Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBACM:2013:20

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
07-10-2013
Datum publicatie
16-09-2019
Zaaknummer
2013/60982
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

vertrouwensbeginsel, beginselen van behoorlijk bestuur

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 7 oktober 2013, nr. 2013/60982

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN
zitting houdende op Curaçao

inzake: [belanghebbende],

tegen

[de Inspecteur]

1.Het procesverloop

Aan belanghebbende zijn aanslagen in de inkomstenbelasting en premie AVBZ opgelegd voor het jaar 2011, gedagtekend 14 september 2012. Hij heeft daartegen op 30 oktober 2012, dus tijdig, bezwaar ingediend. De inspecteur heeft het bezwaar afgewezen bij uitspraken van 11 januari 2013. Daartegen heeft belanghebbende op 4 maart 2013, dus tijdig, beroep aangetekend bij de Raad. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Ter zitting van de Raad op 23 en 25 september 2013 zijn de inspecteur en belanghebbende verschenen.

De tussen partijen vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende, geboren in 19-14, is binnenlands belastingplichtige. Hij genoot in 2011

pensioeninkomsten uit Nederland, en wel: van de SVB (AOW-uitkeringen), van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (hierna: ABP) en van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn. Hij genoot tevens inkomsten uit Curaçaose bronnen.

2.2

Belanghebbende heeft zijn aangiftebiljet 2011 in de maand mei 2012 ingevuld ter inspectie met ondersteuning van belastingambtenaren gedurende de zogenoemde Hu1p- bij- aangifte- dagen. Dat deed hij ook met zijn aangiften inkomstenbelasting over de twee voorafgaande jaren. 'Toen is hem gezegd door de ambtenaren van de inspectie dat hij over zijn inkomsten uit Nederland geen inkomstenbelasting meer verschuldigd was, omdat daarop in Nederland reeds loonbelasting was ingehouden. De ambtenaar die belanghebbende hulp verleende hij het invullen van zijn aangiftebiljet 2011 meldde daarentegen dat hij daarover wel inkomstenbelasting in Curaçao verschuldigd was, en dat hij in Nederland om teruggaaf van ingehouden loonbelasting moest verzoeken bij de Belastingdienst aldaar, bij het Kantoor Buitenland in Limburg.

2.3

De inspecteur heeft de AOW-uitkeringen en de pensioeninkomsten uit Nederland opgeteld bij het belastbare inkomen en het premie inkomen van belanghebbende voor het jaar 2011, en aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend voor het ambtelijk pensioen van het APB. Belanghebbende is er tot nu toe niet in geslaagd een teruggaaf te krijgen van de op zijn uitkeringen en pensioenen ingehouden loonbelasting.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of bij belanghebbende het rechtens te honoreren vertrouwen is opgewekt dat hij geen inkomstenbelasting en premie verschuldigd is over zijn pensioeninkomsten uit Nederland in 2011, zoals hij stelt en de inspecteur ontkent. In geschil is voorts of de inspecteur beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden bij het vaststellen van de aanslag, de afhandeling van het bezwaarschrift dan wel in de fase van dit beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

De Raad stelt voorop dat de bevoegdheid om belasting te heffen over de inkomsten van pensioen

uit Nederlandse bronnen, verstrekt aan ingezetenen van Curaçao, is geregeld in de

Belastingregeling voor het Koninkrijk. Op grond daarvan is het land Curaçao volledig bevoegd om inkomstenbelasting te heffen over de AOW-uitkeringen betaald door de SVB en over de pensioeninkomsten van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn. Voor het ambtelijke pensioen van het ABP geldt dat Nederland bevoegd is om daarover te heffen en dat het land Curaçao met deze inkomsten rekening mag houden bij de vaststelling van de aanslag in de inkomstenbelasting omwille van de progressie van de belasting. De aanslag in de inkomstenbelasting ten name van belanghebbende is vastgesteld in overeenstemming met deze regels. Bij de vaststelling van het premie-inkomen is de inspecteur zelfs niet gebonden door tie Belastingregeling voor het Koninkrijk. Naar wettelijk recht zijn de aanslagen derhalve niet te hoog vastgesteld.

4.2

Belanghebbende stelt dat hij aan de aanslagregeling voor de jaren 2010 en 2009 (en aan de daarbij verstrekte hulp bij aangifte door de belastingambtenaren) het in rechte te honoreren vertrouwen heeft ontleend dat zijn pensioeninkomsten uit Nederland ook voor het belastingjaar 2011 zouden worden vrijgesteld van heffing. De inspecteur betwist deze stelling. De Raad is van oordeel dat het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel niet kan warden gehonoreerd. De inspecteur is niet gehouden een gemaakte fout te herhalen. Belanghebbende is tijdig, in mei 2012, op de hoogte is gebracht van de wijziging van het standpunt van de inspecteur. Hij kon nadien slechts verwachten dat de aanslagen voor het jaar 2011 zouden warden opgesteld zoals hem in mei 2012 is aangekondigd, dus naar belastbaar inkomen en een premie inkomen waarin de
AOW-uitkeringen en het pensioen van het Pensioenfonds Zorg en Welzijn waren begrepen.

4.3

De inspecteur is niet gehouden om de AOW-uitkeringen en de pensioenuitkeringen uit Nederland

niet in de heffing van belasting en premie te betrekken, omdat daarop in Nederland loonbelasting is ingehouden. Belanghebbende zal zich met een verzoek tot de Nederlandse belastingdienst moeten wenden ten einde dubbele heffing te voorkomen. De omstandigheid dat de afdoening van zijn verzoeken in Nederland vertraging heeft opgelopen, is niet voldoende grond om van de Belastingdienst Curaçao te verlangen belastingvrijstelling te verlenen in afwijking van de
Belastingregeling voor het Koninkrijk.

4.4

het verzoek van belanghebbende aan de Raad om de belastingdienst Curaçao uit te nodigen of te gelasten haar compliancy te vergroten en service te verbeteren wordt niet behandeld. De Raad heeft niet de bevoegdheid om een dergelijk verzoek te behandelen. Dat geldt ook voor de klacht van belanghebbende dat zijn bezwaarschriften zijn behandeld door ambtenaar die ook de aanslagen heeft vastgesteld. Het geldt eveneens voor zijn grief dat de Eilandsontvanger niet genoegzaam is ingegaan op zijn verzoek om uitstel van belastingbetaling en voor zijn verwijt aan de belastingdienst dat hij eerst niet en later wel, een kopie van zijn aangiftebiljet kon krijgen.

5. Beslissing

De Raad verwerpt het beroep.

Aldus gedaan in raadkamer door mrs. M.T. Boerlage, voorzitter, C.W.M. van Ballegooijen en G.J. van Muijen, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris mr. N. Martines en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2013.