Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBACM:2013:12

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
16-01-2013
Datum publicatie
12-03-2019
Zaaknummer
2011/54292
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ministeriële regeling onverbindend - artikelen 24 en 25 LIB – te veel ingehouden loonbelasting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 16 januari 2013, in. 2011/54292.

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN
zitting houdende in Aruba,

inzake:

[ Belanghebbende ], te Aruba, belanghebbende,

tegen

de Inspecteur der Belastingen

1 Het procesverloop

1.1

Belanghebbende is op 2 februari 2011 tijdig in bezwaar gekomen tegen de inhouding van loonbelasting op haar loon over de maand januari 2011.

1.2

De Inspecteur heeft niet tijdig uitspraak op bezwaar gedaan. Belanghebbende is op 10 februari 2012, wel tijdig, tegen de fictieve weigering in de zin van artikel 18, tweede lid, Algemene landsverordening belastingen in beroep gekomen. De Inspecteur heeft alsnog op 12 juli 2012 uitspraak gedaan en het bezwaar afgewezen.

1.3

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend, en belanghebbende een conclusie van repliek.

1.4

Ter zitting van 25 oktober 2012 te Oranjestad zijn verschenen belanghebbende en [de Inspecteur] namens de Inspecteur. De Raad heeft aan enkele belangstellende medewerkers van het Ministerie van Financien en van de Belastingdienst, die de Inspecteur had meegenomen, niet toegelaten tot de zitting. De zitting is immers op grond van artikel 4, tweede lid, Landsverordening beroep in belastingzaken niet openbaar, en dus niet toegankelijk voor enkel belangstellenden, zelfs niet als zij werkzaam zijn ter inspectie, behoudens in geval van opleiding. Geen van de partijen heeft de Raad gevraagd om hen nog als getuige of deskundige ter zitting te horen.

1.5

De Inspecteur heeft een pleitnota voorgedragen en ingebracht.

2. De tussen partijen vaststaande feiten

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door een van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.1

Belanghebbende heeft in januari 2011 een bruto loon van ruim Awg 14.000 genoten. Op het loon over die maand is een bedrag van Awg 1.832 aan loonbelasting ingehouden overeenkomstig de Tariefschijventabel 2011 van 28 december 2010, welke is opgenomen als bijlage bij een Beschikking aangeduid als de Regeling inkomstenbelastingtabel 2011 (hierna: de Ministeriële Regeling).

2.2

De Tariefschijventabel 2011 (hiema ook: de Tabel) is door de Minister van Financien vastgesteld zonder rekening te houden met de tabelcorrectiefactor als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de Landsverordening inkomstenbelasting 1943 (hiema ook: LIB). Vanwege de stijging van het gemiddelde prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie met 2,6%, beliep deze tabelcorrectiefactor 1.026 %. De considerans van de Ministeriële Regeling vermeldt:

“dat het wenselijk is om de belastingbedragen, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de Landsverordening Inkomstenbelasting (...) vast te stellen voor het kalenderjaar 2011, met buiten toepassing laten van artikel 25 van voornoemde landsverordening". De Ministeriële Regeling is volgens haar publicatie in het Afkondigingsblad 2010 no 96 gebaseerd op artikel 30, onderdeel a, Algemene landsverordening belastingen (hierna: ALB).

2.3

De Tariefschijventabel 2011 is gelijkluidend aan de Tariefschijventabel 2010. Ook daarin is in afwijking van artikel 25 LIB geen tabelcorrectiefactor verwerkt. De tabelcorrectiefactor voor de Tariefschijventabel 2010 was een negatief bedrag vanwege een daling van de prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie. De Tariefschijventabellen gelden voor de inkomstenbelasting, maar bepalen tevens de verschuldigde loonbelasting, en wel op grond van artikel 8, eerste lid, van de Landsverordening op de Loonbelasting 1976.

3 Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de Ministeriële Regeling onverbindend is en dientengevolge, gelet op de artikelen 24 en 25 LIB, te veel aan loonbelasting is ingehouden op het maandloon van belanghebbende over januari 2011.

4 De standpunten van partijen

4.1

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de hiervoor in onderdeel 3 vermelde vraag bevestigend moet worden beantwoord en dat de inhouding van loonbelasting op haar loon vast dient te worden gesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 25, eerste en tweede lid, LIB. Ter zitting heeft zij gesteld dat een bedrag van Awg 45 minder aan loonbelasting zou zijn ingehouden op haar maandloon, als de Tariefschijventabel 2011 wet was bijgesteld met de tabelcorrectiefactor.

