Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBANAA:2009:BK9368

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
21-10-2009
Datum publicatie
15-01-2010
Zaaknummer
RvBAz 2008/66
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betreft verzoek van politieambtenaren om hoger te worden ingeschaald. Raadt stelt vast dat appellanten allereerst met hun bezwaarschrift opkomen tegen de weigering van geïntimeerde om een beschikking te nemen. De Raad oordeelt dat de mogelijkheid van het instellen van een rechtsmiddel tegen de weigering om te beschikken primair een procedureel middel is dat kan worden ingezet om het bestuursorgaan te bewegen tot besluitvorming. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat een (ontvankelijk) bezwaarschrift ingediend door belanghebbende(n) tegen de fictieve weigering gegrond dient te worden verklaard waarbij het bestuursorgaan moet worden opgedragen om alsnog binnen een bepaalde termijn een beschikking af te geven. De Raad zal aan voorgaande overwegingen, mede vanwege proceseconomische redenen, (vooralsnog) geen consequenties verbinden nu het Gerecht na het verstrekken van de noodzakelijke informatie door geïntimeerde tot een volledige inhoudelijke behandeling is gekomen. De Raad wijst er echter op dat hij in toekomstige gevallen van een fictieve weigering toepassing zal geven aan het vorenoverwogene. De Raad bevestigt de uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak: 21 oktober 2009

Zaaknr: RvBAz 2008/66

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

Uitspraak

In de zaak van:

[13 ambtenaren]

wonende te Curaçao,

oorspronkelijk klagers, thans appellanten,

gemachtigde: mr. W.E. Fortin,

tegen:

DE GOUVERNEUR VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN

zetelend te Curaçao,

oorspronkelijk verweerder,

thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. F.B.M. Kunneman en N.D.S. Joubert.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Bij 37 landsbesluiten van 29 november 2006 zijn 37 collega’s van appellanten in de functie van medewerker mentor met terugwerkende kracht bevorderd van schaal 8p naar schaal 9p.

Bij bezwaarschrift van 23 januari 2008 zijn appellanten opgekomen tegen de fictieve weigering van verweerder om een beslissing te nemen op hun verzoek van 15 juni 2007. Dit verzoek strekte ertoe de 37 landsbesluiten van 29 november 2006 in te trekken, dan wel appellanten met ingang van 1 januari 2005 in te schalen in schaal 10p.

Bij uitspraak van 28 augustus 2008 heeft het Gerecht in ambtenarenzaken (hierna: het Gerecht) de bezwaren ongegrond verklaard.

Hiertegen is door appellanten tijdig hoger beroep ingesteld. Geïntimeerde heeft een contra-memorie ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de Raad op 9 september 2008. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Geïntimeerde heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. feiten

Appellanten zijn allen als ambtenaar werkzaam bij het Korps Politie Curacao of Korps Politie Sint Maarten. Zij vervullen de functies van teamleider of teambegeleider, functies waaraan schaal 9 met de rang van inspecteur is gekoppeld.

De teamleiders geven binnen het korps leiding aan wijkteams. Direct onder de teamleider fungeert de medewerker mentor, een schaal 8-functie, waaraan de rang van hoofdagent is verbonden.

3 beoordeling

Appellanten menen dat de hiërarchische verhoudingen binnen het korps zijn scheefgetrokken als gevolg van het besluit van geïntimeerde om de 37 medewerkers mentor met terugwerkende kracht te bevorderen naar schaal 9p. Met het verkrijgen van schaal 9p zijn deze 37 collega’s op hetzelfde schaalniveau als appellanten ingeschaald en appellanten soms zelfs in salaris voorbijgeschoten. Appellanten horen minstens een schaal hoger en met hoger salaris dan de genoemde 37 collega’s te zijn ingeschaald. Hiertoe hebben appellanten een verzoek ingediend.

De Raad stelt allereerst vast dat appellanten met hun bezwaarschrift zijn opgekomen tegen de weigering van geïntimeerde om een beschikking te nemen op hun verzoek.

Artikel 35, eerste lid, van de Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (hierna: de Rar) bepaalt -voor zover relevant- dat een bezwaarschrift kan worden ingediend tegen een weigering om te beschikken.

Artikel 41, eerste lid van de Rar bepaalt dat het bezwaarschrift tegen een weigering moet worden ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop de aangevallen weigering is uitgesproken. Het tweede lid bepaalt dat een orgaan wordt geacht de weigering tot het nemen van een beschikking of het verrichten van een handeling te hebben uitgesproken, indien het binnen de daarvoor bepaalde tijd of, waar een tijdsbepaling ontbreekt, binnen redelijke tijd een verplichte beschikking niet genomen of een verplichte handeling niet verricht heeft. In dit geval loopt de termijn van dertig dagen van de dag, waarop de weigering geacht wordt te zijn uitgesproken.

