Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBACM:2013:5

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
30-09-2013
Datum publicatie
14-01-2014
Zaaknummer
2010/62420 en 62421 en 2011/47341, 52505, 60027
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende zijn voor het eerst in 2010 aanslagen grondbelasting (jaren 2005 t/m 2009) opgelegd voor een in 1998 verkregen onroerende zaak.

Ondanks het bepaalde in artikel 28 Grondbelastingverordening kon bezwaar worden gemaakt tegen de aanslag voor het jaar 2005 nu de inspecteur heeft verzuimd voor de eerdere jaren aan belanghebbende aanslagen op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 30 september 2013, nrs. 2010/62420 en 62421 en 2011/47341, 52505, 60027

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende op Curaçao

inzake:

[X] N.V. gevestigd te Curaçao, belanghebbende,

gemachtigde [A],

tegen

de Inspecteur der Belastingen op Curaçao.

1 Het procesverloop

1.1

Aan belanghebbende zijn op 30 juli 2010 aanslagen in de grondbelasting opgelegd voor de jaren 2005 tot en met 2009.

1.2

Belanghebbende is op 24 september 2010 tijdig in bezwaar gekomen tegen deze aanslagen. Bij uitspraken van 18 november 2010 heeft de Inspecteur de aanslagen gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is op 17 januari 2011 tijdig tegen deze uitspraken in beroep gekomen.

1.4

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.5

Ter zitting van 13 mei 2013 te Willemstad zijn verschenen de gemachtigde [A] namens belanghebbende en, namens de Inspecteur, [B] en [C].

1.6

Belanghebbende heeft een pleitnota doen voorlezen.

2 De tussen partijen vaststaande feiten

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.1

In 1998 heeft belanghebbende de onroerende zaak waarvoor de onderhavige aanslagen zijn opgelegd, in eigendom verworven van [Y] N.V.

2.2

Belanghebbende heeft de onroerende zaak in februari 2009 verkocht en in eigendom overgedragen.

2.3

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aan haar in 2010 opgelegde aanslagen in de grondbelasting voor de jaren 2005 tot en met 2009. In het verleden zijn slechts aanslagen opgelegd aan [Y] N.V., de vorige eigenaresse van de onroerende zaak.

2.4

De Inspecteur heeft de bezwaren afgewezen.

3 Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de onderhavige aanslagen rechtsgeldig aan belanghebbende zijn opgelegd.

4 De standpunten van partijen

4.1

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aanslagen te laat zijn opgelegd althans dat een verkeerde tenaamstelling van de aanslagen niet één van de in artikel 24 van de Grondbelasting-verordening 1908 (hierna: GB) genoemde gevallen is op grond waarvan de legger kan worden gewijzigd.

4.2

De Inspecteur is van mening dat de aanslagen tijdig, terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

4.3

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

5 Beoordeling van het geschil

5.1

Artikel 12 van de GB bepaalt dat belastingplichtige is hij die bij de aanvang van het belastingjaar het genot heeft van de onroerende zaak krachtens het recht van bezit of enig ander zakelijk recht.

5.2

Ingevolge artikel 21 van de GB worden de aanslagen opgenomen in voor elk vijfjarig tijdvak op te maken leggers. De leggers behelzen onder meer (artikel 22 van de GB) de naam van de belastingplichtige. Zij ondergaan in de loop van het vijfjarig tijdvak waarvoor zij zijn vastgesteld geen wijzigingen, behoudens die welke het gevolg zijn van, onder meer, de overgang van de onroerende zaak (artikel 24 aanhef en sub a van de GB). Ingevolge de derde volzin van artikel 24 van de GB wordt een wijziging in de leggers aangebracht in het jaar, volgende op dat waarin de verandering plaatsvond. De vierde volzin bepaalt (voor zover hier van belang) dat in dat geval de aanslag opnieuw wordt vastgesteld.

5.3

In het onderhavige geval had de verwerving van de onroerende zaak door belanghebbende in 1998 moeten leiden tot een wijziging van de legger in het jaar 1999. Op de voet van artikel 12 van de GB had belanghebbende daarbij als belastingplichtige moeten worden aangemerkt. Dit is toen niet gebeurd. De Inspecteur heeft aan belanghebbende evenmin aanslagen grondbelasting opgelegd voor de jaren tot en met 2004; eerst op 30 juli 2010 zijn aan belanghebbende aanslagen opgelegd, en wel voor de jaren 2005 tot en met 2009.

