Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBANAA:2007:BK3794

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
18-01-2007
Datum publicatie
19-11-2009
Zaaknummer
RvBAz 2006/32
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad bevestigt het ongeschiktheidsontslag van een politieambtenaar die samenwoonde met een vrouw met een extravagant en kostbaar leefpatroon zonder dat hij vraagtekens stelde bij de herkomst van haar middelen. Zij werd veroordeeld wegens handelen in strijd met de opiumlandsverordening. Ook behoefde aan appellant geen ontslaguitkering te worden verstrekt. Beroep op gelijkheidsbeginsel faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 18 januari 2007

Zaaknr: RvBAz 2006/32

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

Uitspraak

In de zaak van:

[ambtenaar]

wonende te Curaçao,

oorspronkelijk klager, thans appellant,

gemachtigde: mr. W.E. Fortin

tegen:

DE GOUVERNEUR VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN

zetelend te Curaçao,

oorspronkelijk verweerder,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. M.W.A. van der Gulik.

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1. Op 12 augustus 2005 heeft appellant een bezwaarschrift ingediend bij het gerecht in ambtenarenzaken (verder te noemen het Gerecht) tegen de beschikking van geïntimeerde van 8 juni 2005. Bij uitspraak van 15 juni 2006 heeft het Gerecht het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2. Hiertegen is namens appellant hoger beroep ingesteld bij schrijven, ter griffie ingekomen op 14 juli 2006. Geïntimeerde heeft een contra-memorie ingediend.

1.3. Het beroep is behandeld ter zitting van de Raad op Curaçao op 7 december 2006, waar appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Geïntimeerde heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

1.4. De uitspraak is bepaald op heden.

2. Beoordeling.

2.1 Appellant was ambtenaar van politie en is op 16 mei 2002 aangehouden wegens overtreding van de Opiumlandsverordening. Hij is deswege door het Gerecht in Eerste aanleg van de Nederlandse Antillen bij vonnis van 31 oktober 2002 en door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba bij vonnis van 11 februari 2003 vrijgesproken.

2.2 Bij schrijven van 3 maart 2004 heeft geïntimeerde aan betrokkene het voornemen kenbaar gemaakt hem de straf van ontslag op te leggen. Bij de in bezwaar bestreden beschikking van 8 juni 2005 is appellant met toepassing van artikel 119, eerste lid, sub e van het Besluit Rechtspositie Korps Politie Nederlandse Antillen 2000 (PB 2000, no. 80) eervol ontslag wegens ongeschiktheid uit ‘s Landsdienst verleend.

2.3 Geïntimeerde doet dit ontslag steunen op de overweging dat zowel het Gerecht als het Hof hebben overwogen dat appellant is aangehouden onder omstandigheden die alleszins ernstige bezwaren tegen hem opleveren en dat het Hof heeft overwogen dat er zich in het dossier bewijsmiddelen bevinden die wijzen in de richting van betrokkenheid van betrokkene bij de handel in verdovende middelen. Op grond daarvan heeft appellant ervan blijk gegeven ongeschikt te zijn en niet over de juiste mentaliteit te beschikken om de functie van ambtenaar van politie belast met de uitvoering van de politietaak c.q. ambtenaar in het algemeen uit te oefenen.

2.4 Uit de stukken komt naar voren dat appellant een relatie heeft onderhouden met een zekere [vriendin], met wie hij samenwoonde. [vriendin] is tegelijkertijd met appellant aangehouden en onherroepelijk veroordeeld wegens handelen in strijd met de Opiumwet. Het Gerecht heeft terecht geoordeeld dat appellant, gelet op hetgeen hij als partner over het leefpatroon van [vriendin] te weten is gekomen, onder meer dat zij in Nederland een uitkering genoot, zowel in Nederland als op Curaçao over een woning beschikte en regelmatig heen en weer reisde, vraagtekens had moeten zetten bij de herkomst van haar financiële middelen en zich om die reden verre van haar had moeten houden. Door dat niet te doen heeft hij er blijk van gegeven niet over de juiste mentaliteit voor het vervullen van de functie van politie-ambtenaar te beschikken. Het Gerecht heeft daarom terecht geoordeeld dat geïntimeerde zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij ongeschikt is voor die functie en daarom de bevoegdheid bezat hem te ontslaan. Dat hij terzake van de jegens hem gerezen verdenkingen van betrokkenheid bij drugshandel en/of medeplichtigheid aan de door [vriendin] gepleegde feiten is vrijgesproken maakt het vorenstaande niet anders.

