Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBANAA:2012:BX4896

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
29-06-2012
Datum publicatie
17-08-2012
Zaaknummer
RvBAz 2011/45626 en 45673
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen schorsingsbesluit en ontslagbesluit. Politieambtenaar is veroordeeld wegens het plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van 15 jaren. De Raad is van oordeel dat appellant geïntimeerde bevoegd was om appellant te ontslaan. Dat de strafrecht appellant niet uit zijn ambt heeft ontzet geeft geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 29 juni 2012

Zaaknr: RvBAz 2011/45626 en 45673

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

Uitspraak

in de zaak tussen:

[appellant]

oorspronkelijk klager,

thans appellant,

gemachtigde mr. S.J. Fontein,

en:

DE REGERING VAN CURAÇAO

oorspronkelijk verweerder,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. S. Klarenbeek.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Bij Landsbesluit van 29 maart 2010, uitgereikt op 14 april 2010, heeft geïntimeerde appellant tot en met de dag waarop in de tegen hem ingestelde disciplinaire procedure een eindbeslissing is genomen met toepassing van artikel 109, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit rechtspositie Korps Politie Nederlandse Antillen 2000 (hierna: het Rechtspositiebesluit) geschorst (hierna: het schorsingsbesluit).

1.2 Appellant heeft op 10 mei 2010 bezwaar gemaakt tegen het schorsingsbesluit, door de griffie van het Gerecht in ambtenarenzaken (hierna: het Gerecht) geregistreerd onder GAZ nummer 54/2010.

1.3 Bij Landbesluit van 6 juni 2010 is appellant met ingang van 1 augustus 2010 met toepassing van artikel 119, eerste lid, aanhef en onder e, van het Rechtspositiebesluit eervol ontslag uit ’s Landsdienst verleend (hierna: het ontslagbesluit).

1.4 Appellant heeft op 26 juni 2010 bezwaar gemaakt tegen het ontslagbesluit, door de griffie van het Gerecht geregistreerd onder GAZ nummer 91/2010.

1.5 Het Gerecht heeft in zijn uitspraak van 17 februari 2011 (GAZ nummer: 54/2010 en 91/2010) het bezwaar tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard en voorts geoordeeld dat het tegen het schorsingsbesluit gerichte bezwaar geen beoordeling behoeft.

1.6 Appellant heeft tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep ingesteld. Geïntimeerde heeft een contra-memorie ingediend.

1.7 Het beroep is behandeld door de Raad van beroep in Ambtenarenzaken (hierna: de Raad) ter zitting van 4 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Geïntimeerde heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. P. Dingemanse. Voorts zijn verschenen de heer [...] en mevrouw [...].

1.8 De uitspraak is nader bepaald op heden.

2. Wettelijke bepalingen

2.1 Artikel 109, eerste lid, aanhef en onder c, van het Rechtspositiebesluit bepaalt dat onverminderd artikel 102, eerste lid, onderdeel h, de ambtenaar van politie bij landsbesluit in zijn ambt kan worden geschorst wanneer naar het oordeel van de minister het dienstbelang dit bepaaldelijk vereist.

2.2 Artikel 119, eerste lid, aanhef en onder e, van het Rechtspositiebesluit bepaalt dat buiten de gevallen bij dit besluit of bij of krachtens enige landsverordening, anders dan de Landsverordening materieel ambtenarenrecht, de ambtenaar van politie alleen kan worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

3. Motivering

3.1 De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3.1.1 Appellant was als politieambtenaar in de rang van brigadier in dienst van de Nederlandse Antillen en was tewerkgesteld bij het Korps Politie Curaçao.

3.1.2 Op 3 april 2009 is door de surveillancedienst van het Renaissance Hotel een dvd alsmede een achttal foto’s ter hand gesteld aan het Bureau Interne Zaken van het Korps Politie Curaçao. De dvd en de foto’s bevatten beeldmateriaal waarop appellant voorkomt met een meisje dat appellant naar zich toetrekt en omhelst. Appellant laat het meisje tegen zich aanleunen.

Appellant houdt vervolgens de hand van het meisje vast en brengt deze naar het kruis van zijn broek. Het meisje trekt haar hand terug en houdt deze voor haar gezicht. De man trekt haar hand weg en lijkt haar te willen zoenen. Het meisje tracht dit te verhinderen door haar hand weer voor haar mond te plaatsen. Te zien is dat de man met enige kracht de arm wegtrekt en met zijn andere hand het hoofd van het meisje zodanig in positie houdt om haar mond te kunnen kussen.

