Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBBACM:2011:5

Instantie
Raad van Beroep voor Belastingzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
14-09-2011
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
2010/0123
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

commerciële rente, geïmputeerde rente

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 14 september 2011, nr. 2010/0123.

DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN
zitting houdende in Aruba,

inzake: [belanghebbende],
gemachtigde [A],

tegen

[de Inspecteur].

1 Het procesverloop

1.1

Aan belanghebbende is op 31 maart 2009 een aanslag in de winstbelasting opgelegd voor het jaar 2003 naar een winst van Afl. 695.600.

1.2

Belanghebbende is tijdig in bezwaar gekomen tegen de aanslag. Bij uitspraak van 18 januari 2010 heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tijdig tegen deze uitspraak in beroep gekomen.

1.4

De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend.

1.5

Ter zitting van 5 november 2010 te Oranjestad zijn verschenen belanghebbende, bijgestaan door [A], alsmede [B] namens de Inspecteur.

1.6

Partijen hebben pleitnota's ingediend.

2 De tussen partijen vaststaande feiten

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door een van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.1

De aandelen in belanghebbende worden gehouden door Croon Elektrotechniek BV (hierna: de

moeder). De moeder is gevestigd te Rotterdam, Nederland.

2.2

Belanghebbende heeft eind 2004 de aangifte winstbelasting voor het jaar 2003 ingediend. Naar aanleiding van vragen van de Inspecteur heeft zij in een brief van 2 juni 2006 nadere informatie verstrekt. Hierbij heeft zij aangegeven dat zij ultimo 2003 een schuld had aan de moeder tot een bedrag van Afl. 87.715,16. Het gemiddelde commerciële rentepercentage over deze schuld bedroeg 3,42%.

2.3

Voor fiscale doeleinden hanteerde belanghebbende echter een rentepercentage van 8%. Het

verschil tussen het commerciële rentepercentage en het fiscale rentepercentage werd door haar geïmputeerd en ten laste van de fiscale winst gebracht.

2.4

Uit de aansluiting van het commerciële naar het fiscale resultaat in de bijlage bij de aangifte

winstbelasting blijkt dat belanghebbende aldus een bedrag van Afl. 3.031 ten laste van het fiscale resultaat heeft gebracht.

2.5

In de aanslag in de winstbelasting voor het jaar 2003 is de Inspecteur afgeweken van de door

belanghebbende ingediende aangifte en heeft hij de geïmputeerde rentelast niet geaccepteerd.

3 Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de Inspecteur de geïmputeerde rente terecht niet in aftrek heeft toegelaten.

4 De standpunten van partijen

4.1

Belanghebbende stelt primair dat de geïmputeerde rente op basis van het leerstuk van informele

kapitaalstorting ten laste van de winst kan worden gebracht. Zij baseert zicht hierbij op de het arresten van de Hoge Raad van 3 april 1957, nr. 13 084, BNB 1957/165 en 31 mei 1978, nr. 18 230, BNB 1978/252 (bekend als de Zweedse grootmoederarresten). Daarbij stelt belanghebbende dat zij het rentepercentage van 8% voor fiscale doeleinden heeft toegepast op grond van het beleid van de Arubaanse belastingdienst in samenhang met rechtspraak en niet vanwege het feit dat in een situatie met een onafhankelijke derde een dergelijk rentepercentage zou zijn overeengekomen.

4.2

Subsidiair stelt belanghebbende dat indien geen sprake is van informeel kapitaal de geïmputeerde

rente op grond van artikel 6, tweede lid, onderdeel f juncto derde lid, van de Landsverordening Winstbelasting (hierna: LWB) aftrekbaar is.

4.3

Meer subsidiair stelt belanghebbende dat het beleid dat de Arubaanse belastingdienst hanteert in

leningsverhoudingen tussen gelieerde partijen consequent dient te worden toegepast.

4.4

De Inspecteur stelt primair dat bij belanghebbende op basis van de `evenwichtstoets' en het 'at

arm's length' beginsel voor fiscale doeleinden een zakelijk rentepercentage van 3.42% in aanmerking dient te worden genomen.

4.5

Subsidiair is de Inspecteur van mening dat de geïmputeerde rente niet op grond van artikel 6,

tweede lid, onderdeel f juncto derde lid, van de LWB ten laste van het resultaat kan worden gebracht.

4.6

Meer subsidiair stelt de Inspecteur dat geen sprake is van strijdigheid van beleid van de Arubaanse

belastingdienst.

4.7

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de

van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

5 Beoordeling van het geschil

Primair

5.1

Artikel 4, eerste en tweede lid, van de LWB luiden:

1. Onder winst wordt verstaan de som van de voordelen die onder welke naam en in welke worm ook, zuiver worden verkregen uit bedrijf en uit buiten bedrijf gebezigd kapitaal.

2. Indien een lichaam, onmiddellijk of middellijk deelneemt aan de leiding van of het toezicht op, dan wel in het kapitaal van een ander lichaam en tussen deze lichamen ter zake van hun onderlinge rechtsverhoudingen voorvaarden worden overeengekomen of opgelegd die afwijken van voorwaarden die in het economische verkeer dooronafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, wordt de winst van die lichamen bepaald alsof die laatstbedoelde voorwaarden zouden zijn overeengekomen.

