4

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.5

Ter zitting van 15 mei 2013 te Willemstad zijn verschenen namens belanghebbende Q en gemachtigde, en namens de Inspecteur R.

1.6

Gemachtigde heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De zaak is aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen nadere gegevens uit te wisselen.

1.7

Belanghebbende heeft bij brief van 18 juni 2013 nadere stukken ingebracht waarvan afschriften aan de Inspecteur zijn gezonden.

1.8

Op 25 maart 2014 is de zaak opnieuw ter zitting behandeld. Verschenen is de Inspecteur; belanghebbende is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De zaak is opnieuw aangehouden teneinde de Inspecteur in de gelegenheid te stellen te reageren op de door belanghebbende overgelegde stukken. De Inspecteur heeft binnen de door de Raad gestelde termijn niet meer gereageerd, waarop de Raad de behandeling van de zaak heeft gesloten.

2 De tussen partijen vaststaande feiten

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.1

Belanghebbende verleent beveiligingsdiensten.

2.2

Bij brief van 26 september 2007 hebben belanghebbende en twee andere inhoudingsplichtigen bezwaar gemaakt tegen de afdracht van premies AVBZ over de periode juni 2007. De Inspecteur heeft zich er op 27 februari 2008 mee akkoord verklaard dat de uitspraak bij één van de drie inhoudingsplichtigen zal gelden voor alle drie de inhoudingsplichtigen, en zal gelden vanaf de maand juli 2007 zonder dat maandelijks bezwaarschriften hoeven te worden ingediend. Op de in 2007 ingediende bezwaarschriften is nooit uitspraak gedaan.

2.3

Bij brief van 18 juni 2013 heeft belanghebbende een overzicht verstrekt van de premieafdrachten over de maand juni 2010.

3 Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende (tot het door haar aangegeven bedrag) premies AVBZ is verschuldigd.

4 De standpunten van partijen

4.1

Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat er sinds 1 januari 1999 geen wettelijke regeling voor de premie AVBZ meer bestaat. Er is namelijk met ingang van 1999 geen premiepercentage vastgesteld én gepubliceerd, hetgeen artikel 21 lid 1 Landsverordening Algemene Verzekering Bijzondere Ziektekosten (hierna: LAVBZ) wel voorschrijft. Het heffen van premies over jaren vanaf 1999 naar het percentage als vastgesteld voor de jaren 1997 en 1998 van 2 is niet rechtsgeldig.

Subsidiair meent belanghebbende dat het premiepercentage, ingevolge artikel 21 lid 2 juncto 65 lid 2 LAVBZ, 1 moet bedragen voor een zuiver inkomen dat minder bedraagt dan het laagste bedrag dat wordt genoemd in de tabel, genoemd in artikel 24 lid 1 Landsverordening op de Inkomstenbelasting 1943 (hierna: LIB 1943), welk laagste bedrag in 2010 NAf 26.601 bedroeg. Naar moet worden aangenomen moet thans namelijk voor “zuiver inkomen”, “belastbaar inkomen” worden gelezen.

Meer subsidiair meent belanghebbende dat de Inspecteur bij het bepalen van de premiegrondslag ten onrechte geen rekening houdt met toeslagen op de basiskorting, terwijl deze tot en met het jaar 2000 onderdeel uitmaakten van het zuiver inkomen en dus van invloed konden zijn op de premie van de AVBZ.

4.2

De Inspecteur verweert zich tegen het primaire standpunt van belanghebbende door te verwijzen naar het Landsbesluit, houdende algemene maatregelen, van de 27ste december 2001 ter uitvoering van artikel 21, eerste, tweede, derde en vijfde lid, van de Landsverordening algemene verzekering bijzondere ziektekosten (P.B. 2002, no. 30, hierna: Landbesluit AVBZ-premie 1999). Daarin is het percentage voor jaren vanaf 1999 op 2 gesteld.

Wat het subsidiaire standpunt van belanghebbende betreft stelt de Inspecteur dat het laagste bedrag waarop belanghebbende doelt, in 2010 (niet NAf 26.601 maar) nihil bedroeg. Omdat daardoor in feite het lage tarief van 1 percent, bedoeld voor premieplichtigen met een laag inkomen, niet meer toepasbaar was, heeft de Belastingdienst vanaf 2006 als beleid gevoerd, het bedrag aan belastbaar inkomen dat onder het lage tarief valt, gelijk te stellen aan de basiskorting.

Wat het meer subsidiaire standpunt betreft stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat de wetgever ter zake voor iedereen enkel de basiskorting in aanmerking wenste te nemen.

