Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBANAA:2008:BK3004

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
02-06-2008
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
RvBAz 2007/64
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Volgens de Raad is er geen sprake van plichtsverzuim in het geval waarin personeelsfunctionaris wellicht wat lichtzinnig had aangenomen dat zij de voor haar op medische gronden vastgestelde werktijd van 50% langer kon behouden. Niet is gebleken dat haar is medegedeeld dat zij weer volledig arbeidsgeschikt was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 2 juni 2008

Zaaknr. RvBAz 2007/64

RAAD VAN BEROEP IN AMBTENARENZAKEN

Uitspraak

In de zaak van:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA

zetelend te Aruba

oorspronkelijk verweerder,

thans appellant,

gemachtigde: mr. V.M. Emerencia,

tegen:

[ambtenaar]

wonend te Aruba,

oorspronkelijk klaagster,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. D.G. Kock.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Bij een op 16 mei 2007 bij het Gerecht in Ambtenarenzaken (het Gerecht) ingekomen bezwaarschrift heeft geïntimeerde bezwaar gemaakt tegen het Landsbesluit van 18 april 2007 met nummer 1 en kenmerk DPO/769-geh, waarbij aan haar de disciplinaire straf van ontslag is opgelegd met ingang van vijf dagen na dagtekening van dit besluit. Subsidiair is haar ontslag wegens ongeschiktheid anders dan door ziekten of gebreken opgelegd.

1.2 Het Gerecht heeft het bezwaar gegrond verklaard bij uitspraak van 19 september 2007.

1.3 Hiertegen is door appellant beroep ingesteld bij beroepschrift ingekomen ter griffie van het Gerecht op 4 oktober 2007.

1.4 Het beroep is behandeld ter zitting van de Raad in Aruba van 22 april 2008. Appellant is verschenen bij gemachtigde. Geïntimeerde is verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde.

2. Feiten.

Naar het oordeel van de Raad heeft het Gerecht de feiten juist vastgesteld. De Raad verwijst naar de bestreden uitspraak voor de weergave daarvan.

3. Overwegingen.

Door appellant is aangevoerd dat geïntimeerde er zonder uitdrukkelijke beslissing van de Bedrijfs Geneeskundige Dienst (BGD) niet vanuit mocht gaan dat zij ook na 13 juni 2003 nog voor 50% arbeidsongeschikt was. Het Gerecht heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat er geen sprake was van plichtsverzuim. Daarbij wijst appellant er nog op dat geïntimeerde werkzaam was als personeelsfunctionaris en uit dien hoofde goed op de hoogte van de regels met betrekking tot ziekteverzuim.

Vaststaat dat geïntimeerde in de periode na 13 juni 2003 tot medio 2006 elk half jaar een brief van haar internist aan de BGD heeft overgelegd waarin deze de BGD verzocht om haar voor de daaropvolgende zes maanden aangepaste werktijden te gunnen. Enige reactie hierop van de zijde van de BGD is uitgebleven, terwijl eerdere brieven van dezelfde strekking steeds, vanaf september 1999, hadden geleid tot de beslissing dat zij voor 50% arbeidsongeschikt was, vaak zonder dat zij door haar behandelend arts was onderzocht. Het afgeven van de brief aan diens secretaresse was in het algemeen voldoende, aldus de niet weersproken verklaring van geïntimeerde. Evenmin is gebleken dat de BGD geïntimeerde of de directie waar zij werkzaam was na 13 juni 2003 heeft bericht dat zij weer geheel arbeidsgeschikt was.

De vraag is derhalve of aan geïntimeerde, uitsluitend op grond van de gebeurtenissen zoals die zich hebben voorgedaan rond genoemde datum, kan worden verweten dat zij er vanuit is gegaan dat zij nog gedeeltelijk arbeidsongeschikt is en slechts voor 50% heeft gewerkt. Het Gerecht heeft die vraag terecht ontkennend beantwoord. Weliswaar had geïntimeerde bekend moeten zijn dat de beslissing dat een ambtenaar (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is door de BGD moet worden vermeld op een daarvoor bestemd kaartje doch het feit dat dit niet is gebeurd maakt in dit geval niet dat geïntimeerde plichtsverzuim kan worden verweten. Appellante had immers kort tevoren een brief van 22 mei 2003 van haar behandelend internist aan de BGD overgelegd waarin deze verzocht haar voor de komende zes maanden aangepaste werktijden te gunnen.