3.1.3 Appellant is op de beelden herkend door verbalisanten van het Bureau Interne Zaken. Voorts heeft appellant bevestigd dat hij de persoon is die op het beeldmateriaal is te zien. Het veertienjarige meisje heeft de identiteit van appellant eveneens bevestigd. De vader van het meisje heeft op 7 april 2009 aangifte gedaan bij de politie.

3.1.4 Van het door het Gerecht aan de uitspraak gehechte bewijsmiddelenoverzicht maakt deel uit een verklaring van het meisje waaruit blijkt dat de handelingen van appellant tegen haar wil geschiedde. Voorts blijkt uit het bewijsmiddelenoverzicht dat in de periode van 24 november 2008 tot en met 7 april 2009 133 keer is gebeld vanuit de telefoons van appellant naar de telefoon van het meisje. Op 30 maart 2009 is vanaf de telefoon van appellant een bericht verstuurd naar de mobiele telefoon van het meisje met het bericht “I Love You (naam meisje)”.

3.1.5 Op 7 mei 2009 is appellant aangehouden en in voorlopige hechtenis gesteld op verdenking van overtreding van de artikelen 251 jo 252 en 253 van het wetboek van Strafrecht, kort gezegd op verdenking van het buiten echt plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van vijftien jaren. Bij strafvonnis van 5 november 2010 (parketnummer: 500.00510/09) is appellant door het Gerecht wegens het buiten echt plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van vijftien jaren veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd die appellant in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De strafrechter heeft daarbij bevolen dat van de gevangenisstraf van eenhonderdvijfenzestig dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat appellant zich voor het einde van de hierbij op drie jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende die proeftijd zich op andere wijze heeft misdragen of de hierna gestelde bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd. Bedoelde bijzondere voorwaarde houdt in dat appellant zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Stichting Reclassering Curaçao, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig acht, ook als dat inhoudt dat appellant zich onder individuele begeleiding van een psycholoog zal moeten stellen gericht op het leren en controleren van grensoverschrijdend seksueel gedrag, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 17d van het wetboek van Strafrecht.

3.2 Het Gerecht heeft onder verwijzing naar het aangehechte bewijsmiddelenoverzicht dat tevens deel uitmaakt van het strafvonnis van 5 november 2010, geoordeeld dat in hoge mate is gebleken dat appellant niet beschikt over eigenschappen, mentaliteit en instelling, welke vereist zijn voor het op een goede wijze vervullen van een functie bij de politie en de bezwaren van appellant tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard.

3.3 Appellant brengt daartegen de volgende grieven naar voren.

Het Gerecht meent ten onrechte dat appellant niet zou beschikken over eigenschappen, mentaliteit en instelling vereist voor op het goede wijze vervullen van de functie van politieambtenaar. Er is sprake van een eenmalig incident. Appellant persisteert in zijn onschuld. Niet is gebleken dat appellant voor de verdere uitvoering van zijn functie als ambtenaar van politie ongeschikt is. Een onderbouwing ontbreekt. De uitspraak van de strafrechter, die geen aanleiding heeft gezien om appellant uit zijn ambt te ontzetten, dient gerespecteerd te worden. Aan het schorsingsbesluit mag niet zonder meer voorbij worden gegaan.

3.4 De Raad overweegt als volgt.

3.4.1 Geïntimeerde heeft aan het ontslagbesluit ten grondslag gelegd dat appellant zich vermoedelijk aan een of meerdere ernstige plichtsverzuim opleverende gedragingen schuldig heeft gemaakt en door voormelde gedraging(en) niet over de juiste mentaliteit te beschikken en behept is met eigenschappen van karakter, geest en gemoed die niet stroken met het ambt van een ambtenaar van politie in het bijzonder en dat van een ambtenaar in het algemeen. Geïntimeerde meent voorts dat het in appellant gestelde vertrouwen in ernstige mate is geschaad. Geïntimeerde heeft hiertoe verwezen naar de voorlopige hechtenis van appellant van 7 mei 2009 tot en met 26 mei 2009 op verdenking van het buiten echt plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van vijftien jaren. Geïntimeerde heeft aan het ontslagbesluit voorts ten grondslag gelegd dat appellant zich reeds van 5 februari 2007 tot en met 8 februari 2007 in voorlopige hechtenis bevond op verdenking van overtreding van artikel 100 van het Wetboek van strafvordering van de Nederlandse Antillen. Deze inverzekeringstelling is geschied naar aanleiding van een aangifte door een vrouw ter zake van mishandeling, vernieling, bedreiging en belang en waarbij deze vrouw heeft verklaard meermalen te zijn gedwongen om een intieme relatie te hebben met appellant.

