Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBANAA:2012:BW0478

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
28-02-2012
Datum publicatie
30-03-2012
Zaaknummer
RvBAz 2011/50108
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is beschikking waardoor appellant zijn aanstelling als waarnemend hoofd van de Dienst LVV is ingetrokken. De Raad overweegt dat de ruime mate van beleidsvrijheid van geïntimeerde onverlet laat dat de intrekking van de aanstelling dient te worden gemotiveerd. De Raad verklaart de beschikking nietig en draagt geïntimeerde op de bestreden beschikking alsnog te motiveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraakdatum: 28 februari 2012

zaaknummer: RvBAz 2011/50108

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

UITSPRAAK

in de zaak tussen:

[appellant],

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk klager,

thans appellant,

gemachtigde mr. Z.V.I. Lichtenberg

en:

DE REGERING van CURAÇAO,

als rechtsopvolger van het Bestuurscollege

van het eilandgebied Curaçao

zetelende te Curaçao,

oorspronkelijk verweerder,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. N.R. Romero.

Partijen worden hierna aangeduid als appellant en geïntimeerde.

1. Procesverloop

1.1 Bij beschikking van 14 juli 2010 heeft het Bestuurscollege als rechtsvoorganger van geïntimeerde het besluit van 19 oktober 2005, waarin appellant als waarnemend hoofd van de Dienst Landbouw Veeteelt en Visserij (hierna: de Dienst LVV) is aangesteld, ingetrokken (hierna: de bestreden beschikking).

1.2 Het daartegen gerichte bezwaar van appellant is gegrond verklaard door het Gerecht in Ambtenarenzaken (hierna: het Gerecht) bij uitspraak van 16 maart 2011.

1.3 Het daartegen gerichte hoger beroepschrift van 3 april 2011 is behandeld ter zitting van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (hierna: de Raad) op 7 februari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Geïntimeerde heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd.

1.4 De uitspraak is bepaald op heden.

2. Beoordeling

2.1 Het Gerecht heeft in haar uitspraak van 16 maart 2011 onder meer overwogen, dat nu een feitelijke onderbouwing van de bestreden beschikking ontbreekt dat, met inachtneming van een in deze te verrichten zeer terughoudende toetsing, sprake is van strijd met het motiveringsbeginsel. Het Gerecht heeft aanleiding gezien om met in achtneming van artikel 85 van de Rar de bestreden beschikking niet nietig te verklaren maar de aanstelling van appellant te beëindigen met ingang van 10 oktober 2010 en geïntimeerde op te dragen te betalen het bedrag groot de waarnemingstoelage van appellant gerekend met ingang van 14 juli 2010 tot 10 oktober 2010.

2.2 Appellant brengt de volgende grieven naar voren.

Het Gerecht heeft ten onrechte gemeend dat appellant, na diens onafgebroken en jarenlange waarneming van het hoofd van de dienst LVV ingaande op 14 juli 2010, slechts gedurende de resterende drie maanden zou waarnemen. Voorts was het beleid van geïntimeerde dat met ingang van 10 oktober 2010 slechts geleidelijk aan wijzigingen in het ambtenarenapparaat worden doorgevoerd. Iedere ambtenaar zou dezelfde werkzaamheden blijven verrichten na 9 oktober 2010. Appellant doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Zo zijn er meerdere waarnemend diensthoofden die sedert de invoering van de nieuwe staatkundige structuur van Curaçao, hun aanstelling tot waarnemend diensthoofd hebben behouden. Appellant meent voorts dat artikel 9 van het Sociaal Statuut van Curaçao is geschonden door zijn toelage met ingang van 10 oktober 2010 te beëindigen. Appellant stelt dat hij de waarnemingstoelage gedurende een dermate lange periode heeft genoten dat deze als onderdeel van zijn bezoldiging behoorde te worden beschouwd. Appellant had op doorbetaling tot aan zijn pensioen mogen vertrouwen en de verwachting mogen koesteren dat hij tot aan de bedoelde pensioendatum als waarnemend hoofd zou aanblijven.

2.3 De Raad overweegt als volgt.

2.3.1 Naar het oordeel van de Raad heeft het Gerecht terecht overwogen dat het opdragen en beëindigen van de waarneming van een functie ex artikel 26 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: Lma) een discretionaire bevoegdheid van geïntimeerde betreft, waarbij geïntimeerde een ruime mate van beleidsvrijheid heeft.

