Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBANAA:2008:BK2817

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
02-06-2008
Datum publicatie
10-11-2009
Zaaknummer
RvBAz 2007/42
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad oordeelt naar aanleiding van het betoog van de Minister van Algemene zaken van Aruba, dat het beleid wordt gevoerd dat de 25% toelage aan onder meer diensthoofden kan worden toegekend, maar alleen zo lang zij die functie formeel en actief bekleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 2 juni 2008

Zaaknr: RvBAz 2007/42

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

Uitspraak

In de zaak van:

[ambtenaar]

wonende te Aruba,

oorspronkelijk klager, thans appellant,

gemachtigde: mr. D.G. Kock,

tegen:

DE MINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN

zetelend te Aruba,

oorspronkelijk verweerder,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. V.M. Emerencia

1. Ontstaan en loop van het geding.

Op 18 januari 2007 heeft appellant een bezwaarschrift ingediend bij het gerecht in ambtenarenzaken (verder te noemen het Gerecht) tegen het schrijven van geïntimeerde van 19 december 2006. Bij uitspraak van 11 juni 2007 heeft het Gerecht het bezwaar ongegrond verklaard.

Hiertegen is namens appellant hoger beroep ingesteld bij schrijven, ter griffie ingekomen op 10 juli 2007. Geïntimeerde heeft een contra-memorie ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de Raad in Aruba op 21 april 2008, waar appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Geïntimeerde heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. Feiten.

In zijn brief van 19 december 2006 heeft geïntimeerde aan appellant medegedeeld dat de Ministerraad op 31 oktober 2006 heeft besloten hem per 1 november 2006 op de payroll van het land te plaatsen en hem aan te merken als non actieve ambtenaar.

Voorts is hem medegedeeld dat de ministerraad heeft besloten om de door hem genoten 25%-toelage te beëindigen. De 25% toelage zal ingaande drie maanden na dagtekening van het landbesluit, regelende de intrekking van de 25% toelage, ingetrokken worden.

Bij Landsbesluit van 23 februari 2007, waarvan eerst in de beroepsfase gewag is gemaakt, is de toelage van appellant ingetrokken.

3 Overwegingen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La), voorzover hier van belang, oordeelt het Gerecht bij uitsluiting over de beschikkingen ten aanzien van ambtenaren als zodanig.

Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder een beschikking te worden verstaan een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan, gericht op rechtsgevolg.

Naar het oordeel van de Raad ontbeert het in bezwaar bestreden schrijven van 19 december 2006 rechtsgevolg, voorzover dat betrekking heeft op appellants 25%-toelage. Blijkens de bewoordingen ervan wordt met die brief immers slechts aangekondigd dat een Landsbesluit tot stand zal worden gebracht ter intrekking daarvan. Hoewel die aankondiging ongeclausuleerd is, heeft de beslissing daarmee nog geen definitief karakter. Bovendien is nog geen ingangsdatum vastgesteld nu die afhankelijk is van de datum van totstandkoming van het Landsbesluit. Het Gerecht heeft zich daarom ten onrechte bevoegd geacht kennis te nemen van de tegen die brief ingediende bezwaren. De in beroep bestreden uitspraak moet daarom worden vernietigd. De Raad zal, zelf in de zaak voorziend, het Gerecht onbevoegd verklaren om inzoverre van het bezwaar kennis te nemen.

Doende wat het Gerecht had behoren te doen zal de Raad nog een nadere beslissing geven op het bezwaarschrift van 18 januari 2007.

Er is aanleiding dit bezwaarschrift te beschouwen als een prematuur ingediend bezwaar tegen het Landsbesluit van 23 februari 2007, nu de inhoud van dit landsbesluit overeenkomt met de in het schrijven van 19 december 2006 ongeclausuleerd aangekondigde beslissing. Die premature indiening is verschoonbaar te achten nu in dat schrijven ten onrechte is vermeld dat tegen de inhoud daarvan bezwaar op het Gerecht openstond.

Ingevolge artikel 25, eerste lid van de LMA kan aan de ambtenaar aan wie zodanige eisen gesteld worden dat zijn positie of taak een bijzonder karakter draagt, een in ieder bijzonder geval vast te stellen toelage worden toegekend.

Blijkens de stukken voert geïntimeerde het beleid een dergelijke toelage slechts toe te kennen aan drie categorieën ambtenaren te weten:

1) personeel werkzaam bij bureaus van de ministers;

2) ambtenaren die naast hun eigenlijke functie andersoortige werkzaamheden verrichten die veel afwijken van hun functie en

3) diensthoofden.

Geïntimeerde hanteert daarbij voorts het beleid dat zolang een ambtenaar formeel en actief de functie van diensthoofd bekleedt, hij in aanmerking komt voor de 25% toelage. Indien de betreffende ambtenaar deze functie niet meer actief bekleedt, is de grondslag voor de toekenning van de 25% toelage niet meer aanwezig en dient die te worden ingetrokken.

De Raad acht dit beleid niet onredelijk. Niet in geschil is dat appellant niet actief de functie van diensthoofd bekleedt, zodat hij ingevolge dit beleid niet langer voor de 25% toelage in aanmerking kwam. Namens appellant is er op gewezen dat die toelage aan diensthoofden is toegekend in afwachting van de aangekondigde herwaardering van hun functie. Hij klaagt erover dat het niet aan hem is te wijten dat die herwaardering niet voordat hij op non-actief werd gesteld had plaatsgevonden en overigens nog steeds niet heeft plaatsgevonden. Dat die herwaardering tot op heden is uitgebleven biedt echter naar het oordeel van de Raad geen grondslag voor het oordeel dat er sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat geïntimeerde in dit geval niet in redelijkheid aan zijn beleid heeft kunnen vasthouden reeds nu die herwaardering geenszins een zekere gebeurtenis is. Daarvoor is immers nog nader onderzoek en nadere besluitvorming noodzakelijk. Geïntimeerde behoefde appellant daarom niet in het genot te laten van zijn toelage dan wel die als onderdeel van zijn bezoldiging te beschouwen.

Het bezwaar voorzover gericht tegen het Landsbesluit van 23 februari 2007 moet daarom ongegrond worden verklaard.

3. Beslissing

De Raad van Beroep:

- vernietigt de bestreden beslissing;

- verklaart het Gerecht onbevoegd kennis te nemen van het bezwaarschrift, voorzover zich dat richt tegen het schrijven van geïntimeerde van 19 december 2006;

-verklaart het bezwaar ongegrond voorzover dat is gericht tegen het Landsbesluit van 23 februari 2007.

Aldus gegeven door mr. J.Th. Drop, voorzitter en mr. E.M.D. Angela en mr. J. Sybesma, leden, en uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.