4.3

Belanghebbende stelt in haar pleitnota, naar de Raad begrijpt ter aanvulling van haar meer subsidiaire standpunt, in reactie op het vertoogschrift, dat de Belastingdienst, gezien de notulen van een overleg tussen hem en belastingadvieskantoren d.d. 23 februari 2005 (hierna: het overleg), beleid voert waarbij het lage tarief niet op een bedrag ter grootte van de basiskorting maar over de eerste NAf 13.900 van het belastbaar inkomen wordt toegepast.

4.4

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

5 Beoordeling van het geschil

5.1

Ingevolge artikel 20 lid 1 LAVBZ bedraagt de premie AVBZ een percentage van het inkomen. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat onder ‘inkomen’ wordt verstaan:

“het zuiver inkomen in de zin van de [LIB 1943] met dien verstande dat dit inkomen wordt vermeerderd met de krachtens de [LIB 1943] als persoonlijke last in aftrek toegelaten premies [AOV/AWW]”.

In het vierde lid van artikel 20 LAVBZ is bepaald dat bij landsbesluit nadere regels met betrekking tot het bepaalde in de eerste twee leden kunnen worden gesteld.

5.2

Artikel 21, leden 1 en 2, LAVBZ luiden:

“1. Het premiepercentage, bedoeld in artikel 20, eerste lid, wordt bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, gehoord het Uitvoeringsorgaan en de Sociaal-Economische Raad, vastgesteld.

2. Het in het eerste lid bedoelde percentage kan voor een zuiver inkomen dat minder bedraagt dan het laagste bedrag dat wordt genoemd in de tabel, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943, afwijkend worden vastgesteld doch niet meer dan de helft minder bedragen.”

Artikel 65 lid 2 LAVBZ luidt:

“Het premiepercentage, bedoeld in artikel 21, tweede lid, bedraagt voor de jaren 1997 en 1998: 1.”

5.3

Artikel 1, leden 1 en 2 van het Landbesluit AVBZ-premie 1999 luiden:

“1. Het premiepercentage, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Landsverordening algemene verzekering bijzondere ziektekosten (P.B. 1996, no. 211) bedraagt met ingang van 1 januari 1999: 2.

2. Het premiepercentage, bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de Landsverordening algemene verzekering bijzondere ziektekosten bedraagt met ingang van 1 januari 1999: 1.”

Artikel 2 Landsbesluit AVBZ-premie 1999 luidt:

“Dit landsbesluit treedt in werking met ingang van de dag na die van de uitgifte van het Publicatieblad, waarin het geplaatst is en werkt terug tot en met 1 januari 1999.”

Het Landsbesluit AVBZ-premie 1999 beperkt zich (ook) overigens niet in duur.

5.4

De notulen van het overleg vermelden op p. 4 als reactie van de Belastingdienst op vragen van de belastingadvieskantoren op welk bedrag aan belastbaar inkomen het lage tarief wordt toegepast en hoe dit in de systemen is verwerkt:

“Het systeem is zodanig geprogrammeerd dat men 1% aan AVBZ-premie betaalt tot het inkomen waarover men inkomstenbelasting begint te betalen. Daarna betaalt men 2%. (...)”

5.5

Ter zitting van 15 mei 2013 heeft belanghebbende haar primaire stelling ingetrokken, naar het oordeel van de Raad, gelet op de onder 5.2 geciteerde wetteksten, terecht.

5.6

Gelet op de tot de gedingstukken behorende e-mailwisseling tussen de heer Men mevrouw W van de Belastingdienst en gelet op hetgeen in het eveneens tot de gedingstukken behorende verslag van de vergadering van de vertegenwoordigers van de Inspectie en de belastingconsulenten is vermeld met betrekking tot het onderhavige onderwerp, is er in casu sprake van een zgn. proefprocedure. Ook de verklaring ter zitting van 15 mei 2013 van de Inspecteur, dat politieke redenen mede tot vertraging in de afhandeling van het bezwaarschrift hebben geleid, duidt erop dat de uitkomst van deze procedure van meer dan gemiddeld belang is.

5.7

Tijdens de mondelinge behandeling op 15 mei 2013 is door de Inspecteur verklaard dat er vanaf 2006 tot 2013 met betrekking tot de heffing van AVBZ-premies een gunstiger beleid dan het wettelijke beleid werd gevoerd door de Belastingdienst.

5.8

De Raad heeft, na schorsing, besloten de zaak aan te houden teneinde belanghebbende in staat te stellen haar standpunten nader te onderbouwen met cijfers, waarna de Inspecteur hierop commentaar zou mogen leveren.

5.9

Tijdens de mondelinge behandeling op 25 maart 2014 is aan de Inspecteur toegezegd de door belanghebbende geproduceerde becijferingen aan hem toe te zenden en hem de gelegenheid te bieden daarop een reactie te geven.

