Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBANAA:2009:BK1327

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
17-03-2009
Datum publicatie
28-10-2009
Zaaknummer
RvBAz 2008/43
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Secretaris van de ministerraad was toegang tot fort Amsterdam ontzegd omdat de minister-president, die hij uit hoofde van zijn functie moest bij staan, het vertrouwen in hem had verloren. Raad was van oordeel dat die vertrouwensbreuk niet onbegrijpelijk was, zodat voldoende grond was om die maatregel op te leggen, mede omdat appellant geen gehoor had gegeven aan verzoeken om niet meer op het werk te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 17 maart 2009

Zaaknr: RvBAz 2008/43

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

Uitspraak

In de zaak van:

[ambtenaar]

wonende te Curaçao,

oorspronkelijk klager, thans appellant,

gemachtigde: mr. A.C. Small,

tegen:

DE MIINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN

oorspronkelijk verweerder,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. M.R.B. Gorsira.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Op 3 augustus 2007 heeft appellant een bezwaarschrift ingediend bij het Gerecht in Ambtenarenzaken (verder te noemen het Gerecht) tegen de brieven van geïntimeerde van 5 juli 2007, 25 juli 2007 en 26 juli 2007.

Bij uitspraak van 24 juni 2008 heeft het Gerecht het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Hiertegen is namens appellant hoger beroep ingesteld bij schrijven, ter griffie ingekomen op 7 juli 2008. De gronden van het beroep zijn nader aangevuld bij schrijven van 20 augustus 2008. Geïntimeerde heeft een contra-memorie ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de Raad op Curaçao op 3 februari 2009, waar appellant is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigden. Geïntimeerde heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. Beoordeling.

Ingevolge het eerste lid van artikel 48 van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA) kan aan de ambtenaar door of namens de betrokken Minister of het betreffende bestuurscollege de toegang tot de dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, worden ontzegd.

De feiten zijn door het Gerecht uitgebreid weergegeven in de bestreden uitspraak en het daaraan voorafgaande bevel van 2 april 2008. De Raad memoreert hier slechts het hoogst noodzakelijke:

Bij brief van 5 juli 2007 heeft geïntimeerde appellant, secretaris van de ministerraad, medegedeeld dat de hem mondeling aangezegde toegangsontzegging was verlengd tot de (nog vast te stellen) datum van een gesprek in de laatste week van juli.

Bij brief van 20 juli 2007 heeft appellant geïntimeerde onder meer verzocht om de aan hem opgelegde ordemaatregelen ex artikel 48, eerste lid, LMA en de verlenging daarvan, althans de daaronder als “schorsing” vernoemde verlenging, onmiddellijk in te trekken. Daarnaast heeft hij verzocht terstond te worden toegelaten in de effectieve, vrije en onbelemmerde uitoefening van zijn functie van secretaris van de Raad van Ministers.

Bij brief van 25 juli 2007 heeft geïntimeerde appellant medegedeeld dat zij voornemens is hem een andere passende functie aan te bieden, omdat er sprake is van een vertrouwensbreuk. Geïntimeerde geeft daarbij aan dat van een schorsing van appellant geen sprake is maar dat aan hem wel de toegang is ontzegd. De voortgaande aanwezigheid op de werkplek van appellant is met het bestaan van een vertrouwensbreuk in de functie van appellant niet te verenigen.

Bij brief van 26 juli 2007 heeft geïntimeerde appellant medegedeeld dat zijn toegang tot de website gov.an is afgesloten.

Niet in geschil is dat op 30 juli 2007 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen appellant, de minister-president en enige anderen. Geïntimeerde stelt terecht dat daarmee het in de brief van 5 juli 2007 voor de laatste week van juli aangekondigde gesprek heeft plaatsgevonden. Er is evenwel geen grond voor het oordeel dat daarmee de toegangsontzegging van appellant en daarmee zijn belang bij het voeren van deze procedure, is komen te vervallen. De brief van 25 juli 2007 kan gelet op de daarin gebezigde bewoordingen, bezwaarlijk anders worden gezien dan als mededeling dat de toegangsontzegging wordt gehandhaafd omdat er sprake is van een vertrouwensbreuk. Die vertrouwensbreuk is met het gesprek van 30 juli 2007 niet hersteld.

Voorts is niet in geschil dat appellant inmiddels sedert eind oktober 2008 werkzaamheden verricht als interimmanager ontmanteling en verzelfstandiging van de griffie van de staten. Ook daarmee is het belang van appellant bij beoordeling van het beroep naar het oordeel van de Raad niet komen te vervallen.

De in het eerste lid van artikel 48 LMA neergelegde bevoegdheid is ruim geformuleerd. Geïntimeerde is bij toepassing daarvan gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het verbod op willekeur.