3.4.2 Van de mogelijkheid om zich te verweren tegen het voorgenomen ontslag heeft appellant geen gebruik gemaakt. De Raad stelt voorts vast dat appellant noch in zijn bij het Gerecht ingediende bezwaarschrift, noch in het bij de Raad ingediende beroep het tweede “incident” betreffende de verdenking van overtreding van artikel 100 Sr, zoals ten grondslag gelegd aan het ontslagbesluit, heeft betwist.

3.4.3 De Raad is in navolging van het Gerecht van oordeel dat, voor zover appellant het eerste “incident” heeft betwist, voldoende is komen vast te staan dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met iemand beneden de leeftijd van vijftien jaar. De Raad ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de feiten en omstandigheden zoals deze in de bewijsmiddelen zijn weergegeven en welke bewijsmiddelen deel uitmaken van de gedingstukken en zijn opgenomen in het voormelde bewijsmiddelenoverzicht. Geïntimeerde heeft hier in zijn contra-memorie nog aan toegevoegd dat door appellant pornografische emailberichten zijn gestuurd aan het minderjarige meisje en stelt dat het ongepaste contact met haar, alsmede de handelingen die hij verrichtte en zichtbaar waren op de bewakingscamera van het Renaissance Hotel, zich op geen enkele wijze laat verenigen met het functioneren van een goed ambtenaar van politie. Geïntimeerde heeft naar het oordeel van de Raad met juistheid gemeend dat appellant, die ten tijde van het incident 39 jaar oud was, onvoldoende verantwoordelijkheidsbesef heeft getoond en misbruik heeft gemaakt van het feit dat het meisje qua leeftijd en mentale weerbaarheid niet opgewassen was tegen zijn toenadering en ontoelaatbare bejegening.

3.4.4 De Raad is voorts van oordeel dat appellant, gelet op de in het ontslagbesluit vermelde feiten en omstandigheden en het karakter daarvan, niet over de voor zijn functie vereiste eigenschappen, mentaliteit en instelling beschikt. Geïntimeerdes conclusie dat appellant ongeschikt is voor zijn functie, anders dan wegens ziels- of lichaamsgebreken, berust dan ook op goede gronden. Derhalve was geïntimeerde bevoegd om appellant te ontslaan.

3.4.5 De Raad ziet geen gronden te oordelen dat geïntimeerde zijn ontslagbevoegdheid niet in redelijkheid heeft kunnen gebruiken of bij het gebruik van die bevoegdheid anderszins in strijd met het recht heeft gehandeld. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant de ernst van zijn misdraging(en) niet inziet en deze zelfs ontkent waarbij appellant in het geheel niet ingaat op de door het Gerecht aan de uitspraak ten grondslag gelegde bewijsmiddelenoverzicht. Mede gelet op het eerdere incident waarvoor appellant destijds eveneens in voorlopige hechtenis is genomen, is er bij geïntimeerde geen vertrouwen meer dat appellant de functie van politieambtenaar op adequate wijze zal kunnen vervullen.

3.4.6 Dat de strafrechter appellant niet uit zijn ambt heeft ontzet geeft de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen nu de toets van de ambtenarenrechter een andere is dan de toets van de strafrechter.

3.4.7 Appellant stelt voorts nog belang te hebben bij een beoordeling van zijn bezwaar gericht tegen het schorsingsbesluit van 29 maart 2010 in verband met het ten onrechte ingehouden salaris.

3.4.8 Het door appellant bestreden schorsingsbesluit ziet echter niet op de inhouding van het salaris. Uit de gedingstukken blijkt dat dit schorsingsbesluit is voorafgegaan door een besluit tot schorsing van 29 september 2009, waarbij tevens is bepaald dat ingevolge artikel 110, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit tijdens bedoelde schorsing een derde gedeelte van het inkomen van appellant zal worden ingehouden.

3.4.9 Tegen dit besluit van 29 september 2009 is door appellant echter geen bezwaar gemaakt. Nu het schorsingbesluit van 29 maart 2010 geen beslissing bevat over de inhouding van het salaris, kan de grief van appellant geen doel treffen. Nu niet is gesteld of gebleken van enig ander belang bij een beoordeling van het schorsingsbesluit van 29 maart 2010, heeft het Gerecht het daartegen door appellant gerichte bezwaar dan ook terecht niet- ontvankelijk verklaard.

3.5 Gelet hierop zal de Raad de uitspraak van het Gerecht bevestigen.

4. Beslissing

De Raad van Beroep:

- bevestigt de uitspraak van het Gerecht.

Aldus gegeven door mr. M.T. Boerlage, voorzitter, A. Ramirez en mr. S. Verheijen, leden, en door de voorzitter bekend gemaakt op 29 juni 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.