5.10

Bij het schrijven van belanghebbende d.d. 18 juni 2013 is de onder 1.1 genoemde aangifte gevoegd; deze aangifte vermeldt een bedrag aan af te dragen AVBZ-premie van NAf 11.091,36. Het subsidiaire standpunt van belanghebbende leidt volgens dit schrijven tot een afdracht van NAf 8.271,62 aan premie AVBZ, het meer subsidiaire standpunt van belanghebbende leidt tot een afdracht van NAf 10.843,95. Tevens heeft belanghebbende berekeningen overgelegd wat aan premie verschuldigd zou zijn indien er 1% zou worden afgedragen voor de groep werknemers die daarvoor in haar ogen kwalificeerden, belanghebbendes subsidiaire standpunt. Eveneens is een berekening overgelegd van de te betalen AVBZ-premie indien het meer subsidiaire standpunt van belanghebbende zou worden gevolgd.

5.11

Alle desbetreffende stukken zijn aan de Inspecteur doorgezonden en aan de Inspecteur is een termijn gesteld om zijn standpunt dienaangaande aan de Raad mee te delen. De Inspecteur heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

5.12

De Raad kan aan de hand van de overgelegde producties en het behandelde ter zitting van 15 mei 2013 en 25 maart 2014 niet vaststellen of de becijferingen die belanghebbende overgelegd heeft inderdaad de cijfermatig juiste uitwerkingen zijn van het subsidiaire standpunt, respectievelijk meer subsidiaire standpunt, van belanghebbende. Evenmin is de Raad in staat om te verifiëren of en in hoeverre deze uitkomsten sporen met het hiervoor onder 5.7 genoemde beleid.

5.13

Met betrekking tot de door partijen ingenomen standpunten overweegt de Raad dat naar zijn voorlopig oordeel voor wat betreft het door belanghebbende ingenomen subsidiaire standpunt het gelijk aan de zijde van de Inspecteur is. Belanghebbendes standpunt dat van alle werknemers die een zuiver inkomen genieten dat lager is dan het eindbedrag van de eerste schijf in de inkomstenbelasting (voor 2010: NAf 26.601) een premie van 1% geheven dient te worden, berust op het onjuiste uitgangspunt dat het aan het einde van de eerste schijf van de tabel, bedoeld in artikel 24, lid 1, LIB 1943 genoemde bedrag het “laagste bedrag” als bedoeld in artikel 21, lid 2, [jo artikel 65, lid 2 LAVBZ is. Deze opvatting miskent de techniek van het zgn. schijventarief, waarbij (indien geen sprake is van verliesverrekening) de eerste schijf begint bij een belastbaar/zuiver inkomen van nihil. Anders dan bij het vroegere tabeltarief wordt immers geen ‘belastingvrije voet’ meer toegepast maar geldt een korting op de ingevolge het schijventarief verschuldigde belasting (artikel 24A lid 1 LIB 1943). In zoverre wordt, gelijk de Inspecteur heeft betoogd, in artikel 24 LIB 1943 niet langer een “laagste bedrag” genoemd vanaf hetwelk inkomstenbelasting wordt verschuldigd.

5.14

Met betrekking tot het meer subsidiaire standpunt van belanghebbende overweegt de Raad dat de wijze waarop de Belastingdienst door middel van beleid de vraag heeft opgelost, hoe na invoering van het schijventarief de 1%-regeling zou moeten worden toegepast, namelijk door sinds 2006 het belastbaar inkomen waarover geen inkomstenbelasting verschuldigd is door toepassing van de basiskorting, als grens voor het 1% -tarief te hanteren, de Raad voorshands alleszins redelijk voorkomt. Nu uitsluitend de basiskorting een algemeen geldende belastingkorting is, en in zoverre kan worden gezegd dat zij een zelfde karakter heeft als (vroeger) de belastingvrije voet, ziet de Raad vooralsnog niet goed waarom de grens voor het 1%-tarief op een hoger bedrag zou moeten worden vastgesteld.

5.15

Gelet op het op het hiervoor onder 5.10 t/m 5.12 overwogene beslist de Raad als hieronder vermeld.

6 Beslissing

De Raad

draagt partijen op met elkaar in overleg te treden omtrent de cijfermatige uitwerking van de (voorlopige) oordelen zoals hiervoor onder 5.13 en 5.14 vermeld en daaromtrent binnen 6 weken na dagtekening van deze tussenuitspraak aan de Raad te berichten,

en houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gedaan in raadkamer door mrs. M.T. Boerlage, voorzitter, G.J. van Muijen en E.F. Faase, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris mr. N. Martines en uitgesproken in het openbaar op 19 september 2014.

Deze beschikking is ondertekend door, mr. S. Verheijen, huidige voorzitter van de Raad van Beroep in Belastingzaken tevens lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, nu de voorzitter en de leden die over deze zaak hebben gezeten daartoe buiten staat zijn.