Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBACM:2013:1

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
27-09-2013
Datum publicatie
13-01-2014
Zaaknummer
2005/52390
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Door belanghebbende verstrekte alimentatie - in welke vorm dan ook - vloeide voort uit een tussen hem en zijn (thans) ex-echtgenote in 2005 gesloten overeenkomst die in 2006 deels is bevestigd in de echtscheidingsbeschikking. Dat die overeenkomst niet (juridisch) afdwingbaar zou zijn, is onjuist. De alimentatie is aftrekbaar als persoonlijke last. Dat geldt niet alleen voor het deel in contanten, maar ook voor de waarde van het verstrekte woongenot van de woning (zonder vermindering wegens een aan het minderjarige - bij de ex-echtgenote wonende - kind toerekenbaar deel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 27 september 2013, nr. 2005/52390

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN

zitting houdende op Curaçao

inzake:

[X], belanghebbende,

gemachtigde [A],

tegen

de Inspecteur der Belastingen op Curaçao.

1 Het procesverloop

1.1

Aan belanghebbende is op 20 november 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd voor het jaar 2005 naar een belastbaar inkomen van NAf. 187.237.

1.2

Belanghebbende is op 14 januari 2010 tijdig in bezwaar gekomen tegen de aanslag. Bij uitspraak van 16 september 2011 heeft de Inspecteur de aanslag verminderd tot op NAf. 64.866 (bij een belastbaar inkomen van NAf. 171.385).

1.3

Belanghebbende is op 15 november 2011 tijdig tegen deze uitspraak in beroep gekomen.

1.4

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.5

Ter zitting van 17 mei 2013 te Willemstad zijn verschenen belanghebbende, diens voornoemde gemachtigde en, namens de Inspecteur, [B].

1.6

Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en deze voorgedragen. Ter zitting zijn belanghebbendes zaken betreffende de inkomstenbelasting 2005, 2006 en 2007 gelijktijdig behandeld.

2 De tussen partijen vaststaande feiten

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.1

Belanghebbende heeft over het jaar 2005 een aangifte inkomstenbelasting (hierna: de aangifte) ingediend naar een belastbaar inkomen van NAf. 141.095.

2.2

In 2005 leefde belanghebbende duurzaam gescheiden van zijn thans voormalige echtgenote (hierna: de ex-echtgenote). De scheiding is op 24 oktober 2006 bij rechterlijke beschikking uitgesproken (hierna: de echtscheidingsbeschikking). In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat belanghebbende voor een periode van 10 jaar maandelijks NAf. 1.500 moet voldoen ter voorziening in het levensonderhoud van zijn ex-echtgenote.

2.3

Belanghebbende en zijn ex-echtgenote zijn overeengekomen dat zij in de voormalige echtelijke woning (hierna: de woning) zal blijven wonen, waarbij belanghebbende de volledige hypotheekrente voor zijn rekening zal nemen (hierna: de overeenkomst). De woning bleef gezamenlijk eigendom in een verhouding van 50% - 50%.

2.4

Vooruitlopend op de echtscheidingsbeschikking en conform de overeenkomst heeft belang-hebbende in 2005 bijdragen aan de ex-echtgenote gedaan. Terzake heeft hij als persoonlijke last, ten titel van betaalde alimentatie, een bedrag van NAf. 30.290 van zijn belastbare inkomen afgetrokken. Dit bedrag bestaat uit geldelijke bijdragen in het levensonderhoud van de ex-echtgenote ad NAf. 20.690 en uit betaalde hypotheekrente ad NAf. 9.600.

2.5

De Inspecteur heeft door middel van een afwijkingsbrief belanghebbende op de hoogte gesteld van zijn voornemen van de aangifte af te wijken. De Inspecteur heeft de aangifte onder meer gecorrigeerd op het punt van de geclaimde aftrek van de alimentatie-uitkeringen.

2.6

De Inspecteur is bij de bestreden uitspraak op dit punt niet aan belanghebbendes bezwaar tegemoet gekomen. De aanslag is overigens verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van NAf. 171.385.

