Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBACM:2013:6

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
30-09-2013
Datum publicatie
15-01-2014
Zaaknummer
2012/54597
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen nieuw feit voor navordering: de bevindingen van het onderzoek van het BAB waren de Inspecteur bekend op het moment dat zij de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2002 vaststelde.

Ten overvloede: de navorderingsaanslag kan ook niet worden gehandhaafd omdat de winstcorrectie niet is onderbouwd en er geen plaats is voor omkering en verzwaring van de bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 30 september 2013, nr. 2012/54597

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende op Curaçao

inzake:

[X], belanghebbende,

tegen

de Inspecteur der Belastingen op Curaçao.

1 Het procesverloop

1.1

Aan belanghebbende is op 13 augustus 2010 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting opgelegd voor het jaar 2002 naar een belastbaar inkomen van NAf. 78.362,00.

1.2

Belanghebbende is op 8 september 2010 tijdig in bezwaar gekomen tegen de navorderingsaanslag. Bij uitspraak van 14 februari 2012 heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is op 9 maart 2012 tijdig tegen deze uitspraak in beroep gekomen.

1.4

De Inspecteur heeft geen vertoogschrift ingediend.

1.5

Ter zitting van 13 mei 2013 te Willemstad zijn verschenen belanghebbende, gemachtigde [A] en, namens de Inspecteur, [B].

1.6

Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

2 De tussen partijen vaststaande feiten

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.1

Omstreeks augustus 2004 heeft stichting Belastingaccountantsbureau (hierna: het BAB) een onderzoek gedaan, naar de Raad (uit de bestreden beschikking) begrijpt, naar onder meer de juistheid van de door belanghebbende ingediende aangiften inkomstenbelasting over de jaren 1999 tot en met 2002.

Aan belanghebbende is na afronding van dit onderzoek (onder meer) een definitieve aanslag inkomstenbelasting 2002 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf. 78.362,00.

2.2

Eerst bij de uitspraak op bezwaar in de onderhavige zaak, van 14 februari 2012, heeft de Inspecteur een kopie van het rapport met de bevindingen van het onderzoek van het BAB bijgevoegd. Pas dan is belanghebbende met die bevindingen bekend geworden. Het BAB stelt in het rapport onder meer dat de voorraadwaardering niet, zoals belanghebbende heeft gedaan, op kostprijs mag worden gewaardeerd.

2.3

De Inspecteur heeft belanghebbende nimmer in de gelegenheid gesteld voormelde bevindingen te weerleggen.

2.4

Belanghebbende heeft de voorraad in eerdere jaren, net zoals bij de fiscale winstberekening over het jaar 2002, op kostprijs gewaardeerd.

2.5

De definitieve aanslag inkomstenbelasting 2002 is opgelegd conform de ingediende aangifte en is door belanghebbende betaald.

2.6

Het rapport van het BAB behoort niet tot de gedingstukken.

3 Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslag terecht naar een belastbaar inkomen van NAf. 78.362 is opgelegd.

4 De standpunten van partijen

4.1

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij reeds een aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2002 heeft betaald. Dat zij aan de Inspecteur niet alle bonnen van [XX] , de eenmanszaak van belanghebbende, kon overleggen kwam doordat haar administrateur met de boekhouding met de noorderzon was verdwenen. De waardering van de voorraad op kostprijs maakt dat er niet voortijdig winst behoeft te worden genomen. Zij heeft dit systeem altijd gehanteerd en heeft dit ook voor latere jaren gedaan. De aanslagen over die latere jaren zijn door de Inspecteur op dit punt conform de aangiften vastgesteld en staan voor het merendeel vast, aldus belanghebbende ter zitting. Voorts heeft zij de aan haar verstrekte vragenlijst afdoende ingevuld, en deze lijst leidde niet tot aanslagen die afweken van de ingediende aangiften. Na vertrek van de ambtenaren van het BAB heeft belanghebbende niets meer van het BAB vernomen; zo is er geen rapport met bevindingen overgelegd, noch is er enig mondeling contact over het onderzoek geweest. Belanghebbende tast dus volledig in het duister over de redenen op grond waarvan het BAB - en daarmee de Inspecteur - meent dat belanghebbende een belastbaar inkomen van NAf. 78.362,00 heeft genoten. Aldus belanghebbende.

4.2

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat omkering van de bewijslast moet worden toegepast omdat belanghebbende geen inventaris- of voorraadlijst van [XX] bijhoudt. Het is derhalve aan belanghebbende om aan te tonen dat waardering op kostprijs aangewezen is, als gevolg waarvan de winst niet met NAf. 45.000,00 naar boven zou moeten worden bijgesteld. De correctie van de omzet met NAf. 72.789,00 wegens de via [C] bank (rekening ten name van de echtgenoot van belanghebbende) op de bankrekening van belanghebbende bij [D] gestorte bedragen, kan volgens de Inspecteur worden teruggenomen.

4.3

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

5 Beoordeling van het geschil

5.1

De Inspecteur kan ingevolge artikel 13, eerste en derde lid van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) tot tien jaar na het verstrijken van het litigieuze jaar navorderen indien sprake is van enig feit dat daartoe grond oplevert en dat hem niet bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn.

5.2

Naar het oordeel van de Raad is in dit geval van een dergelijk feit geen sprake. De bevindingen van het onderzoek van het BAB waren de Inspecteur immers bekend op het moment dat zij de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2002 vaststelde, terwijl zij blijkens de uitspraak op bezwaar deze bevindingen ook ten grondslag heeft gelegd aan oplegging van de navorderingsaanslag. Aldus had de inspecteur geen mogelijkheid meer tot navordering. De onderhavige navorderings-aanslag dient reeds om deze reden te worden vernietigd.

5.3

In zoverre ten overvloede overweegt de Raad voorts als volgt.

5.4

Een consistente waardering van de voorraad op kostprijs maakt op zichzelf en zonder méér ook nog niet dat sprake is van een gebrekkige boekhouding ter zake van JJC zodat zelfs indien - wèl - sprake zou zijn van een nieuw feit, geen plaats is voor omkering en verzwaring van de bewijslast. De bewijslast betreffende de juistheid van de winstcorrectie van NAf. 45.000,00 rust - in dat geval - dan ook op de Inspecteur. Nu de Inspecteur ter onderbouwing van haar stelling dat die winstcorrectie moet worden aangebracht, niets heeft aangedragen en de Raad evenmin overigens is gebleken dat die winstcorrectie passend is, verwerpt de Raad de desbetreffende stelling van de Inspecteur.

5.5

De Inspecteur heeft geen andere feiten en omstandigheden aan de navorderingsaanslag ten grondslag gelegd althans van de juistheid daarvan geen enkel bewijs bijgebracht, terwijl belanghebbende de correcties gemotiveerd heeft bestreden. Alsdan kan de navorderingsaanslag niet worden gehandhaafd.

5.6

Uit het hiervoor overwogene volgt dat het beroep gegrond is en de uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven. De navorderingsaanslag moet worden vernietigd.

6 Beslissing

De Raad verklaart het beroep gegrond, vernietigt de beschikking waarvan beroep alsmede de onderhavige navorderingsaanslag.

Aldus vastgesteld in raadkamer door mrs. M.T. Boerlage, voorzitter, G.J. van Muijen en E.F. Faase, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris mr. N. Martines en uitgesproken in het openbaar op 30 september 2013.