4.2

De Inspecteur stelt zich op het standpunt (primair) dat de Minister bevoegd is op grond van artikel 30, onderdeel a, ALB inkomstenbelastingtabellen vast te stellen in afwijking van artikel 25 LIB, (subsidiair) dat het geringe fiscale belang voor de individuele belastingplichtige, het grote budgettaire belang voor het land Aruba en de volledige compensatie in 2012 van de achtergebleven inflatiecorrectie in 2011 voldoende zijn om te berusten in de vastgestelde Tariefschijventabel 2011, en (meer subsidiair) dat het onverbindend verklaren van de Ministeriële Regeling niet leidt tot een lager bedrag aan in te houden 1oonbelasting.

4.3

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

5. Beoordeling van het geschil

5.1

Artikel 24, eerste lid, LIB reguleert het bedrag van de inkomstenbelasting met behulp van een

tabel. De verschuldigde belasting wordt volgens dat lid bepaald door het belastbare inkomen en de tariefgroep van de belastingplichtige. Op grond van artikel 24A LIB komt daarop nog in mindering de basiskorting en de van toepassing zijnde toeslagen. Artikel 25 LIB luidt:

"1. Bij het begin van het kalenderjaar vervangt de Minister van Financiën de belastingbedragen van de tabel, bedoeld in artikel 24, eerste lid, en artikel 24A, door andere. De bedragen worden berekend door de te vervangen bedragen te vermenigvuldigen met de tabelcorrectiefactor en vervolgens de nodig geachte afrondingen aan te brengen.

2. De tabelcorrectiefactor is één gedeeld door prijsindexverhouding. De prijsindexverhouding is de verhouding van het gemiddelde van de prijsindexcijfers van de gezinsconsumptie, (...), betrekking hebbende op de achttiende tot en met de zevende aan het kalenderjaar voorafgaande maand en het gemiddelde van die prijsindexcijfers, betrekking hebbende op de dertigste tot en met de negentiende aan het kalenderjaar voorafgaande maand. (...).

3. De Minister kan, mits de desbetreffende Beschikking tot stand is gekomen ten minste een maand vóór het begin van het kalenderjaar, bepalen dat, in afwijking in zoverre van het eerste lid, bij het begin van de in die Beschikking aangewezen kalenderjaren de bedragen van de tabel, bedoeld in artikel 24, eerste lid, worden vervangen door bedragen die hij berekent met een in die Beschikking aangewezen factor, welke ten minste de helft van de tabelcorrectiefactor uitmaakt."

5.2

Artikel 25 LIB geeft de Minister de opdracht om jaarlijks de tabel van artikel 24 LIB te vervangen door een bijgestelde tabel, die zal gelden voor het nieuwe kalenderjaar. De bedoeling van de vervanging is te voorkomen dat de reële druk van de inkomstenbelasting wordt gewijzigd louter door een daling of stijging van prijzen van de gezinsconsumptie (de zogeheten inflatiecorrectie van de tabel). Zonder een dergelijke bijstelling van de tabel zou de heffing van inkomstenbelasting plaatsvinden naar het nominale inkomen van de belastingplichtigen, in plaats van naar hun draagkracht. De wetgever heeft in artikel 25 LIB aldus te kennen gegeven dat een reële belastingverhoging of —verlaging niet kan plaatsvinden zonder instemming van de Staten. Hij heeft in artikel 25, tweede lid, nauwkeurig aangegeven hoe de Minister de jaarlijkse vervanging moet vaststellen, namelijk aan de hand van het gemiddelde prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie. Als deze bijstelling van de tabel voert tot een vermindering van de belastingopbrengst die de regering onwenselijk voorkomt, kan zij daartoe een voorstel tot wijziging van de LIB, en daarmee tot wijziging in de verhouding tussen draagkracht en belastingoffer, indienen bij de Staten.