2.7

Belanghebbende genoot in 2005 een salaris van NAf. 225.000. De ex-echtgenote verdiende aanzienlijk minder.

2.8

Belanghebbende heeft ter voldoening van zijn wettelijke zorgplicht jegens zijn minderjarige kind maandelijks NAf.. 500 betaald.

3 Geschil

Tussen partijen is enkel nog in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek van persoonlijke lasten ter zake van betaalde alimentatie.

4 De standpunten van partijen

4.1

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de helft van de door hem betaalde hypotheekrente ad - omgerekend - NAf. 19.039 als alimentatiebetaling kan worden gezien omdat hij wel de volledige hypotheekrente betaalt maar geen enkel woongenot van de woning heeft. De helft van voormeld bedrag is NAf. 9.520. Nu belanghebbende in zijn aangifte een bedrag van NAf. 9.600 had afgetrokken, moet het bedrag van de aftrekbare alimentatiebetalingen worden gesteld op NAf. 30.210 (en niet op NAf. 30.290) en het belastbare inkomen derhalve op NAf. 141.175. De betalingen zijn aftrekbaar gezien de beschikkingen van de Raad van 14 oktober 1996, nr. 1996/048, LJN BU5543 en van 16 november 2004, nr. 2003/202-203, LJN BT7653. Onjuist is de stelling van de Inspecteur dat betaling van de helft van de hypotheekrente bij belastingplichtige tot vermogensvorming leidt. Die betaling heeft immers niet tot gevolg dat belanghebbendes aandeel in de eigendom van de woning toeneemt. Voorts vermindert die betaling de hypotheekschuld niet, nog afgezien van het feit dat aflossing van een schuld per definitie de vermogenspositie niet doet wijzigen. Aldus belanghebbende.

4.2

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat ingevolge artikel 7 Landsverordening inkomstenbelasting 1943 (hierna: LIB) voor aftrekbaarheid van verstrekkingen van levensonderhoud vereist is dat sprake is van een juridisch afdwingbare verschuldigdheid van die verstrekkingen. Die verschuldigdheid kan alleen voortvloeien uit een wettelijke bepaling (een artikel uit het familierecht) of een rechterlijk vonnis. Belanghebbende heeft niet bewezen dat hij in 2005 krachtens het echtscheidingsvonnis NAf. 18.000 heeft betaald, verrekend of ter beschikking gesteld, noch dat dit bedrag rentedragend is geworden. Wat de betaalde hypotheekrente betreft, is sprake van de verstrekking van woongenot en geldt eveneens dat van verschuldigdheid geen sprake is. De overeenkomst doet geen verschuldigdheid in de zin van artikel 7 LIB ontstaan nu zij niet uit het familierecht voortvloeit en dus geen alimentatievoorziening vormt. Verschuldigdheid vloeit ook niet voort uit artikel 1:165 Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen (hierna: BW). Voorts is het verstrekte woongenot niet gebaseerd op een juridisch afdwingbare verplichting zodat die verstrekking, als natuurlijke verbintenis, gezien de arresten van de Hoge Raad HR BNB 1958/38 en HR BNB 1986/243 geen recht op aftrek voor voorzieningen in het levensonderhoud kan doen ontstaan. Zo de Raad oordeelt dat wel sprake is van een recht op aftrek, dan dient de omvang daarvan met inachtneming van de beschikking van de Raad van 21 februari 2008, nrs. 2006/0319 en 2006/0320 (partijen bekend) te worden bepaald, hetgeen in casu neerkomt op een aftrek van NAf. 9.360. Tot slot is de helft van het verstrekte woongenot ten bate van het minderjarige kind van belanghebbende en de ex-echtgenote gekomen, zodat voormeld bedrag gehalveerd moet worden tot NAf. 4.680. Aldus de Inspecteur.

4.3

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

5 Beoordeling van het geschil

5.1

Op grond van artikel 16 lid 1 letter a LIB zijn (voor zover hier relevant) als persoonlijke last aftrekbaar de periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 7 LIB, verschuldigd ter zake van levensonderhoud, huisvesting of andere zaken, met dien verstande dat geen aftrek is toegestaan ter zake van uitgaven gedaan aan bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn.