Het betoog van appellant komt er in de kern op neer dat er wat hem betreft geen sprake is van een vertrouwensbreuk en, mocht die er toch zijn, dat hij daaraan geen schuld heeft. Ten onrechte gaat geïntimeerde ervan uit dat die er wel is en wordt deze in de eerste plaats geweten aan appellants gedrag ten aanzien van zijn collega mevrouw [R.]. Deze kwestie is echter al op 21 september 2006 met haar uitgesproken waarbij hij haar zijn excuses heeft aangeboden, in bijzijn van de minister-president. Ook het tweede verwijt wat hem wordt gemaakt en dat betrekking heeft op zijn optreden bij het toekennen van een toelage aan de leden van de Commissie ontmanteling land de Nederlandse Antillen (COLNA) is volgens hem ongegrond. Hij heeft bij het voorleggen van het voorstel die toelage toe te kennen de juiste procedure bewandeld en niet zijn bedoelingen verhuld. Het voorstel hem en andere leden van die commissie een toelage toe te kennen is in de ministerraadsvergadering van 7 maart 2007 besproken en aangenomen. De vergadering heeft besloten de toelage toe te kennen, zonder een ingangsdatum vast te stellen. Appellant heeft dit besluit vervolgens correct in de notulen van de vergadering weergegeven, die in de vergadering van de week daarop zijn goedgekeurd. Hij heeft vervolgens op eigen initiatief verzocht Landsbesluiten op te stellen met de ingangsdatum 14 juli 2006. Met het voorstellen van die ingangsdatum heeft hij het door de directie Personeel en Organisatie gevoerde beleid gevolgd, op grond waarvan de instellingsdatum van een commissie bij het toekennen van toelagen als ingangsdatum wordt aangehouden. De Landsbesluiten zijn vervolgens in verband met zijn afwezigheid wegens vakantie niet door hem maar door een assistente naar de Minister-President gebracht die die op 16 maart 2007 heeft ondertekend. Appellant erkent dat het wellicht correcter zou zijn geweest als hij daarbij een memo zou hebben gevoegd met een uitleg met betrekking tot de keuze voor de ingangsdatum van de toelage. Het is echter niet zijn bedoeling geweest om de Minister-president te misleiden of haar informatie te onthouden. Hij heeft vervolgens contact opgenomen met de financiële afdeling om er zorg voor te dragen dat de toelages, waaronder die van hemzelf, zo snel mogelijk werden uitgekeerd.

De door appellant vervulde functie van secretaris van de Ministerraad is een sleutel- en vertrouwensfunctie. De secretaris ondersteunt de Raad, waaronder de Minister-president, bij het nemen van beslissingen, waarvan sommige politiek uiterst gevoelig liggen. De leden van de Raad en de Minister-president moeten daarom een onbegrensd vertrouwen in de secretaris hebben. Aannemelijk is dat het vertrouwen van de Minister president in appellant is beschadigd doordat hij haar er niet over heeft geïnformeerd dat hij, zonder haar daar voorafgaand in te kennen, in een aantal Landsbesluiten een in het verleden gelegen ingangsdatum had laten opnemen en er bovendien voor heeft zorg gedragen dat die toelagen na ondertekening snel werden uitbetaald. Dat niet is gebleken dat hierbij van de zijde van appellant sprake was van kwade trouw terwijl zijn stelling dat de ingangsdatum van de toelagen in overeenstemming is met het gevoerde beleid niet afdoende door geïntimeerde is bestreden, maakt niet dat de minister president zich daar niet op kan beroepen. Doorslaggevend is naar het oordeel van de Raad dat het bij haar is komen te ontbreken aan het noodzakelijke vertrouwen in appellant en niet onbegrijpelijk is, dat de vorenomschreven gedragingen van appellant bij de minister president een breuk in het vertrouwen in de secretaris hebben veroorzaakt.

In dat licht is besloten appellant andere werkzaamheden op te dragen. Die beslissing is in deze zaak niet aan de orde. De Raad dient slechts de vraag te beantwoorden of geïntimeerde heeft kunnen besluiten appellant de toegang tot de werkplek te ontzeggen. Die toegangsontzegging heeft het karakter van een voorlopige ordemaatregel. Naar het oordeel van de Raad was er gelet op de vertrouwensbreuk tussen de Minister president en appellant, voldoende grond voor de beslissing die maatregel te nemen, waarbij mede van belang is dat in eerste instantie aan appellant is verzocht niet meer op het werk te verschijnen, doch dat hij aan die verzoeken geen gehoor heeft gegeven.

De uitspraak van het Gerecht moet daarom worden bevestigd.

3. Beslissing

De Raad van Beroep:

- bevestigt de bestreden uitspraak

Aldus gegeven door mr. J.Th. Drop, voorzitter en A.R. Ramirez en mr. F.G.P.M. Spreuwenberg, leden, en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.