5.3

Het staat vast dat in de tabel van de Ministeriële Regeling geen rekening is gehouden met de tabelcorrectiefactor als bedoeld in artikel 25, tweede lid, LIB. Dat betekent dat de Minister zich niet heeft gehouden aan de opdracht die de wetgever hem heeft gegeven. Het gevolg daarvan is dat belanghebbende met een hogere belastingdruk wordt geconfronteerd dan voortvloeit uit de LIB. De Minister erkent trouwens in zijn considerans van de Ministeriële Regeling dat hij artikel 25 LIB buiten toepassing heeft gelaten. De rechtsgrond van dit buiten toepassing laten van de inflatiecorrectie is niet te vinden in de LIB. In de tekst van deze Landsverordening, haar strekking en de wetsgeschiedenis is ook geen aanwijzing te vinden voor de stelling van de Inspecteur dat artikel 25 LIB buiten toepassing kan blijven ingeval van krimp van de economie van Aruba, zoals in de jaren 2009 en 2010, met het oog op de daaruit voortvloeiende budgettaire problemen van de overheid. De Raad is van oordeel dat de Minister evenmin bevoegd is om artikel 25 LIB buiten toepassing te laten, zoals de Inspecteur verdedigt, met een beroep op het geringe fiscale belang voor de individuele belastingplichtige bij jaarlijkse bijstelling van de tabel tegenover het grote budgettaire belang voor het land Aruba om dat na te laten. Ook de stelling van de Inspecteur dat de volledige compensatie in 2012 van de achtergebleven inflatiecorrectie in 2011 voldoende is om te berusten in de vastgestelde Tariefschijventabel 2011, kan niet slagen. De wil van de wetgever, zoals verwoord in artikel 25 LIB, laat geen uitzondering op de jaarlijkse inflatiecorrectie van de tabel toe, behoudens de afronding ingevolge artikel 25, derde lid, LIB.

5.4

De Inspecteur wijst erop dat de Ministeriële Regeling gebaseerd is op artikel 30, aanhef en

onderdeel a, ALB, en dat zij daarom niet onverbindend is. Deze bepaling luidt:

"De minister kan nadere regels stellen:

a. Ter uitvoering van deze landsverordening of een belastingverordening ( ...)".

In de Memorie van toelichting bij het artikel is geschreven: ".. de bepaling … geeft de Minister
een aantal bevoegdheden om een juiste toepassing en uitvoering van de belastingheffing te bevorderen. De regering is thans van oordeel dat niet alles vastgelegd kan worden in het

onderhavige ontwerp, omdat niet alle mogelijke toekomstige ontwikkelingen … voorzienbaar zijn;
gedetailleerde regeling van al deze situaties is derhalve voorshands niet mogelijk..." Belanghebbende heeft gemotiveerd betwist dat deze bepaling uit de ALB de rechtsgrond is van de Ministeriële Regeling.

5.5

De Raad is van oordeel dat artikel 30, aanhef en onderdeel a, ALB niet de rechtsgrond is en kan zijn voor de Ministeriële Regeling. Krimp en groei van de economie alsmede prijsinflatie zijn geen onvoorzienbare toekomstige omstandigheden waarop de aangehaalde Memorie van toelichting doelt, zij behoren sinds jaar en dag tot het econornische leven van het land.

Bovendien geldt dat de wetgever in artikel 25 LIB reeds een gedetailleerde regeling heeft getroffen voor de situatie van wijzing van het prijsindexcijfer en de invloed daarvan op de draagkracht van de inkomstenbelastingplichtigen. Nergens blijkt dat de wetgever met artikel 30, aanhef en onderdeel a, ALB bedoeld heeft om de Minister te machtigen om de inflatiecorrectie in de inkomstenbelasting ter zijde te stelIen in afwijking van het wetsartikel 25 LIB.

5.6

De Inspecteur heeft erop gewezen dat belanghebbende uiteindelijk geen nadeel ondervindt, omdat in de Tariefschijventabel voor 2012 ook rekening is gehouden met de inflatiecorrectie van 2011. War er zij van de juistheid van deze stelling, in geschil is nu de heffing over de maand januari 2011, zodat de tabel voor dat kalenderjaar (exclusief compensaties verleend in tabellen voor oudere of latere jaren) moet worden beoordeeld, en een eventuele compensatie in 2012 niet aan de orde is.

5.7

Uit het hiervoor overwogene volgt dat het beroep gegrond is en de uitspraak niet in stand kan blijven. Er is wettelijk gezien een te hoog bedrag aan loonbelasting ingehouden op het loon over januari 2011, naar belanghebbende onvoldoende betwist heeft betoogd, een bedrag van Awg 45. Bij de berekening van dit bedrag is belanghebbende terecht, naar het oordeel van de Raad, uitgegaan van de vastgestelde Tariefschijventabel 2010, ook al was deze niet bijgesteld door een tabelcorrectiefactor. Dat bedrag van Awg 45 dient de Inspecteur aan belanghebbende terug te geven.

6 Beslissing

De Raad verklaart het beroep gegrond, venietigt de uitspraak op bezwaar en gelast de Inspecteur tot teruggaaf van een bedrag van Awg 45 aan ingehouden loonbelasting.

Alsdan gedaan in raadkamer door mrs. M.T. Boerlage, C.W.M. van Ballegooijen en G.J. van Muijen in tegenwoordigheid van de secretaris mr. N. Martines en uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2013.