5.2

De Raad stelt in dit verband voorop dat voorwaarde voor de aftrekbaarheid van uitkeringen tot voorziening in het levensonderhoud van een gewezen echtgenoot is dat de welvaartsverhouding tussen de ex-echtelieden na de scheiding zodanig is dat, uitgaande van de situatie staande huwelijk, de welvarendste van hen zich redelijkerwijs gedrongen kan voelen tot het voorzien in het levensonderhoud van de ander op zoveel mogelijk hetzelfde niveau als tijdens de samenleving (vgl. de beschikkingen van de Raad van 14 oktober 1996, nr. 1996/048, LJN BU5543 en van 16 november 2004, nr. 2003/202-203, LJN BT7653).

5.3

Naar het oordeel van de Raad heeft belanghebbende voldoende aannemelijk gemaakt dat de door hem in 2005 aan de ex-echtgenote verstrekte alimentatie - in welke vorm dan ook - voortvloeide uit een tussen hen gesloten overeenkomst die naderhand deels is bevestigd in de echtscheidings-beschikking. De stelling van de Inspecteur dat die overeenkomst niet (juridisch) afdwingbaar zou zijn, is onjuist. Voorts is de Raad van oordeel dat belanghebbende zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het voorzien in het levensonderhoud van de ex-echtgenote als in 5.2 hiervoor bedoeld. Aldus is sprake van een verschuldigde verstrekking van levensonderhoud in de zin van artikel 16 lid 1 letter a LIB, welke aftrekbaar is. Dat geen sprake is van een rechterlijke toekenning van die verstrekking is daarbij niet van belang.

5.4

Ter zake van de omvang van het door belanghebbende in aftrek geclaimde bedrag van de verstrekkingen overweegt de Raad dat belanghebbende, met hetgeen hij in de gedingstukken en ter zitting heeft uiteengezet, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2005 aan de ex-echtgenote een bedrag in contanten heeft betaald van NAf. 20.690.

5.5

Ter zake van de helft van de hypotheekrente die belanghebbende in aftrek wenst te brengen en die de Inspecteur heeft aangemerkt als de verstrekking van het (uitsluitende) woongenot van de woning, overweegt de Raad als volgt. Nu de vergelding van de (wettelijke) zorgplicht die belanghebbende voor zijn minderjarige kind heeft, niet is begrepen in de verstrekkingen ter zake van het levensonderhoud van de ex-echtgenote (het kind ontvangt immers een eigen bijdrage) en de ex-echtgenote op haar beurt in haar (wettelijke) zorgplicht van het kind voorziet (onder meer door de verschaffing van kost en inwoning), is er geen grond om de aftrekbare alimentatie-uitkeringen van belanghebbende te verminderen met een niet-aftrekbaar ‘kindsdeel’ dat zou zijn begrepen in de verstrekking van het woongenot van de woning.

5.6

Ter zitting heeft belanghebbende overigens ingestemd met de berekening van de waarde van het woongenot/dit deel van de alimentatie door de Inspecteur.

5.7

In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen bedragen de aftrekbare alimentatie-uitkeringen in 2005 NAf. 20.690 (zie 5.4) + NAf. 9.360 (zie 4.2) = NAf. 30.050.

5.8

Uit het hiervoor overwogene volgt dat het beroep gegrond is en de uitspraak op bezwaar niet in stand kan blijven. Het belastbare inkomen van belanghebbende dient als volgt te worden verminderd:

Belastbaar inkomen conform uitspraak op bezwaar 171.385

Af: alimentatie-uitkeringen 30.050

Belastbaar inkomen 141.335

6 Beslissing

De Raad verklaart het beroep gegrond, vernietigt de beschikking waarvan beroep en vermindert de aanslag inkomstenbelasting 2005 tot een naar een belastbaar inkomen van NAf. 141.335.

Aldus gedaan in raadkamer door mrs. M.T. Boerlage, voorzitter, G.J. van Muijen en E.F. Faase, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris mr. N. Martines en uitgesproken in het openbaar op 27 september 2013.