Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBANAA:2008:BH3357

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
18-02-2009
Zaaknummer
RvBAz 2008/35
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante is vrijstelling van dienst verleend wegens bijzondere omstandigheden, met behoud van inkomen voor de periode dat zij als lid van de Eilandsraad optreedt. Op grond van art. 2 van de Tijdelijke regeling vrijstelling van dienst ambtenaren moet worden afgeleid dat de aanstelling door de vrijstelling niet teniet gaat. Voor dit oordeel vindt de Raad bevestiging in artt 26 en 31. Appellante kan aanspraak maken op terugplaatsing in de oude functie en op die aanspraak kan niet licht en alleen op wettelijk vastgelegde gronden inbreuk worden gemaakt. Nu de functie niet meer bestaat zal een passende functie moeten worden gezocht onder behoud van haar aan de vorige functie verbonden rechtspositie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 10 december 2008

Zaaknr: RvBAz 2008/35

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

Uitspraak

In de zaak van:

[appellante]

wonende te Sint Maarten,

oorspronkelijk klaagster, thans appellante,

gemachtigde: mr. M. Le Poole,

tegen:

HET BESTUURSCOLLEGE VAN SINT MAARTEN

oorspronkelijk verweerder,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. A.O. Muller.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Op 31 augustus 2007 heeft appellante een bezwaarschrift ingediend bij het Gerecht in Ambtenarenzaken (verder te noemen het Gerecht) tegen de weigering van 2 augustus 2007 haar terug te plaatsen in haar voormalige functie van adjunct-eilandsecretaris. Daarnaast heeft appellante op 3 januari 2008 bij het Gerecht een bezwaarschrift ingediend tegen de beslissing van geïntimeerde d.d. 5 december 2007 om haar per 7 december 2007 in de functie van toegevoegd programmamanager bij het bureau constitutionele zaken te plaatsen.

Bij uitspraak van 9 mei 2008 heeft het Gerecht de bezwaren ongegrond verklaard.

Hiertegen is namens appellante hoger beroep ingesteld bij schrijven, ter griffie ingekomen op 3 juni 2008. Geïntimeerde heeft een contra-memorie ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de Raad op Sint Maarten op 28 oktober 2008, waar appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Geïntimeerde heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. Beoordeling.

Naar het oordeel van de Raad heeft het Gerecht de feiten juist vastgesteld. De Raad verwijst naar de uitgebreide weergave daarvan in de bestreden uitspraak.

Bij Eilandsbesluit van 28 mei 1996 no. 905 is appellante met ingang van 1 juni 1996 benoemd tot adjunct-eilandsecretaris.

Bij Eilandsbesluit van 26 augustus 1999 no. 1214 is zij aangesteld als adviseur Constitutionele Zaken.

Bij Eilandsbesluit van 5 juli 2003 no. 789 is aan appellante met ingang van 2 juli 2003 vrijstelling van dienst verleend wegens bijzondere omstandigheden met behoud van vol inkomen voor de periode dat zij als lid van de Eilandsraad van Sint Maarten optreedt.

Ingevolge het eerste lid van artikel 2 van de Tijdelijke regeling vrijstelling van dienst ambtenaren en werknemers verleent het bevoegde gezag de amtbenaar op diens schrifelijk verzoek vrijstelling van dienst wegens bijzondere omstandigheden met behoud van vol inkomen, indien hij zich volledig wenst te wijden aan de werkzaamheden, verbonden aan de vervulling van zijn lidmaatschap van de eilandsraad.

Ingevolge het vijfde lid van dit artikel geschiedt herstel in activiteit na het einde van de vrijstelling van dienst bij beschikking van het bevoegde gezag, tenzij de ambtsbetrekking reeds eerder mocht zijn geëindigd.

Uit vorenstaande bepalingen moet worden afgeleid dat de aanstelling van de ambtenaar die het lidmaatschap van de Eilandsraad aanvaardt, door vrijstelling niet teniet gaat. De vrijstelling houdt immers slechts in dat de werkzaamheden verbonden aan de functie waarin de ambtenaar is aangesteld, (tijdelijk) niet behoeven te worden verricht. Bevestiging voor dit oordeel vindt de Raad in het feit dat op grond van artikel 26, eerste lid van de Regeling vakantie en vrijstelling van dienst ambtenaren, vrijstelling van dienst kan worden verleend in verband met bijvoorbeeld ondertrouw en huwelijk en op grond van artikel 31 van dezelfde regeling vrijstelling in verband met ziekte. Niet denkbaar is dat vrijstelling op een van die gronden, hoewel wellicht van kortere duur dan de vrijstelling voor politieke gezagsdragers, op enige wijze van invloed zou kunnen zijn op de ambtelijke aanstelling van hen waaraan die is verleend.

