Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBACM:2011:8

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
14-09-2011
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
2009/0095
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Navordering, niet vermelden rente-inkomsten, kwade trouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 14 september 2011, nr. 2009/0095.

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN
zitting houdende in Aruba,

inzake: [belanghebbende],
gemachtigde [A],

tegen

[de Inspecteur].

1 Het procesverloop

1.1

Aan belanghebbende zijn op 22 december 2006 de volgende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting (met boetes) opgelegd:

Jaar

Belastbaar inkomen in Afl.

Boete in Afl.

2001

135.272

5.748

2002

148.866

15.484,50

2003

131.261

5.512,50

2004

121.086

6.858

1.2

Belanghebbende is op 15 februari 2007 tijdig in bezwaar gekomen tegen de aanslagen. Bij

uitspraken van 29 december 2008 heeft de Inspecteur de aanslagen 2001 en 2002 verminderd en de boetes over 2003 en 2004 laten vervallen.

1.3

Belanghebbende is op 27 februari 2009 tijdig tegen deze uitspraken in beroep gekomen.

1.4

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.5

Ter zitting van 4 november 2010 te Oranjestad zijn partijen verschenen.

1.6

Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

2 De tussen partijen vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende en zijn echtgenote houden allebei 30% van de aandelen in [NV 1].

2.2

Op 23 januari 2006 is een boekenonderzoek ingesteld bij [NV 1]. Dit onderzoek heeft

geresulteerd in een controlerapport van 29 juni 2006. Een van de bevindingen van dat rapport is dat belanghebbende een aanzienlijk bedrag aan kapitaal heeft verstrekt aan [NV 1].

2.3

De controleambtenaar is vervolgens een onderzoek gestart naar de herkomst van de voor de

verstrekte financiering gebruikte middelen. Nadat hij tevergeefs informatie had opgevraagd bij belanghebbende over diens banktegoeden, heeft hij banken benaderd. Deze banken hebben gegevens over 2004 verstrekt. Hieruit is gebleken dat belanghebbende per 1 januari 2004 een spaartegoed had van Afl. 660.000. De controleambtenaar heeft de bankgegevens alsmede de ontvangen rente geresigneerd aan de Inspecteur.

2.4

Bij brief van 6 juni 2006 heeft de Inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat hij

voornemens was diens aangiften inkomstenbelasting 2001-2004 te corrigeren ten aanzien van niet opgegeven renteopbrengsten, huurinkomsten en prive-gebruik van de auto van de zaak.

2.5

Op 3 oktober 2006 zijn de definitieve aanslagen in de inkomstenbelasting voor de jaren 2003 en 2004 opgelegd conform de ingediende aangiften.

2.6

Op 22 december 2006 heeft de Inspecteur de navorderingsaanslagen met boetes opgelegd. Bij

uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslagen 2001 en 2002 verminderd en de boetes over 2003 en 2004 laten vervallen.

3 Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of :

er sprake is van een nieuw feit of van kwade trouw van belanghebbende waardoor navordering mogelijk is;

er sprake is van ongelijke behandeling.

4 De standpunten van partijen

4.1

Belanghebbende stelt dat:

een navordering rechtvaardigend nieuw feit ontbreekt. Van te kwader trouw handelen door belanghebbende is geen sprake aangezien het destijds gebruikelijk was dat belastingplichtigen hun rente-inkomsten niet opgaven. De belastingdienst was hiervan op de hoogte en stond dit toe door geen correcties aan te brengen;

er sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel aangezien de Inspecteur de definitieve aanslagen conform de aangiften heeft opgelegd na het boekenonderzoek;

sprake is van ongelijke behandeling aangezien de Inspecteur in een meerderheid van de gevallen bij belastingplichtigen die hun rente-inkomsten met opgaven ook met heeft gecorrigeerd.

4.2

De Inspecteur deelt de mening van belanghebbende dat een navordering rechtvaardigend nieuw feit ontbreekt. Daarnaast stelt hij dat belanghebbende wel te kwader trouw handelde door het niet in de aangifte opgeven van renteopbrengsten. De overige standpunten van belanghebbende worden door de Inspecteur bestreden.

4.3

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

5 Beoordeling van het geschil

5.1

Op grond van artikel 13, van de ALB kan de Inspecteur te weinig geheven belasting navorderen indien sprake is van enig feit dat grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag onjuist is. Een feit dat de Inspecteur ten tijde van de vaststelling van de aanslag bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

5.2

Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van enig feit dat de Inspecteur ten tijde van de

vaststelling van de aanslag bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. De Raad volgt partijen in hun gemeenschappelijks standpunt, omdat dit naar het oordeel van de Raad juist is.

5.3

Naar het oordeel van de Raad heeft de Inspecteur wel mogen navorderen omdat belanghebbende te kwader trouw heeft gehandeld door de ontvangen rente-inkomsten opzettelijk niet te vermelden in zijn aangiften inkomstenbelasting. Belanghebbendes stelling dat het destijds gebruikelijk was dat belastingplichtigen hun rente-inkomsten niet opgaven in hun aangiften, kan hem niet baten. Zo deze stelling al juist zou zijn heeft belanghebbende naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk gemaakt dat de belastingdienst hiervan op de hoogte was en er mee instemde. Tot slot merkt de Raad op dat belanghebbende aan het feit dat de definitieve aanslagen op 3 oktober 2006 zijn vastgesteld conform de ingediende aangiften geen vertrouwen kon ontlenen dat navordering van de te weinig geheven belasting achterwege zou blijven.

5.4

Belanghebbende heeft zijn stelling dat sprake is van ongelijke behandeling, aangezien de

Inspecteur in een meerderheid van de gevallen bij belastingplichtigen die hun rente-inkomsten niet opgaven niet heeft gecorrigeerd, onvoldoende onderbouwd. Hij heeft geen opgaaf gedaan van een aantal gevallen waaruit de ongelijke behandeling van de Inspecteur zou blijken.

5.5

Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd doet aan het oordeel van de Raad niet af.

6.Beslissing

De Raad verklaart het beroep ongegrond.

Alsdan gedaan in raadkamer door mrs. M.T. Boerlage, Th. Groeneveld en G.J. van Muijen in tegenwoordigheid van de griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 september 2011.