Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBANAA:2008:BK2991

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
21-10-2008
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
RvBAz 2007/14
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Artikel 96 La biedt slechts grondslag voor de bevoegdheid om bij het niet uitvoeren van een uitspraak schadevergoeding vast te stellen met terzijdestelling van die uitspraak. Dit artikel geeft de rechter niet de bevoegdheid om bij te late uitvoering een schadevergoeding op te leggen of een als vooraf bepaalde schadevergoeding aan te merken dwangsom, om uitvoering af te dwingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 21 oktober 2008

Zaaknr. RvBAz 2007/14

RAAD VAN BEROEP IN AMBTENARENZAKEN

Uitspraak

In de zaak van:

DE MINISTER VAN FINANCIËN EN ECONOMISCHE ZAKEN

zetelend te Aruba

oorspronkelijk verweerder,

thans appellant,

gemachtigde mr. V.M. Emerencia,

tegen:

[ambtenaar]

wonend te Aruba,

oorspronkelijk klaagster,

thans geïntimeerde,

procederend in persoon.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Bij een op 19 januari 2007 bij het Gerecht in Ambtenarenzaken (het Gerecht) ingekomen bezwaarschrift heeft geïntimeerde bezwaar gemaakt tegen de weigering gevolg te geven aan de uitspraak van het Gerecht van 11 oktober 2006.

1.2 Het Gerecht heeft het bezwaar gegrond verklaard bij uitspraak van 7 februari 2007.

1.3 Hiertegen is door appellant beroep ingesteld bij beroepschrift ingekomen ter griffie van het Gerecht op 8 maart 2007. Geïntimeerde heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 Het beroep is behandeld ter zitting van de Raad in Aruba van 9 september 2008. Appellant is verschenen bij gemachtigde. Geïntimeerde is verschenen in persoon.

2. Feiten.

Appellant heeft het verzoek van geïntimeerde om haar voor te dragen voor bevordering met ingang van 1 september 1999 tot commies eerste klasse (schaal 9), afgewezen bij beschikking van 9 mei 2005. Geïntimeerde heeft bij het Gerecht bezwaar gemaakt tegen deze beschikking.

Hangende de bezwaarprocedure is geïntimeerde bij besluit van 24 mei 2006 bevorderd:

- met ingang van 1 oktober 2001 tot commies eerste klasse (schaal 9);

- met ingang van 1 oktober 2003 tot hoofdcommies (schaal 10). Tegen deze beschikking heeft geïntimeerde eveneens bij het Gerecht bezwaar gemaakt, welk bezwaarschrift op 24 januari 2007 is ingetrokken.

Bij uitspraak van 11 oktober 2006 op het eerste bezwaarschrift heeft het Gerecht vastgesteld dat door de bevordering van geïntimeerde bij het besluit van 24 mei 2006, grotendeels aan het bezwaar tegemoet was gekomen. Het Gerecht achtte dat besluit voor wat betreft de ingangsdatum niet voldoende gemotiveerd, heeft dit besluit op die grond vernietigd en heeft appellant opgedragen binnen drie maanden een nieuwe beschikking te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak is geen beroep ingesteld. Geïntimeerde heeft er bij het onder 1.1. genoemde bezwaarschrift over geklaagd dat appellant binnen de door het Gerecht gestelde termijn geen gevolg heeft gegeven aan deze veroordeling.

Bij de bestreden uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar gegrond verklaard voorzover daarin wordt geklaagd dat de Minister zijn veroordeling bij uitspraak van 11 oktober 2006 niet is nagekomen en heeft appellant veroordeeld tot betaling van een bedrag van Afl. 50,= per maand of gedeelte van een maand, met ingang van 11 januari 2007 en tot de dag waarop de beslissing, die hij ingevolge de uitspraak van 11 oktober 2006 moet nemen, aan geïntimeerde zal worden medegedeeld.

Bij Landsbesluiten van 19 mei 2008 met respectievelijk de nummers 14, 15 en 16 is geïntimeerde bevorderd:

- met ingang van 1 november 1993 tot commies (schaal 8);

- met ingang van 1 november 1995 tot commies eerste klasse (schaal 9);

- met ingang van 1 november 1997 tot hoofdcommies (schaal 10).

3. Beoordeling

Ingevolge artikel 96, eerste lid van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La), is de ambtenaar bevoegd een bezwaarschrift in te dienen indien aan een veroordeling, in zover zij niet op geld luidt, niet of niet volledig gevolg wordt gegeven.

Ingevolge het derde lid van dit artikel veroordeelt het gerecht, indien het bezwaar gegrond moet worden bevonden, het betrokken lichaam tot vergoeding en stelt, met inachtneming van alle omstandigheden, het bedrag der schadevergoeding bij de beslissing vast.

Met de Landsbesluiten van 19 mei 2008 is appellant geheel tegemoetgekomen aan de verzoeken van geïntimeerde en is voldaan aan de uitspraak van het Gerecht van 11 oktober 2006. In zoverre heeft appellant geen belang meer bij beoordeling van het beroep.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad (onder andere RvBAz 2006/73, 20 september 2007) biedt artikel 96 van de La slechts grondslag voor de bevoegdheid om bij het niet uitvoeren van een uitspraak schadevergoeding vast te stellen met terzijdestelling van de uitspraak. Dit artikel geeft de rechter niet de bevoegdheid om bij te late uitvoering van de uitspraak een schadevergoeding op te leggen of een als vooraf bepaalde schadevergoeding aan te merken dwangsom, om uitvoering af te dwingen.

Hoewel appellant de uitspraak van 11 oktober 2006 inmiddels geheel is nagekomen heeft hij zijn belang bij beoordeling van de bestreden uitspraak niet verloren nu zijn beroep zich mede richt tegen de beslissing van het Gerecht om appellant een dwangsom op te leggen van Naf. 50,= voor elke maand met ingang van 1 januari 2007 tot de dag waarop aan de uitspraak van het Gerecht van 11 oktober 2006 is voldaan. Het Gerecht kwam die bevoegdheid gelet op het vorenstaande niet toe en de Raad zal daarom de in beroep bestreden uitspraak vernietigen. Voor het nemen van een beslissing over door geïntimeerde geleden vertragingschade biedt deze procedure geen plaats. Zij kan een verzoek om vergoeding daarvan richten aan appellant.

4. Beslissing

De Raad van Beroep:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.Th. Drop, voorzitter, mr. E. Angela en mr. L.J. de Kerpel-van de Poel, leden, en uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.