Uit de mededelingen van de BGD blijkt voorts dat geïntimeerde vervolgens op 2 juni 2003 bij de BGD is verschenen en aldaar niet te woord kon worden gestaan door haar behandelend arts, die afwezig was. Appellante heeft vervolgens een afspraak kaart meegekregen met de vermelding dat zij op 13 juni 2003 moest terugkomen en dat zij tot die datum voor 50% arbeidsongeschikt was. De stelling van appellante dat zij nadien enige keren met de BGD heeft gebeld en geen contact heeft kunnen krijgen met haar behandelend arts is onweersproken.

Gelet op het vorenstaande kan slechts worden geoordeeld dat geïntimeerde, hoewel personeelsfunctionaris, wellicht wat lichtzinnig heeft aangenomen dat zij haar aangepaste werktijden kon behouden maar niet dat er sprake is van plichtsverzuim, te minder nu zij halfjaarlijks, tot medio 2006, brieven van haar internist bij de BGD heeft ingediend waarin telkens werd verzocht haar op grond van haar medische toestand aangepaste werktijden te gunnen. Enige reactie daarop van de zijde van de BGD is niet aannemelijk geworden. Aangevoerd is voorts nog dat op 15 december 2004 een controle-onderzoek door de behandelend arts is verricht en dat hierbij niet is gebleken van afwijkingen. Niet is echter gebleken dat naar aanleiding hiervan aan appellante is medegedeeld dat zij weer volledig arbeidsgeschikt was.

In het licht van het vorenstaande heeft het Gerecht voorts terecht geoordeeld dat niet aannemelijk is dat geïntimeerde heeft gepoogd de directeur van de directie waar zij werkzaam was actief te misleiden door op 20 juni 2005 schriftelijk mede te delen dat zij tot herbeoordeling door de BGD in augustus nog voor halve dagen werkzaam was. Het Gerecht heeft terecht geoordeeld dat er geen sprake is van plichtsverzuim en dat er dus ook geen grond aanwezig was voor strafontslag.

Het betoog dat geïntimeerde op grond van het vorenstaande in elk geval ongeschikt moet worden geacht voor het vervullen van haar functie, zodat zij op die grond kan worden ontslagen, faalt. Nu, zoals uit het vorenoverwogene volgt, van plichtsverzuim geen sprake is kan appellant zich niet in redelijkheid op het standpunt stellen dat het noodzakelijke vertrouwen in geïntimeerde is verdwenen. De in dit verband voorgedragen stelling dat van geïntimeerde had mogen worden verwacht dat zij actief zou onderzoeken of zij daadwerkelijk arbeidsongeschikt was en dat van haar mocht worden verwacht dat zij ervan op de hoogte was dat zij niet jarenlang gedeeltelijk arbeidsongeschikt kon zijn zonder korting op haar salaris, faalt gelet op al het vorenstaande.

De conclusie is dat de uitspraak van het Gerecht moet worden bevestigd.

De Raad zal aan geïntimeerde een schadevergoeding toekennen in verband met de door haar in deze instantie gemaakte proceskosten van AWG 1500,=.

4. Beslissing

De Raad van Beroep:

- bevestigt de bestreden uitspraak;

- bepaalt dat appellant aan geïntimeerde zal betalen een bedrag van AWG 1500,= (vijftienhonderd Arubaanse guldens) en beveelt appellant dit bedrag aan geïntimeerde te voldoen.

Aldus gegeven door mr. J.Th. Drop, voorzitter, mr. E.M.D. Angela en mr. J. Sybesma, leden, en uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.