Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBACM:2014:2

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
02-06-2014
Datum publicatie
01-08-2014
Zaaknummer
2013-61794
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

NV die opslagdiensten verricht in Aruba, betaalt op grond van een managementovereenkomst bedragen aan de aandeelhouder in Nederland. De Raad oordeelt dat niet aannemelijk is gemaakt dat de aandeelhouder de overeengekomen werkzaamheden ook werkelijk heeft verricht. De werkzaamheden waren ook niet nodig omdat de directeur van de NV deskundig was. De betalingen zijn niet aftrekbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 2 juni 2014, nr. 2013-61794

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende in Aruba

inzake:

X N.V., gevestigd te Aruba, belanghebbende,

gemachtigde A,

tegen

de Inspecteur der Belastingen in Aruba, de Inspecteur.

1 Het procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is op 29 december 2009 een aanslag in de winstbelasting opgelegd voor het jaar 2005.

1.2.

Belanghebbende is op 14 januari 2010 tijdig in bezwaar gekomen tegen de aanslag. Bij uitspraak van 25 oktober 2013 heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is op11 januari 2013 in beroep gekomen tegen het niet tijdig doen van uitspraak.

1.4.

De Inspecteur heeft geen vertoogschrift ingediend.

1.5.

Ter zitting van 4 november 2013 te Oranjestad zijn verschenen, namens belanghebbende, A alsmede, namens de Inspecteur, B.

1.6.

Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en, belanghebbende met bijlagen, overgelegd. De Inspecteur heeft van de bijlagen kennis kunnen nemen en zich daarover kunnen uitlaten.

1.7.

De Raad heeft de zaak geschorst voor nader overleg tussen partijen. Daarbij is met partijen afgesproken dat zij nadere stukken zullen aanleveren en dat de Raad vervolgens uitspraak zal doen zonder nadere zitting tenzij een der partijen een nadere zitting zou verzoeken. Belanghebbende heeft nadere stukken overgelegd bij brief van 25 november 2013, getiteld “eerste aanvulling op pleitnota”. De Inspecteur heeft gereageerd bij brief van 15 januari 2014 waar als bijlage bij was gevoegd een conceptrapport van een controle die bij belanghebbende is ingesteld in november 2007. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief getiteld “tweede aanvulling op pleitnota”, met twee bijlagen. De Raad heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2 De tussen partijen vaststaande feiten

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.1.

Belanghebbende is opgericht op 23 december 2002. Zij heeft onder andere tot doel het opslaan van zzz voor bedrijven zowel visueel en digitaal. Oprichter en aandeelhouder was D, wonende te Aruba. Op xx-yy-2003 zijn de aandelen in belanghebbende overgedragen aan Q B.V., gevestigd in zz, Nederland. Enig aandeelhouder van Q B.V. is Q, wonende in zz, Nederland. Directeur van belanghebbende is D. Belanghebbende exploiteert in Aruba een opslaggebouw van 4 verdiepingen.

2.2.

Belanghebbende heeft over 2005 een verlies aangegeven van Afl 4.845. Daarbij was als kostenpost vermeld een bedrag aan managementfee voor Q van Afl. 43.918. De Inspecteur heeft die aftrekpost geweigerd. Met de aldus verhoogde winst van Afl. 39.073 zijn verliezen uit 2003 (Afl. 1.656) en 2004 (Afl. 1.978) verrekend zodat een belastbare winst resteerde van Afl. 35.439.

2.3.

Op 15 december 2004 is in een schriftelijke overeenkomst tussen belanghebbende en Q B.V. te zz het volgende vastgelegd:

“Op 20 december 2004 is er in de aandeelhoudersvergadering van [belanghebbende] een besluit genomen om een contract te sluiten met Q b.V. Nederland wegens adviezen omtrent de storage van dossiers, inkoop van dossierstellingen met de daaraan gekoppelde reizen in Nederland om het juiste materiaal uit te kiezen alsmede berekening voor de opstelling van de dossier-stellingen.

Voor de uitvoering van de genoemde werkzaamheden zal [belanghebbende] steeds telefonische opdrachten verstrekken aan de heer Johannes Q eigenaar van Q B.V.

(…)

[Belanghebbende] krijgt ieder einde jaars op of omstreeks de vijftiende van de maand december een factuur van Q B.V. die betrekking heeft op het afgelopen jaar.

Er wordt overeengekomen om maandelijks aan Q B.V. een bedrag bruto/netto te betalen in het eerste jaar 2005 gemiddeld van Alf. 3.500,00 en het jaar daaropvolgende van gemiddeld Afl. 5.500,00 per maand. Eveneens bruto/netto.”

2.4.

De vergoedingen die belanghebbende heeft betaald aan Q B.V. zijn: Afl 43.918 in 2005, Afl. 57.808 in 2006, Afl. 62.235 in 2007, Afl. 65.737 in 2008 en Afl. 64.469 in 2009.

2.5.

Q B.V. heeft in 2005 in Nederland een verlies aangegeven van € 818. In de winst- en verliesrekening is de managementvergoeding niet vermeld; deze is in rekening-courant geboekt.

3.Geschil

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek van het bedrag van Afl. 43.918.

4 De standpunten van partijen

4.1.