5.2

De Hoge Raad overwoog in het arrest van 31 mei 1978, nr. 18 230, BNB 1978/252:

dat het Hof aan het door hem vastgestelde feit dat A om redenen van concernbelang geen rente heeft bedongen de betekenis heeft toegekend, dat A in haar kwaliteit van grootmoedermaatschappij de dochtermaatschappij van belanghebbende - waarmee belanghebbende blijkens Hofs uitspraak een fiscale eenheid vormde - met de rente, die zij had kunnen bedingen en buiten die kwaliteit ook zou hebben bedongen, bewust heeft willen bevoordelen;

dat het Hof hiermede tot uitdrukking heeft gebracht dat het aan belanghebbendes dochter opgekomen voordeel, bestaande uit het met verschuldigd worden van rente over de haar door de grootmoedermaatschappij verstrekte lening, zijn oorzaak met vond in de bedrijfsuitoefening van belanghebbendes dochter doch uitsluitend in de vennootschappelijke betrekkingen tussen de drie bedoelde vennootschappen;

dat het Hof terecht dit voordeel niet tot de winst heeft gerekend, aangezien ingevolge artikel 7 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 daartoe alleen worden gerekend voordelen welke worden verkregen uit onderneming;

dat daarbij met van belang is of meergenoemd voordeel tot de vermogenssfeer dan wel tot die van baten en lasten behoorde en evenmin hoe het voordeel zou kunnen worden gekwalificeerd, terwijl met betrekking tot een niet tot de winst behorend voordeel een beroep op goed koopmansgebruik niet aan de orde kan komen;

5.3

In de beschikking van de Raad van 24 april 1994, nr. 1993-040 werd overwogen:

6.3.

In het midden kan blijven wat de oorzaak van de vordering is. De oorzaak: gedeclareerd en niet opgeëist dividend, dan wel geldlening, is niet van belang. In beide gevallen zou bij een zakelijke verhouding tussen de vennootschappen een normale rente zijn bedongen en betaald.

In beginsel zal derhalve een fictief bedrag aan rente (door de Inspecteur gesteld op 10 %, wat door NV X niet is bestreden) door NV A in aftrek kunnen worden gebracht op haar winst en door NV X als winst moeten worden verantwoord (vgl. HR 31 mei 1978, BNB 1978/252).

5.4

Belanghebbende stelt dat zij naar analogie met voormeld arrest van de Hoge Raad de

geïmputeerde rente op basis van het leerstuk van informele kapitaalstorting ten laste van de winst kan brengen. Naar het oordeel van de Raad kan daarvan geen sprake zijn. Tussen belanghebbende en haar moeder werd een zakelijke ("commerciële") rente bedongen en betaald van (gemiddeld) 3,42%. Alsdan doet zich niet het geval voor dat de moedervennootschap haar dochter een voordeel toekent dat zijn oorzaak niet vindt in de bedrijfsuitoefening van de dochter, maar uitsluitend in de vennootschappelijke betrekkingen tussen beide. Voor het in aanmerking nemen van een virtuele rentelast bij de dochter is dan geen aanleiding.

5.5

Subsidiair

5.6

Artikel 6, tweede lid, aanhef en onderdeel f, van de LWB luidt:

2. Geen aftrek is toegelaten:

f. voor renten van opgenomen gelden en vergoedingen voor het genot van, in welke vorm dan ook, ten gebruik of verbruik afgestane materiele of immateriële goederen of verleende diensten, indien deze verschuldigd zijn aan niet in Aruba gevestigde lichamen, met dien verstande dat dit onderdeel, onverminderd onderdeel c, niet van toepassing is indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat zich een omstandigheid voordoet, als omschreven in het derde lid.

Het derde lid, aanhef en onderdeel b, van de LWB luidt:

3. De omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, onderdeel f zijn:

b. de renten en vergoedingen worden bij het Lichaam waaraan de rente en vergoedingen zijn verschuldigd, feitelijk belast naar een effectief tarief van ten minste 15 percent, met dien verstande dat bij de berekening van het effectieve tarief de kosten van afschrijvingen mogen worden genegeerd.

5.7

Raad is van oordeel dat, gegeven het oordeel in rechtsoverweging 5.4, niet wordt toegekomen aan bovengenoemde bepalingen.

Meer subsidiair

5.8

Naar het oordeel van de Raad heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van beleid van de Arubaanse belastingdienst dat erop neer komt dat in leningverhoudingen tussen gelieerde partijen een rentepercentage van 8% wordt gehanteerd.

5.9

Uit het hiervoor overwogene volgt dat het beroep ongegrond is.

6.Beslissing

De Raad verklaart het beroep ongegrond.

Alsdan gedaan in raadkamer door mrs. M.T. Boerlage, Th. Groeneveld en G.J. van Muijen in tegenwoordigheid van de griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 september 2011.