Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBANAA:2008:BJ6249

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
17-01-2008
Datum publicatie
27-08-2009
Zaaknummer
RvBAz 2007/43
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Appellant beroep zich op een besluit van de Ministerraad hem als ambtenaar te benoemen. Enige handeling is vervolgens uitgebleven. Uit enkele feit dat appellant werkzaamheden is gaan verrichten en salaris ontving kon hij niet afleiden dat hij was aangesteld als ambtenaar. Appellant realiseerde zich immers dat hij geen pensioenpremie betaalde omdat die aanstelling nog niet tot stand was gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2010, 58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 17 januari 2008

Zaaknr. RvBAz 2007/43

RAAD VAN BEROEP IN AMBTENARENZAKEN

Uitspraak

In de zaak van:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA

zetelend op Aruba

oorspronkelijk verweerder,

thans appellant,

gemachtigde mr. J.L.M.C. Marsman,

tegen:

[geïntimeerde]

wonend te Aruba,

oorspronkelijk eiser,

thans geïntimeerde,

gemachtigde mr. M.L.J.J.P. Willems.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Bij een op 26 februari 2007 bij het Gerecht in Ambtenarenzaken (het Gerecht) ingekomen bezwaarschrift heeft geïntimeerde bezwaar gemaakt tegen de weigering van appellant om aan hem vanaf juli 2006 zijn bezoldiging uit te keren.

1.2 Het Gerecht heeft het bezwaarschrift bij uitspraak van 2 juli 2007 gegrond verklaard. Hiertegen is door appellant beroep ingesteld bij beroepschrift ingekomen ter griffie van het Gerecht op 13 juli 2007.

1.3 Het beroep is behandeld ter zitting van de Raad in Aruba op 3 december 2007. Appellant is verschenen bij gemachtigde. Geïntimeerde is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde.

2. Beoordeling

Het bezwaarschrift richt zich tegen de weigering geïntimeerde na 1 juli 2006 nog salaris uit te betalen. Ter beantwoording van de vraag of het Gerecht zich op goede gronden bevoegd heeft geacht hiervan kennis te nemen moet in de eerste plaats de vraag worden beantwoord of geïntimeerde ambtenaar is.

Ingevolge artikel 36, eerste lid van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) is de ambtenaar die door een beschikking, handeling of weigering rechtstreeks in zijn belang is getroffen bevoegd daartegen een bezwaarschrift in te dienen. Ingevolge artikel 1, eerste lid van de La is ambtenaar in de zin van deze landsverordening en de daarop berustende landsbesluiten en ministeriële regelingen hij die door het bevoegde gezag is benoemd of aangesteld in openbare dienst om in Aruba of ten kabinette van de Gevolmachtigde Minister van Aruba in Nederland werkzaam te zijn. Ingevolge het derde lid, aanhef en onder b van dit artikel zijn degenen met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten geen ambtenaar in de zin van deze verordening.

Geïntimeerde is in 1985 benoemd als ambtenaar. Niet in geschil is dat hem in 1995 op zijn verzoek ontslag uit ambtelijke dienst is verleend.

Geïntimeerde stelt zich op het standpunt dat hij per 1 januari 2003 opnieuw als ambtenaar, in de functie van Hoofd Bureau Naturalisatie en Visa is aangesteld. Hij wijst er daarbij op dat de Raad van Ministers op 28 november 2002 heeft geaccordeerd dat hij zal worden benoemd in tijdelijke dienst en dat hij op 5 juni 2003 door de bedrijfsgezondheidsdienst is goedgekeurd voor benoeming in tijdelijke dienst. Voorts wijst hij erop dat uit zijn salarisstrook blijkt dat hij een ambtelijke rang bekleedt, dat hij gerechtigd is tot het ontvangen van ambtenaren pensioen, dat hij bezoldiging ontvangt en dat hij lid is van de ambtenarenvakbond SEPA. Daarnaast is hem in zijn functie tekenbevoegdheid verleend hetgeen er op duidt dat hij de ambtenarenstatus bezit en is hem door de minister van Justitie op zijn verzoek verlof zonder behoud van bezoldiging verleend.

Appellant bestrijdt dat geïntimeerde op 1 januari 2003 de status van ambtenaar heeft herkregen. Geïntimeerde is met ingang van die datum in dienst genomen op basis van een arbeidscontract voor een jaar, zoals blijkt uit het voorstel van de projectleider DINA van 21 november 2002. De Ministerraad is hiermee akkoord gegaan. Vervolgens is het contract nimmer schriftelijk vastgelegd en steeds stilzwijgend verlengd. Aan eiser is in eerste instantie geen ambtelijke aanstelling aangeboden omdat er haast was bij het totstandbrengen van zijn benoeming. Vervolgens is een aanstelling uitgebleven omdat hij een hogere bezoldiging wenste dan die welke op grond van de bezoldigingsregeling Aruba mogelijk was. Uit een nota van de ambtenaar belast met de leiding van het bureau P&O Mvj van 29 juni 2004 komt naar voren dat op dat tijdstip de rechtspositie van geïntimeerde niet schriftelijk was geregeld en dat hij zijn werkzaamheden verrichtte op basis van een arbeidscontract. Daarbij wordt uitdrukkelijk vermeld dat door genoemd bureau aan geïntimeerde herhaaldelijk mondeling is medegedeeld dat hij niet de status van ambtenaar bezat. Voorts komt uit de beslissing tot stopzetting van de salarisbetaling aan geïntimeerde naar voren dat hij volgens de bestanden van de financiële afdeling geen ambtelijke status bezat.

