Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBANAA:2009:BJ8769

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
17-03-2009
Datum publicatie
29-09-2009
Zaaknummer
RvBAz 2008/52
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant stelt dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat maatregel om ambtenaar voor 1 jaar terug te zetten in rang in strijd met het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel is opgelegd. De vraag of er sprake is van schending van een of meer beginselen van behoorlijk bestuur behoeft door Gerecht en Raad eerst te worden beoordeeld indien de belanghebbende daarop een uitdrukkelijk beroep doet. Deze vormen geen voorwerp van ambtshalve toetsing. Termijn van 1 jaar is ruimschoots overschreden en Raad bevestigt de bestreden uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 17 maart 2009

Zaaknr: RvBAz 2008/52

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

Uitspraak

In de zaak van:

DE GOUVERNEUR VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN

zetelend te Curaçao,

oorspronkelijk verweerder, thans appellant,

gemachtigde: mr. Z.V.I. Peney-Isenia,

tegen:

[ambtenaar]

wonend te Curaçao,

oorspronkelijk klager,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. M.H. Römer.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Op 27 december 2007 heeft geïntimeerde een bezwaarschrift ingediend bij het gerecht in ambtenarenzaken (verder te noemen het Gerecht) tegen het Landsbesluit van 30 oktober 2007, no. 10. Bij uitspraak van 1 juli 2008 heeft het Gerecht dit besluit vernietigd.

Hiertegen is namens appellant hoger beroep ingesteld bij schrijven, ter griffie ingekomen op 30 juli 2008. Geïntimeerde heeft een contramemorie ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de Raad op 3 februari 2009, waar appellant is verschenen bij gemachtigde. Geïntimeerde heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. Feiten.

Geïntimeerde is bij het in bezwaar bestreden Landsbesluit met ingang van de datum van dagtekening van dat besluit voor de periode van één jaar teruggezet in naastlagere rang met vermindering van de tot bezoldiging tot aan de aan deze naastlagere rang verbonden bezoldiging.

Appellant legt aan deze sanctie ten grondslag dat geïntimeerde plichtsverzuim heeft gepleegd door:

- op 19 en 20 oktober 2005 zonder opgave niet op het werk te komen;

- het niet overleggen van een medische verklaring ter staving van zijn arbeidsongeschiktheid op die twee dagen;

- het na twee maanden (vanaf juli 2005) niet langer deelnemen aan een “afkick”-programma in verband met alcoholverslaving.

Appellant stelt dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat deze maatregel in strijd met het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel is opgelegd. Het Gerecht heeft daarbij ten onrechte gewicht toegekend aan het feit dat deze sanctie eerst twee jaar nadat de daaraan ten grondslag liggende feiten zich hadden voorgedaan aan geïntimeerde bekend is gemaakt.

Appellant wijst er daarbij op dat de door het Gerecht gehanteerde termijn van drie maanden niet haalbaar is, nu bij het totstandkomen van een sanctiebesluit een aantal instanties moet worden doorlopen. Na constatering van ongeoorloofd gedrag dient een rapport te worden ingediend bij de chef van het wijkteam. Het afdelingshoofd dient dit, voorzien van zijn opmerkingen, voor te leggen aan het bureau interne zaken, dat het gedrag moet onderzoeken. De korpschef geeft op basis van dit onderzoek zijn visie aan de Minister van Justitie. Vervolgens dient het voornemen tot het opleggen van de disciplinaire maatregel te worden opgemaakt, waarbij de Minister, de Korpschef, het Bureau Juridische zaken en het Bureau interne zaken zijn betrokken.

Het Gerecht en de Raad behoeven de vraag of er sprake is van schending van een of meer beginselen van behoorlijk bestuur naar het oordeel van de Raad eerst te beantwoorden indien de belanghebbende daarop een uitdrukkelijk beroep heeft gedaan. De vraag of die beginselen zijn gerespecteerd vormt mitsdien geen voorwerp van ambtshalve toetsing.

Het rechtszekerheidsbeginsel verzet zich ertegen dat al te lang wordt gedraald met oplegging van een sanctie wegens plichtsverzuim. Mede gelet op hetgeen door geïntimeerde is aangevoerd acht de Raad de door het Gerecht gestelde termijn van drie maanden te kort waar het gaat om sanctie-oplegging binnen een hiërarchische organisatie als de politie, waar de rapportage over het plichtsverzuim alsmede het voorstel terzake daarvan een sanctie op te leggen, over meerdere schijven moet worden geleid. Het antwoord op de vraag welke termijn in een dergelijke organisatie nog als redelijk heeft te gelden hangt af van de omstandigheden van het geval en de ingewikkeldheid van de zaak. In het algemeen zal een termijn langer dan één jaar na het aan het licht komen van het plichtsverzuim naar het oordeel van de Raad niet meer aanvaardbaar zijn. De ambtenaar mag immers niet te lang in onzekerheid worden gelaten, terwijl hij bovendien in zijn verdediging kan worden geschaad, indien hij pas lange tijd na het plegen van een plichtsverzuim in kennis wordt gesteld van het voornemen hem op grond daarvan een sanctie op te leggen. Onder omstandigheden kan overigens ook een beslistermijn van enkele maanden meer nog aanvaardbaar zijn mits binnen de termijn van één jaar na het aan het licht komen van het plichtsverzuim het voornemen tot strafoplegging aan de betrokken ambtenaar is kenbaar gemaakt. Na bekendmaking van het voornemen is de ambtenaar immers duidelijk wat er staat te gebeuren en kan hij zijn verdediging voorbereiden.

Gebleken is dat de bedrijfsmaatschappelijk werkster op 11 augustus 2005 over het afbreken van de behandeling door geïntimeerde heeft gerapporteerd. Bij rapport van 22 november 2005 is over zijn ongeoorloofde afwezigheid gerapporteerd door de chef van het wijkteam aan de chef van het korps. Bij brief van 8 juni 2007 is hij in kennis gesteld van het voornemen hem een disciplinaire maatregel op te leggen wat uiteindelijk bij het in bezwaar bestreden landsbesluit van 27 december 2007 is gebeurd. Daarmee is bovenvermelde termijn van één jaar ruimschoots overschreden, terwijl niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan een langere termijn gehanteerd zou moeten worden. Onder meer is niet aannemelijk geworden dat er sprake was van een ingewikkeld geval dat veel en langdurig onderzoek vergde.

De bestreden uitspraak moet gelet op het vorenstaande in stand worden gelaten.

3. Beslissing

De Raad van Beroep:

- bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.Th. Drop, voorzitter en A.R. Ramirez en mr. F.G.P.M. Spreuwenberg, leden, en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.