Belanghebbende stelt dat sprake is van een zakelijke vergoeding voor de werkzaamheden van Q omdat die zich, via Q B.V., bezig houdt met het aansturen van de directeur en met hetgeen is vermeld in de onder 2.3. vermelde overeenkomst.

4.2.

De Inspecteur stelt dat belanghebbende de zakelijkheid van de betalingen niet aannemelijk heeft gemaakt zodat de vergoeding reeds om die reden niet aftrekbaar is. Subsidiair stelt de Inspecteur dat het bedrag niet aftrekbaar is op grond van artikel 6, lid 2, letter c, van de Landsverordening op de winstbelasting (LWB).

4.3.

Partijen hebben hun standpunten uiteengezet in de stukken en ter zitting.

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak. Nu de Inspecteur alsnog uitspraak heeft gedaan en belanghebbende heeft verzocht de zaak inhoudelijk te beoordelen, beschouwt de Raad het beroepschrift als beroepschrift gericht tegen deze uitspraak

5.2.

De Raad stelt voorop dat op belanghebbende, die de onderhavige aftrekpost claimt, de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat sprake is van een zakelijke vergoeding voor door Q, namens Q B.V. verrichte diensten.

5.3.

Belanghebbende heeft ter onderbouwing daarvan globale overzichten verstrekt van door Q jaarlijks verrichte werkzaamheden en van de daarvoor bestede uren, een beëdigde verklaring van Q, kopieën van twee telefoonrekeningen en een urenregistratie van de weken 45 tot en met 47 in het jaar 2013. In die weken zaten, aldus belanghebbende, bijzondere werkzaamheden in verband met een nieuw project, welke bijzondere (in meer of mindere mate vergelijkbare) projecten ook in voorgaande jaren aanwezig waren. Belanghebbende stelt dan Q op jaarbasis ongeveer 437 uur voor belanghebbende werkzaamheden heeft verricht.

5.4.

Belanghebbende heeft – afgezien van hetgeen onder 5.2. is vermeld - geen stukken overgelegd die de juistheid van haar stellingen over de werkzaamheden van Q ondersteunen. Zo ontbreken stukken waaruit blijkt dat Q beurzen of tentoonstellingen over opslagsystemen heeft bezocht, terwijl dat volgens het overzicht van belanghebbende een belangrijk deel van diens werkzaamheden is. Ook is er geen enkele stuk dat de stelling ondersteunt dat Q zorgde voor de aankoop van stellingen en dergelijke bedrijfsmiddelen in Nederland. De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat alle facturen voor aankopen zijn gericht aan belanghebbende. Overige correspondentie waaruit zou kunnen worden afgeleid dat Q inderdaad actief bij deze aankopen betrokken zou zijn geweest, is niet overgelegd.

5.5.

De door belanghebbende overgelegde kopieën van telefoonrekeningen zijn bijna onleesbaar. Voor zover er iets uit kan worden opgemaakt is dat, dat Q BV in (blijkbaar) 2009 veelvuldig internationaal heeft gebeld of naar een service nummer – volgens de penaantekening op de factuur een call center. Naar het oordeel van de Raad kan uit deze rekeningen niet worden afgeleid dat en in hoeverre die telefoongesprekken iets te maken hebben gehad met belanghebbende.

5.6.

Ook anderszins heeft belanghebbende geen bewijs geleverd van de werkzaamheden van Q. De Raad acht de beëdigde verklaring niet voldoende als bewijs nu deze door een belanghebbende partij is afgelegd. Ook het urenoverzicht uit 2013 is onvoldoende voor het leveren van bewijs over de werkzaamheden in 2005, temeer nu de managementvergoeding betrekking heeft op werkzaamheden in een heel jaar en niet in slechts drie weken. Dit klemt temeer nu, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, de werkzaamheden in die drie weken samenhingen met een “bijzonder project” . De daarmee samenhangende stelling van belanghebbende dat van dergelijke “bijzondere projecten” ook in 2005 sprake zou zijn geweest, is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.

5.7.

Al hetgeen is overwogen in 5.3. tot en met 5.6. leidt de Raad tot het oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat Q werkzaamheden heeft verricht als omschreven in de onder 2.3. vermelde managementovereenkomst. Dat voor de bedrijfsvoering van belanghebbende de inschakeling van Q nodig was, is ook overigens niet aannemelijk nu belanghebbende immers in de persoon van D – tevens de oprichter van belanghebbende - beschikte over een directeur die deskundig is op het gebied van dossieropslag. De Raad is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de onder 2.3. vermelde overeenkomst en de daarmee samenhangende betaling van een managementvergoeding door belanghebbende aan Q BV op een zakelijke grond berust. De Inspecteur heeft dan terecht de aftrek van die vergoeding geweigerd.

5.8.

Nu de betaling reeds op grond van het vorenoverwogene niet aftrekbaar is, behoeft de vraag of artikel 6, lid 2, letter c, LWB de aftrek zou verhinderen niet meer te worden beantwoord.

5.9.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het beroep ongegrond is en dat de aanslag moet worden gehandhaafd.

6 Beslissing

De Raad verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan in raadkamer door mrs. M.T. Boerlage (voorzitter), E.F. Faase en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren in tegenwoordigheid van de secretaris mr. B. Jussen en uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2014.