Volgens in Nederland door de Centrale Raad van Beroep gevormde jurisprudentie, waarbij de Raad zich in dit geval aansluit, onder meer neergelegd in de uitspraak van 30 maart 2000 (AW 97/8137) kan een aanstelling als ambtenaar ingeval van het ontbreken van een uitdrukkelijk aanstellingsbesluit onder omstandigheden toch tot standkomen. Daarvoor dient duidelijk te blijken van een aan de zijde van het betrokken orgaan levende bedoeling om een dergelijke verhouding tot stand te brengen, dan wel van feiten of omstandigheden op grond waarvan de betrokken ambtenaar heeft mogen begrijpen dat een aanstelling tot ambtenaar feitelijk heeft plaatsgevonden.

De rechtspositie van geïntimeerde is niet schriftelijk vastgelegd. De tijdelijke arbeidsovereenkomst die volgens appellant is gesloten, is, zoals van die zijde wordt erkend, niet schriftelijk vastgelegd. Evenmin is er een Landsbesluit tot stand gebracht en aan geïntimeerde bekendgemaakt waarbij hij in tijdelijke of vaste ambtelijke dienst is aangesteld.

Naar het oordeel van de Raad is onvoldoende gebleken dat er bij het tot aanstellen bevoegd gezag de duidelijke bedoeling bestond geïntimeerde als ambtenaar aan te stellen. De beslissing van de Raad van ministers zou, hoewel genomen naar aanleiding van een ambtelijk advies waarin uitdrukkelijk wordt geadviseerd een arbeidsovereenkomst met de duur van een jaar aan te gaan, kunnen duiden op het bestaan van het voornemen hem als ambtenaar in tijdelijke dienst aan te stellen. De Ministerraad is echter niet bevoegd die beslissing te nemen. Nadere besluitvorming door de terzake bevoegde bestuursorganen is nog noodzakelijk terwijl niet op enige wijze is gebleken dat bij die organen de bedoeling bestond een benoemingsbesluit tot stand te brengen. Zo is niet gebleken dat de Minister van Justitie het voor aanstelling vereiste advies aan de Gouverneur heeft uitgebracht, terwijl evenmin is gebleken dat enige besluitvorming of voorbereiding daarop door de Gouverneur heeft plaatsgevonden. De aanstellingskeuring van appellant kan niet als uitvloeisel van zodanige besluitvorming worden aangemerkt.

Het ontbreken van de duidelijke bedoeling geïntimeerde als ambtenaar aan te stellen komt eens te meer naar voren uit vorengenoemd schrijven d.d. 29 juni 2004 van de ambtenaar belast met de leiding van P&O MvJ. Daarin wordt immers niet alleen geconstateerd dat de rechtspositie van geïntimeerde niet schriftelijk is geregeld maar ook uitdrukkelijk bestreden dat hij als ambtenaar werkzaam is.

Evenmin is er grond voor het oordeel dat geïntimeerde heeft mogen begrijpen dat hij feitelijk als ambtenaar was aangesteld. Geïntimeerde was er gelet op zijn verklaring ter zitting van de Raad van op de hoogte dat voor totstandkoming van een ambtelijke aanstelling een Landsbesluit noodzakelijk is. Hij was er voorts van op de hoogte dat een dergelijk besluit ten aanzien van hem nog niet was genomen nu hij het ontbreken daarvan ter zitting van de Raad heeft genoemd als reden voor het niet betalen van pensioenpremies. Aan de beslissing van de ministerraad van 28 november 2002 kon hij geen rechten ontlenen, nu dit op die beslissing, die blijkbaar in zijn bezit is gekomen, uitdrukkelijk is vermeld.

Zonder nadere aanknopingspunten op grond waarvan hij kon begrijpen dat aanstelling had plaatsgevonden ondanks het feit dat de formele weg voor aanstelling niet was bewandeld, is de omstandigheid dat hij per 1 januari 2003 werkzaamheden verrichtte, tekenbevoegdheid bezat en salaris ontving onvoldoende om aan te nemen dat hem een ambtelijke aanstelling was verleend. Voor de op zijn salarisstrook gebezigde terminologie zoals bezoldiging en een ambtelijke rangaanduiding geldt hetzelfde. Geïntimeerde beroept zich voorts wel op de daarop voorkomende vermelding pensioengrondslag maar uit zijn verklaring ter zitting komt naar voren dat hij ervan op de hoogte was dat hij geen pensioenpremie betaalde. Dat hij kennelijk lid is van een ambtenarenvakbond is voorts onvoldoende om aan te nemen dat hij ook als zodanig is aangesteld. Overigens is niet onderbouwd dat het lidmaatschap van bedoelde vakbond uitsluitend openstaat voor ambtenaren en niet voor medewerkers die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst.

Dat aan eisers partner toelating op basis van de LTU is verleend naar hij stelt omdat hij een ambtelijke status zou bezitten levert geen grond op voor een ander oordeel. Immers die toelating is in ander verband verleend zodat appellant daaraan geen vertrouwen kon ontlenen ten aanzien van zijn aanstelling.

Gelet op het vorenstaande heeft geïntimeerde de status van ambtenaar in de zin van artikel 1 van de La niet herkregen bij de aanvang van zijn werkzaamheden op 1 januari 2003. Het Gerecht heeft hem derhalve ten onrechte niet niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. De Raad zal daarom de bestreden uitspraak vernietigen en, doende wat het Gerecht had behoren te doen, eiser alsnog niet-ontvankelijk verklaren in zijn bezwaar.

3. Beslissing

De Raad van Beroep:

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- verklaart geïntimeerde niet-ontvankelijk in zijn bezwaar.

Aldus gegeven door mr. J.Th. Drop, voorzitter, mr. E.M.D. Angela en mr. L.J. de Kerpel-van de Poel, leden, en uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.