Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBACM:2012:1

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
13-08-2012
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
2010/46851, 2010/53832, 2010/53833
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ondeugdelijke administratie, administratieplicht, bewaarplicht, inlichtingenverplichting, omkering en verzwaring van bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 13 augustus 2012, nrs. 2010/46851, 2010/53832, 2010/53833

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN
zitting houdende in Aruba,

inzake: [belanghebbende],
gemachtigde [A],

tegen

[de Inspecteur].

1 Het procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is op 16 mei 2007 een aanslag in de winstbelasting opgelegd voor het jaar 2001 naar een belastbare winst van Afl. 2.820.300.

1.2.

Aan belanghebbende is op 16 mei 2007 een aanslag in de winstbelasting opgelegd voor het jaar 2002 naar een belastbare winst van Afl. 2.589.000.

1.3.

Aan belanghebbende is op 16 mei 2007 een aanslag in de winstbelasting opgelegd voor het jaar 2003 naar een belastbare winst van Afl. 2.117.900.

1.4.

Belanghebbende is op 16 juli 2007 tijdig in bezwaar gekomen tegen de aanslagen. Bij uitspraak van 24 mei 2010 heeft de Inspecteur de aanslagen gehandhaafd.

1.5.

Belanghebbende is op 8 juni 2010 tijdig tegen deze uitspraak in beroep gekomen.

1.6.

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.7.

Ter zitting van 27 maart 2012 en 28 maart 2012 te Oranjestad zijn verschenen [A]

namens belanghebbende en namens de inspecteur [B].

1.8.

Belanghebbende heeft een pleitnota ingebracht, evenals de Inspecteur.

2 De tussen partijen vaststaande feiten

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door een van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.1.

Belanghebbende exploiteert in de jaren 2000 tot en met 2003 een juwelierszaak. De

ondernemingsactiviteiten van belanghebbende bestaan uit het verkopen van gouden sieraden, (fijne) juwelen en horloges.

2.2 [

C] is enig directeur-aandeelhouder van belanghebbende en van [N.V. 1].

2.3.

Op 28 november 2005 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld naar de

aanvaardbaarheid van de aangiften winstbelasting over de jaren 2000 tot en met 2003 en de

aangiften loonbelasting, premie AOV/AWW en premie AZV over het tijdvak 2001 tot en met 2003.

2.4.

Op 5 december 2006 is naar aanleiding van het boekenonderzoek een controlerapport uitgebracht. De definitieve aanslagen in de winstbelasting over de jaren 2001 tot en met 2003 zijn vastgesteld conform de berekende bedragen in het controlerapport.

3 Geschil

In geschil is de vraag of de administratie van belanghebbende als ondeugdelijk ter zijde moet worden geschoven en zo ja, of belanghebbende heeft aangetoond dat de Inspecteur de aanslagen naar te hoge bedragen heeft opgelegd.

4 De standpunten van partijen

4.1.

Belanghebbende stelt dat zij geen omzet heeft verzwegen, heeft voldaan aan haar inlichtingenverplichting en nagenoeg geheel heeft voldaan aan de bewaarplicht. Belanghebbende stelt te hebben voldaan aan de administratieplicht. De geconstateerde gebreken zijn met van een dergelijke omvang dat sprake kan zijn van omkering van de bewijslast. De controlerende ambtenaren hebben bij het boekenonderzoek niet de nodige zorgvuldigheid betracht.

4.2.

De Inspecteur is van mening dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de inlichtingplicht als bedoeld in artikel 45 van de Algemene landsverordening belastingen (hierna: ALB). Voorts is de Inspecteur van mening dat belanghebbende met heeft voldaan aan de administratieplicht als bedoeld in artikel 48 ALB. Tot slot is de Inspecteur van mening dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de bewaarplicht van artikel 48 ALB.

4.3.

De Inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de sanctie van artikel 20 ALB (de zogeheten omkering en verzwaring van bewijslast) van toepassing is omdat belanghebbende niet heeft voldaan aan haar administratieplicht, bewaarplicht en inlichtingenverplichting. Voorts meent de Inspecteur dat belanghebbende niet heeft aangetoond dat hij de bestreden aanslagen naar een te hoog bedrag heeft opgelegd.

4.4.

Partijen doen haar standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

De Inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting ingevolge artikel 45 ALB. Belanghebbende heeft aangevoerd dat een gedetailleerde voorraadlijst niet meer beschikbaar is door een computercrash in 2004.

5.2.

De Inspecteur heeft, naar het oordeel van de Raad, aannemelijk gemaakt dat gedetailleerde voorraadlijsten ontbreken in de administratie. Dat belanghebbende door een computercrash een gedetailleerde voorraadlijst zou zijn kwijtgeraakt kan naar het oordeel van de Raad in dit verband aan belanghebbende worden tegengeworpen. Belanghebbende had dienen te zorgen voor voldoende maatregelen ter voorkoming van een computercrash of dienen te zorgen voor een adequate back-up van gegevens.