Uit de voornoemde wettelijke bepalingen volgt dat aan de weigering om een beschikking te nemen geen materiële gevolgen zijn verbonden. De weigering om te beschikken wordt in de Rar niet als een afwijzende beschikking, noch als een goedkeurende beschikking gekwalificeerd. Door de gelijkstelling van de weigering om te beschikken met het afgeven van een reële beschikking is het voor belanghebbende(n) mogelijk om hiertegen desgewenst rechtsmiddelen aan te wenden. De mogelijkheid van het instellen van een rechtsmiddel tegen de weigering om te beschikken is naar het oordeel van de Raad primair een procedureel middel dat kan worden ingezet om het bestuursorgaan te bewegen tot besluitvorming.

Gelet hierop is de Raad van oordeel dat een (ontvankelijk) bezwaarschrift ingediend door belanghebbende(n) tegen de fictieve weigering gegrond dient te worden verklaard waarbij het bestuursorgaan moet worden opgedragen om alsnog binnen een bepaalde termijn een beschikking af te geven.

De Raad zal aan voorgaande overwegingen, mede vanwege proceseconomische redenen, (vooralsnog) geen consequenties verbinden nu het Gerecht na het verstrekken van de noodzakelijke informatie door geïntimeerde tot een volledige inhoudelijke behandeling is gekomen. De Raad wijst er echter op dat hij in toekomstige gevallen van een fictieve weigering toepassing zal geven aan het vorenoverwogene.

De Raad overweegt als volgt.

Artikel 36, eerste lid, van de Rar bepaalt dat bevoegd is tot het indienen van een bezwaarschrift de ambtenaar, nagelaten betrekking of rechtverkrijgende, die door de aangevallen beschikkingen of de aangevallen handeling of weigering rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen.

Het beroep van appellanten, voor zover gericht tegen de weigering om de bevorderingsbesluiten van de medewerkers mentor in te trekken, dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Appellanten zijn immers geen belanghebbenden in de zin van artikel 36, eerste lid, van de Rar. De door appellanten in dit verband ingebrachte gronden behoeven dan ook geen nadere bespreking.

Appellanten menen voorts dat verhoging van hun salaris leidt tot de noodzakelijke hiërarchische verhouding tussen appellanten en de medewerkers mentor. Volgens het bezoldigingsbeleid horen appellanten als leidinggevenden immers hoger te worden gesalarieerd te zijn. Appellanten benadrukken in dit verband dat het Korps een op functiewaardering gebaseerde rangenorganisatie betreft.

Het Gerecht heeft terecht geoordeeld dat uit artikel 1 onder 2 sub a van de Regeling Ambts- en geweldsinstructie KPNA volgt dat de teamleider de meerdere is van de medewerker mentor. Uit het bepaalde volgt immers dat allereerst de functie bepaalt wie als meerdere wordt gekwalificeerd. Als op basis van functies geen meerdere kan worden aangewezen, is vervolgens de rang of zijn dienstjaren bepalend voor de vraag wie als meerdere heeft te gelden. De salariëring speelt hierbij in beginsel geen rol. De door appellanten overgelegde brief van een directeur personeel en organisatie, gericht aan de Minister van Financiën, waarin is vermeld dat een toelage is toegekend aan een referendaris bij de Inspectie der Belastingen, teneinde verantwoordelijkheid van deze referendaris ten opzichte van zijn ondergeschikten te benadrukken, maakt dit niet anders.

De hogere inschaling van de medewerkers mentor leidt soms tot problemen omdat zij hieraan de status van inspecteur ontlenen in de vorm van inspecteursonderscheidingstekens en door het weigeren van opdrachten als ze deze niet passend achten voor een inspecteur. Wat hier ook van zij, de Raad is van oordeel dat voor deze handelwijze van de desbetreffende medewerker(s) mentor, de wet- en regelgeving ander instrumentarium biedt om hier, indien noodzakelijk, maatregelen tegen te treffen. Deze klacht van appellanten treft in het kader van het voorliggende geschil dan ook evenmin doel.

Op grond van vorenstaande dient de bestreden uitspraak te worden bevestigd.

4. Beslissing

De Raad van Beroep:

- bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gegeven door mr. M.T. Boerlage, voorzitter, en mrs. F.G.P.M. Spreuwenberg en F.J.P. Lock, leden en door de voorzitter uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.