5.4

Artikel 28 van de GB luidt:

“In afwijking van het bepaalde in de Algemene landsverordening Landsbelastingen kan de belanghebbende slechts in het eerste jaar van het vijfjarig tijdvak en in de gevallen, voorzien bij artikel 24, in het jaar, waarin de nieuwe aanslag is vastgesteld, binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een bezwaarschrift indienen bij de Inspecteur der Belastingen.”

5.5

Ingevolge artikel 28 van de GB kon dus slechts - steeds - voor het eerste jaar van het vijfjarige tijdvak, i.e. 2002 en 2007, bezwaar worden gemaakt.

5.6

Aangezien de Inspecteur echter voor het jaar 2002 - ten onrechte - geen aanslag grondbelasting ter zake van de onderhavige onroerende zaak aan belanghebbende heeft opgelegd, stond de mogelijkheid om bezwaar te maken de facto niet voor haar open. De Inspecteur heeft pas op 30 juli 2010, voor de jaren vanaf 2005, aan belanghebbende aanslagen opgelegd. Belanghebbende is op 24 september 2010, derhalve bij de eerst mogelijke gelegenheid, tegen al die aanslagen in bezwaar gekomen. Gelet op deze gang van zaken, alsmede op de kennelijke ratio van de systematiek van de heffing van de grondbelasting (dat een belastingplichtige tegen de eerste aanslag in een tijdvak bezwaar kan maken), is de Raad van oordeel dat de Inspecteur belanghebbende terecht in haar bezwaar tegen de eerste aan haar opgelegde aanslag, voor het jaar 2005, heeft ontvangen. Gelet op hetgeen in 5.4 en 5.5 is overwogen, heeft de Inspecteur belanghebbende eveneens terecht ontvangen in haar bezwaar tegen de aanslag voor het jaar 2007.

De Raad zal het beroep voor deze jaren derhalve inhoudelijk behandelen.

5.7

Ter zake van de jaren 2006, 2008 en 2009 echter oordeelt de Raad anders. Gelet op de artikelen 24 en 28 van de GB en nu niet is gebleken dat een van de gevallen als voorzien in artikel 24 van de GB heeft plaatsgevonden, had de Inspecteur (in elk geval) de door belanghebbende ingediende bezwaarschriften voor de jaren 2006, 2008 en 2009 niet-ontvankelijk dienen te verklaren. De Raad zal zulks alsnog doen en - uitsluitend in zoverre - het beroep gegrond verklaren. Voor zover het beroep voor het jaar 2005 en/of het jaar 2007 slaagt, zullen op grond van artikel 24 van de GB in samenhang gelezen met artikel 17, tweede lid, van de LBiB de aanslagen voor het jaar 2006 en/of de jaren 2008 en 2009 door de Inspecteur (moeten) worden verminderd.

5.8

Wat de jaren 2005 en 2007 betreft, volgt de Raad de Inspecteur in zijn standpunt dat (ook) voor die jaren ten onrechte aanvankelijk aanslagen zijn opgelegd aan de vorige eigenaresse van de onroerende zaak, [Y] N.V. Naar het oordeel van de Raad heeft de Inspecteur dit verzuim voor de onderhavige jaren tijdig en op de juiste wijze hersteld nu hij, bij het opnieuw vaststellen van de aanslagen ten name van belanghebbende, overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 10 lid 2 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen een (maximale) termijn van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, in acht heeft genomen. De andersluidende opvatting van belanghebbende moet worden verworpen.

5.9

Belanghebbende heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat de waarde van de onroerende zaak te hoog is vastgesteld zodat de Raad in zoverre geen aanleiding ziet de aanslagen te verminderen. Hetgeen belanghebbende voorts nog tegen de aanslagen in heeft gebracht vindt geen steun in het recht en kan niet tot vernietiging of vermindering van de aanslagen leiden.

5.10

Uit het hiervoor overwogene volgt dat het beroep ongegrond is.

6 Beslissing

De Raad verklaart het beroep, voor zover dat de jaren 2005 en 2007 betreft, ongegrond en, voor zover dat de jaren 2006, 2008 en 2009 betreft, gegrond, vernietigt de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2006, 2008 en 2009 en verklaart de bezwaren betreffende die jaren alsnog niet ontvankelijk.

Aldus gedaan in raadkamer door mrs. M.T. Boerlage, voorzitter, G.J. van Muijen en E.F. Faase, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris mr. N. Martines en uitgesproken in het openbaar op 30 september 2013.