Het Eilandsraadlid dat na vrijstelling te hebben genoten terug wil keren in dienst, kan daarom aanspraak kan maken op terugplaatsing in de oude functie, waarin het is aangesteld. Op die aanspraak zal, gelet op het doel waarvoor die is verleend en de soms kwetsbare positie waarin een gewezen eilandsraad lid kort na het verlies van de eilandsraadzetel verkeert, niet licht en alleen op wettelijk vastgelegde gronden inbreuk mogen worden gemaakt.

Appellante is, zoals uit het vorenstaande blijkt, in twee functies aangesteld. Haar aanstelling als adjunct-eilandssecretaris is nimmer bij voor bezwaar en beroep vatbaar besluit ingetrokken. Die aanstelling is derhalve niet beëindigd, ook niet doordat zij werkzaamheden als adviseur constitutionele zaken is gaan verrichten en tevens in die functie is aangesteld. Die laatste aanstelling is, nu niet gebleken is van beëindiging van haar eerste aanstelling, niet zomaar in de plaats daarvan gekomen.

Niet kan worden geoordeeld dat appellante de aan de aanstelling als adjunct-eilandsecretaris verbonden aanspraken geheel heeft verspeeld door andere werkzaamheden te gaan verrichten. Dat aan haar, toen zij begon aan haar werkzaamheden als adviseur constitutionele zaken een terugkeeroptie is aangeboden is weliswaar niet door haar met schriftelijke bewijsmiddelen onderbouwd maar de Raad acht die stelling op andere gronden niet onaannemelijk. Niet in geschil is dat appellante de werkzaamheden op constitutionele zaken de eerste twee jaar naast haar werkzaamheden als adjunct-eilandsecretaris heeft verricht. Bovendien was de haar toebedeelde taak, het opzetten van een afdeling constitutionele zaken tijdelijk van karakter. Tenslotte is niet gebleken dat geïntimeerde op enige wijze heeft doen blijken van de bedoeling appellantes aanstelling als adjunct-eilandsecretaris te beëindigen. Daarom moet van de formele situatie worden uitgegaan.

Bij het nemen van zijn beslissing met betrekking tot de terugkeer van appellante diende geïntimeerde er dus vanuit te gaan dat zij nog over een aanstelling als adjunct-secretaris beschikte met de daaraan verbonden aanspraken. Appellante beroept zich er daarom met vrucht op dat zij na het verlies van haar Raadszetel aanspraak kon maken op terugkeer in de functie van adjunct-eilandssecretaris.

Geïntimeerde heeft zich er nog op beroepen dat de functie van adjunct-eilandssecretaris inmiddels niet meer bestaat. Mede in het licht van hetgeen is overwogen met betrekking tot de aard van de aanspraak op terugkeer na vrijstelling van dienst, is de Raad van oordeel dat dat niet tot een vergaande beperking van de terugkeergarantie van appellante mag leiden. Geïntimeerde zal dus voor appellante een passende functie binnen het Eilandssecretariaat moeten zoeken. Nu appellante, gelet op haar mededelingen ter zitting, bereid is de functie van hoofdmedewerker op het Eilandssecretariaat te vervullen en zij die ook passend acht, komt het de Raad geraden voor haar in die functie te plaatsen, onder behoud van haar aan de functie van adjunct-secretaris verbonden rechtspositie.

De bestreden uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal, doende wat het Gerecht had behoren te doen, de beschikkingen van 2 augustus 2007 en 5 december 2007 vernietigen en daarbij bepalen dat geïntimeerde binnen twee maanden na bekendmaking van deze uitspraak een beslissing dient te geven over de functie van appellante.

Voorts zal de Raad geïntimeerde veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure. De Raad stelt die, aansluiten bij het Besluit Proceskosten Bestuursrecht vast op telkens Naf. 700,= voor het indienen van de beide bezwaarschriften en Naf. 700,= voor het verschijnen ter zitting van het Gerecht. Voor het indienen van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting van de Raad worden dezelfde bedragen vastgesteld, zodat geïntimeerde Naf. 3500,= aan appellante dient te betalen.

3. Beslissing

De Raad van Beroep:

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vernietigt de beschikkingen van 2 augustus 2007 en 5 december 2007;

- bepaalt dat geïntimeerde binnen twee maanden na bekendmaking van deze uitspraak een beslissing dient te geven over de functie van appellante met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

- bepaalt dat geïntimeerde aan appellante Naf 3500,= (vijfendertighonderd Nederlands Antilliaanse guldens) dient te betalen.

Aldus gegeven door mr. J.Th. Drop, voorzitter en mr. W.J. Noordhuizen en L.J. de Kerpel-van de Poel, leden, en uitgesproken in het openbaar op 10 december 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.