2.3.2 De Raad overweegt dienaangaande dat waarneming naar zijn aard een tijdelijk karakter heeft en dat niet is gebleken dat appellant er op mocht vertrouwen dat hij tot aan zijn pensioen als waarnemend hoofd kon aanblijven en uit dien hoofde een waarnemingsvergoeding zou ontvangen. Het Gerecht heeft hiertoe overwogen dat het Bestuurscollege (tot 10 oktober 2010) blijkens de beleidsnotitie “Vacaturebeheersing en indienstneming ECG maart 2008” het beleid voerde dat in vacante functies van diensthoofden geen diensthoofden werden benoemd, maar dat deze functies in plaats daarvan werden waargenomen door daarvoor in aanmerking komende ambtenaren dan wel op interim-basis werden ingevuld. Noch uit het gevoerde beleid, noch anderszins is gebleken dat appellant er op mocht vertrouwen als waarnemend hoofd van de dienst LVV aan te blijven tot aan zijn pensioen.

2.3.3 De Raad overweegt dat de ruime mate van beleidsvrijheid van geïntimeerde onverlet laat dat geïntimeerde de intrekking van de aanstelling van appellant als waarnemend hoofd van de dienst LVV dient te motiveren. Het Gerecht heeft terecht overwogen dat het ontbreken van deze motivering aanleiding geeft om het tegen de bestreden beschikking gemaakte bezwaar gegrond te verklaren.

2.3.4 Het Gerecht heeft de beschikking echter niet nietig verklaard, maar aanleiding gezien om op de voet van artikel 85 van de Rar de aangevallen beschikking te wijzigen door de datum van intrekking te bepalen op 10 oktober 2010. Appellant heeft betoogd dat, nu hij tot 10 oktober 2010 was aangesteld als waarnemend hoofd van de dienst LVV, het beleid van geïntimeerde, waaronder het beleid inzake (de uitleg van) artikel 9, vierde lid, van het Sociaal Statuut van Curaçao, zoals gehanteerd bij het bepalen van de rechtspositie van ambtenaren in verband met de overgang van het Land Nederlandse Antillen naar het land Curaçao, op hem van toepassing is. Voornoemd beleid zou er volgens appellant in elk geval toe moeten leiden dat hij nog een jaar na 10 oktober 2010 recht heeft op een waarnemingstoelage.

2.3.5 De Raad ziet in het vorenstaande aanleiding om de uitspraak van het Gerecht te vernietigen en overweegt hiertoe het volgende. Gelet op zijn ruime beleidsvrijheid in deze is het aan geïntimeerde om aan de bestreden beschikking een motivering ten grondslag te leggen. De feiten en omstandigheden en het door geïntimeerde gevoerde beleid zijn in het voorliggende geval niet zodanig duidelijk en concreet, dat het Gerecht op grond hiervan de bestreden beschikking heeft kunnen wijzigen door een nieuwe datum te bepalen. De Raad overweegt in dit verband dat de omstandigheid dat het Gerecht de intrekkingsdatum heeft bepaald op 10 oktober 2010 mogelijk verder strekkende gevolgen heeft voor de betrokken partijen dan het Gerecht heeft (kunnen) voorzien.

2.3.6 De Raad ziet in het vorenstaande aanleiding om de uitspraak van het Gerecht te vernietigen voor zover de bestreden beschikking is gewijzigd in dier voege dat de aanstelling van appellant als waarnemend hoofd van de Dienst LVV wordt beëindigd met ingang van 10 oktober 2010 en voor zover verweerder wordt veroordeeld om appellant te betalen het bedrag groot de waarnemingstoelage van appellant gerekend met ingang van 14 juli 2010 tot 10 oktober 2010.

2.4 De Raad zal doen hetgeen het Gerecht had behoren te doen en de bestreden beschikking nietig verklaren wegens een gebrekkige motivering. Het is aan geïntimeerde om de bestreden beschikking alsnog te motiveren waarbij geïntimeerde ook dient te motiveren of de rechtszekerheid van appellant aanleiding geeft om te voorzien in een afbouwregeling van de aan de waarneming verbonden toelage op de voet van artikel 26 van de Lma.

2.5 Er is aanleiding om appellant op zijn verzoek een schadevergoeding toe te kennen als tegemoetkoming in de door hem in de onderhavige procedure gemaakte kosten. Aansluitend bij het besluit proceskosten bestuursrecht zal de Raad die vergoeding vaststellen op Naf 2800,=, telkens een punt voor het bezwaarschrift en het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting van het Gerecht en van de Raad, waarde per punt Naf 700,=, wegingsfactor 1.

3. Beslissing

De Raad:

- vernietigt de uitspraak van het Gerecht van 16 maart 2011;

- vernietigt de bestreden beschikking van 14 juli 2010;

- veroordeelt het Land Curaçao tot het betalen van een schadevergoeding aan appellant ten bedrage van Naf. 2800,=.

Aldus gegeven door mr. M.T. Boerlage, voorzitter en mrs. J. Sybesma en S. Verheijen, leden, en door de voorzitter uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.