5.3.

De Inspecteur heeft gesteld dat de verkoopfacturen over de jaren 2000 tot en met 2002 en over de maanden februari 2003 tot en met december 2003 zijn weggegooid. Deze stelling is door belanghebbende niet ontkend, althans onvoldoende (gemotiveerd) betwist. Dit is naar het oordeel van de Raad een ernstig verzuim van belanghebbende; verkoopfacturen zijn immers een essentieel bestanddeel van de administratie. Het ontbreken daarvan over vrijwel het gehele controletijdvak brengt een schending met zich van artikel 45 ALB. Hieraan doet niet af het betoog van belanghebbende dat volgnummers zouden ontbreken doordat gewerkt wordt met persoonsgebonden bonboeken en dat alle verkoopfacturen zich in de administratie van belanghebbende zouden bevinden, zij het - na opvraag daarvan door creditcardmaatschappijen in een aparte map. Naar het oordeel van de Raad biedt dit geen afdoende verklaring gelet op de niet, althans onvoldoende, bestreden stelling van de Inspecteur dat de verkoopfacturen over de voormelde perioden tijdens het boekenonderzoek niet op verzoek aan de controlerende ambtenaren zijn verstrekt.

5.4.

De Inspecteur heeft voorts geconstateerd dat de zogenoemde verkoop tags (prijskaartjes) niet zijn bewaard en overhandigd. Belanghebbende heeft dit niet weersproken. Het gaat hier kennelijk om bescheiden waarop een bedrag vermeld staat en waarvan, door het toepassen van een bepaalde formule op dat bedrag, de inkoopprijs kan worden afgeleid. Ook deze bescheiden maken naar het oordeel van de Raad onderdeel uit van de administratie en mogen daarin niet ontbreken, zulks te minder nu een voorraadwaardering overigens ontbreekt

5.5.

Belanghebbende heeft aan de Inspecteur desgevraagd geen specificatie van de offline verkopen verstrekt. Belanghebbende heeft hiermede niet voldaan aan haar inlichtingenverplichting.

5.6.

Gelet op hetgeen in 5.2 tot en met 5.5 is overwogen heeft belanghebbende niet voldaan aan de inlichtingenverplichting van artikel 45 ALB.

5.7.

De Inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de administratieplicht van artikel 48 ALB. De Inspecteur heeft in dit verband onder meer betoogd dat de voorraadlijsten niet voldoende gedetailleerd waren, waardoor de voorraad niet controleerbaar was en onvoldoende verband met de goederenbeweging kon worden gelegd. De Inspecteur heeft aangevoerd dat er, mede gelet op de aanzienlijke waarde van de afzonderlijk verkochte goederen, behoefte bestond aan een gedetailleerde voorraadlijst. De Inspecteur heeft gesteld dat de aanwezige voorraadlijst met binnen een redelijke tijd controleerbaar was en dat er geen aansluiting mogelijk was met de juwelen vermeld op de inkoopfacturen.

5.8.

De voorraadlijst is volgens belanghebbende voldoende toegankelijk voor controle en het leggen van een verband met de goederenbeweging. Voorts wijst belanghebbende er op dat een groot deel van de sierraden onder consignatie wordt geleverd en niet behoort tot de voorraad. Ook de door buitenlandse leveranciers rechtstreeks aan buitenlandse cliënten geleverde sierraden behoren niet tot de voorraad.

5.9.

De Raad is van oordeel dat een gedetailleerde voorraadlijst gelet op de aard van de onderneming van belanghebbende aanwezig diende te zijn. Hieraan doet niet af dat ook sierraden onder consignatie worden geleverd of dat goederen in het buitenland worden geleverd. Het ontbreken daarvan kan aan belanghebbende worden tegengeworpen. De voorraadlijst die onderdeel uitmaakt van de processtukken is naar het oordeel van de Raad onvoldoende controleerbaar.

5.10.

De Inspecteur heeft gewezen op een aantal onvolkomenheden in de financiële administratie. Zo ontbreken volgens de Inspecteur de bankafschriften die ten grondslag liggen aan de offline verkopen. Belanghebbende hield geen kasregistratiesysteem bij. De Inspecteur heeft niet, althans onvoldoende, weersproken gesteld dat het kladkasboek niet op dagbasis werd afgesloten. Het kasboek was volgens hem meer een verkoopboek, aangezien daarin naast de contante verkopen ook de verkopen via credit cards waren verwerkt. De verantwoording van de ontvangsten in de financiële administratie vindt plaats in maandtotalen dan wel in jaartotalen. Er zijn volgens de Inspecteur grote verschillen geconstateerd tussen de omzetten volgens de financiële administratie en de omzetten volgens de kladkasboeken; ook zijn negatieve kassaldi geconstateerd. Er zijn diverse contante betalingen gedaan die in de financiële administratie zijn verwerkt, maar met in de kladkasboeken. Er is in 2003 sprake van een verschil tussen de contante verkopen volgens het kladkasboek en die volgens de financiële administratie van Afl. 458.338. Een gedetailleerde crediteurenadministratie voor de leverancier is volgens de Inspecteur niet aanwezig. De boekhouding van belanghebbende en haar zustervennootschap [N.V. 1] zijn volgens de Inspecteur zodanig door elkaar gehaald dat de adviseur van belanghebbende niet kon aangeven welke boekingen op welk bedrijf en op welke transacties betrekking hebben. De voorraden heeft belanghebbende gewaardeerd zonder de uitgaven die voor de inkoop zijn gedaan.