2.5 Namens appellant is gesteld dat geïntimeerde geen gebruik meer kan maken van die bevoegdheid omdat hij, hoewel hem de toegang tot de dienstlokalen was ontzegd, als undercover-agent c.q. opsporingsambtenaar werkzaamheden heeft ondernomen. Hij is aldus in activiteit hersteld. Blijkens mededeling van de waarnemend korpschef van Curaçao is dit onjuist. Voorzover politie-ambtenaren informatie bij hem hebben ingewonnen hebben zij dit op eigen initiatief gedaan. Appellant is niet opgetreden als politie-ambtenaar in functie, noch is hij als informant door de Criminele Inlichtingendienst gerund, aldus die mededeling. De Raad ziet geen aanleiding aan de juistheid van deze mededeling te twijfelen. De door appellant gestelde weder in activiteitstelling is daarom niet aannemelijk en kan niet bij de beoordeling van zijn ontslag worden betrokken.

2.6 Namens appellant is voorts gewezen op het tijdsverloop tussen zijn vrijspraak en zijn ontslag. Hij meent, mede onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad in de zaak [R.], dat dat tijdsverloop onaanvaardbaar lang is en dat geïntimeerde door zo lang te talmen het recht hem te ontslaan heeft verwerkt. De Raad volgt appellant niet in dat betoog. Na de datum van onherroepelijk worden van zijn vrijspraak op 11 februari 2003 zijn er weliswaar twee jaar en vier maanden verlopen tot hem de ontslagbeslissing is medegedeeld, maar het voornemen hem te ontslaan is appellant reeds veel eerder, op 3 maart 2004 medegedeeld. Vanaf die datum kon hij er reeds niet meer vanuit gaan dat hij zijn baan zou behouden. De Raad acht het tijdsverloop tot de bekendmaking van dat voornemen niet zodanig dat appellant alleen al daaraan het vertrouwen mocht ontlenen dat ontslag niet meer zou plaatsvinden. Het beroep op de eerdergenoemde uitspraak faalt, nu in dat geval sprake was van een veel groter tijdsverloop tussen vrijspraak en bekendmaking van het ontslagvoornemen.

2.7 Appellant beroept zich er voorts op dat verweerder in andere gevallen bij ontslag wegens ongeschiktheid een ontslaguitkering heeft verstrekt, zoals blijkt uit een aantal door hem overgelegde uitspraken. In zijn geval is dit ten onrechte niet gebeurd. Uit het Besluit Rechtspositie Politie Nederlandse Antillen 2000 noch enige andere rechtsregel vloeit voor geïntimeerde de verplichting voort bij eervol ontslag een ontslaguitkering te verstrekken. De omstandigheid dat verweerder in eerdere gevallen aanleiding heeft gezien om zulks te doen, verplicht hem op zich niet dat telkens te doen. Bovendien is niet gebleken dat het geval van appellant geheel vergelijkbaar is met de gevallen die in de namens hem overgelegde uitspraken aan de orde waren. Die hebben alle betrekking op het ontslag van bewaarders van de Bon Futuro-gevangenis, terwijl daaruit blijkt dat verweerder mede een verwijt kon worden gemaakt van hun ongeschiktheid.

2.8 De conclusie moet zijn dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat geïntimeerde in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de hem in dit geval toekomende ontslagbevoegdheid en dat de in beroep bestreden uitspraak moet worden bevestigd.

3. Beslissing

De Raad van Beroep:

- bevestigt de bestreden uitspraak

Aldus gegeven door mr. J.Th. Drop, voorzitter en A.R. Ramirez en mr. J.P. de Haan, leden, en uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.