5.11.

Gelet op de gestelde en aannemelijk gemaakte dan wel onvoldoende weersproken onvolkomenheden in de administratie, waaronder met name het zodanig vermengen van de administratie van belanghebbende met de administratie van haar zustervennootschap [N.V. 1], dat zelfs de adviseur van belanghebbende niet meer kon aangeven welke boekingen op welk bedrijf en op welke transacties betrekking hebben, het niet (goed) bijhouden van een kladkasboek, met grote verschillen tussen de contante verkopen volgens de financiële administratie en de contante verkopen volgens het kladkasboek en de (hoge) negatieve kassen is de Raad van oordeel dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de administratieplicht van artikel 48 ALB.

5.12.

Dat er naar het oordeel van belanghebbende geen sprake is van een kladkasboek, doch van een sales boek, waarin handmatig en dagelijks alle ontvangsten met uitzondering van de offline sales zouden worden vermeld, doet hier niet aan af. Ook de stelling van belanghebbende dat 90% van de inkomsten van belanghebbende worden betaald met een credit card doet niet af aan de door de Inspecteur gestelde tekortkomingen.

5.13.

De Inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de bewaarplicht van artikel 48 ALB. De Raad is van oordeel dat uit diens overwegingen in 5.2 tot en met 5.4 inzake het bewaren van voorraadlijsten, verkoopfacturen en verkooptags voortvloeit dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de bewaarplicht van artikel 48 ALB.

5.14.

Als gevolg van het niet voldoen door belanghebbende aan haar inlichtingenverplichting, haar administratieverplichting en haar bewaarverplichting past de Raad op grond van artikel 20 ALB de administratieve sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast toe. Belanghebbende moet daarom overtuigend aantonen dat de door de Inspecteur geschatte opbrengsten, mits niet willekeurig geschat, onjuist zijn. De Raad is van oordeel dat de schattingen van de omzetten voor de onderhavige jaren door de Inspecteur redelijk zijn en dat belanghebbende er niet in is geslaagd de onjuistheid ervan te bewijzen. Evenmin is zij erin geslaagd, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, aan te tonen dat onjuist is het standpunt van de Inspecteur dat geen recht bestaat op de faciliteiten van de investeringsaftrek en de vervroegde afschrijving.

5.15.

De Raad kan zich verenigen met het standpunt van de Inspecteur dat, nu de boekhouding in haar geheel verworpen is, een gemiddeld brutowinstpercentage wordt gehanteerd uitgaande van de brutowinst zoals die over de maanden november en december 2005 is vastgesteld op basis van bij belanghebbende beschikbare gegevens (waarbij rekening is gehouden met seizoensinvloeden door ook cijfers van juni en juli 2006 in de berekening te betrekken) en van een brutowinstpercentage dat aansluit bij vergelijkbare ondernemingen in de branche. De Raad is van oordeel dat de Inspecteur bij de vaststelling van de inkomsten van belanghebbende aldus een redelijke schatting heeft gehanteerd.

5.16.

De Inspecteur heeft de aangegeven rente op een lening aan de aandeelhouder gecorrigeerd vanwege het niet (of te weinig) in rekening brengen van rente door belanghebbende. Belanghebbende heeft de correctie betwist, met name het toegepaste rentepercentage. Het aan deze correctie ten grondslag liggende percentage van 8% heeft de Inspecteur naar het oordeel van de Raad voldoende onderbouwd aan de hand van de gemiddelde rente op bancaire time deposito's met een looptijd van meer dan een jaar en op staatsobligaties. Die rente ligt gedurende de jaren 2000 tot en met 2003 tussen de 6% en de 8%. Uitgaande van deze rentevoeten, en verhoogd met een mark-up, is de correctie naar het oordeel van de Raad voldoende onderbouwd en niet te hoog, althans belanghebbende heeft de onjuistheid ervan met aangetoond.

5.17.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat de beroepen ongegrond zijn.

6 Beslissing

De Raad verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld in raadkamer door mrs. M.T. Boerlage, C.W.M. van Ballegooijen en E.F. Faase in tegenwoordigheid van de secretaris mr. P.M. Isenia en bekend gemaakt op 13 augustus 2012.