Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBANAA:2007:BK0634

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
21-06-2007
Datum publicatie
20-10-2009
Zaaknummer
RvBAz 2006/70
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om op verzoek terug te komen op een eerder genomen beschikking de zaak inhoudelijk te behandelen en in volle omvang te heroverwegen. Indien duuraanspraak in het geding is moet de Raad bij toetsing onderscheid maken tussen verleden en toekomst, bij welke een minder terughoudende toets dient te worden gehanteerd. Inschaling van ambtenaar is een duuraanspraak. Appellant beroept zich op collega die meteen is ingeschaald in hogere rang. Dit betreft een nieuw feit, ook al had dit eerder naar voren kunnen worden gebracht. Doorslaggevend is dat de benoeming van collega op een later tijdstip dan die van appellant heeft plaatsgevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 21 juni 2007

Zaaknr: RvBAz 2006/70

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

Uitspraak

In de zaak van:

[ambtenaar]

wonende te Curaçao,

oorspronkelijk klager, thans appellant,

gemachtigden: mr. E.J. Maduro,

tegen:

DE GOUVERNEUR VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN

zetelend te Curaçao,

oorspronkelijk verweerder,thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. M.W.A. van der Gullik.

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1. Op 9 mei 2006 heeft appellant een bezwaarschrift ingediend bij het gerecht in ambtenarenzaken (verder te noemen het Gerecht) tegen de beschikking van de Minister van Economische zaken van 14 maart 2006. Het Gerecht heeft het bezwaar ongegrond verklaard bij uitspraak van 22 november 2006.

1.2. Hiertegen is namens appellant hoger beroep ingesteld bij schrijven, ter griffie ingekomen op 27 december 2006. Geïntimeerde heeft een contra-memorie ingediend.

1.3. Het beroep is behandeld ter zitting van de Raad op 10 mei 2007, waar appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Geïntimeerde heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

1.4. De uitspraak is bepaald op heden.

2. Beoordeling.

Naar het oordeel van de Raad heeft het Gerecht de feiten juist vastgesteld. De Raad verwijst naar de weergave daarvan onder 2 van de bestreden uitspraak.

Het onder 1.1 genoemde bezwaar richtte zich tegen de weigering van geïntimeerde om terug te komen op het Landsbesluit van 13 december 1996, waarbij appellant met ingang van 1 januari 1997 is aangesteld als veiligheidscontroleur in de rang van adjunct-commies eerste klasse en is ingeschaald in schaal 7. Aan de functie van veiligheidscontroleur is verbonden de rang van commies, schaal 8. Appellant meent dat hij reeds bij evengenoemd Landsbesluit deze rang had moeten krijgen en in die schaal had moeten worden geplaatst.

Volgens vaste jurisprudentie is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om een verzoek om terug te komen op een eerder genomen beschikking inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beschikking in volle omvang te heroverwegen. Indien het bestuursorgaan de beschikking handhaaft, kan dit niet de weg openen naar een toetsing als betrof het de oorspronkelijke beschikking. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijke voorgeschreven termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen. De ambtenarenrechter dient dan ook de oorspronkelijke beschikking tot uitgangspunt te nemen.

Daarbij is de Raad voorts van oordeel dat in een geval als het onderhavige, waarin een duuraanspraak in het geding is, het is aangewezen bij de toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst. Wat betreft de periode voorafgaand aan het verzoek om terug te komen, dient de ambtenarenrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om de oorspronkelijke beschikking te herzien. Wat betreft de periode daarna moet een minder terughoudende toets worden gehanteerd. Daarom zal het in de regel bij een duuraanspraak niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een beschikking waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de belanghebbende wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop immers ook het betrokken bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

De inschaling van een ambtenaar, zoals appellant, moet als vaststelling van een duuraanspraak moet worden aangemerkt.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden –voorzover hier van belang – mede begrepen feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit.

Appellant beroept zich erop dat zijn collega [E.J.] per [datum] 1999 in dezelfde functie is aangesteld en meteen is ingeschaald in de rang van commies, schaal 8. Zijn chef heeft naar aanleiding hiervan geconstateerd dat er scheve verhoudingen waren ontstaan op de afdeling veiligheid, omdat appellant, die over meer ervaring en dienstjaren beschikte dan Juliana en dezelfde werkzaamheden verrichtte, in een lagere rang was ingeschaald. Vervolgens is appellant na een daartoe strekkend verzoek van zijn chef, per 1 januari 2000 vervroegd geplaatst in de rang van commies, schaal 8.

Appellant beroept zich daarmee op een nieuw feit. Dat dit feit wellicht ook al eerder naar voren had kunnen worden gebracht doet daar niet aan af. Doorslaggevend is dat de benoeming van [E.J.] op een later tijdstip dan de benoeming van appellant heeft plaatsgevonden.

Aan geïntimeerde komt een ruime mate van discretie toe bij de inschaling van medewerkers. Bij de inschaling van [E.J.] hebben blijkens de mededelingen van geïntimeerde een rol gespeeld zijn opleiding, voorervaring en laatstgenoten salaris. De omstandigheid dat vervolgens blijkbaar door een meerdere van appellant is geconstateerd dat een scheve situatie was ontstaan, leidt de Raad nog niet tot het oordeel dat het enkele jaren eerder genomen Landsbesluit waarbij is besloten appellant in te schalen in schaal 7, in redelijkheid niet had mogen worden genomen. Afweging van appellants door hem in de onderhavige procedure uitvoerig toegelichte kennis en ervaring heeft geïntimeerde kennelijk aanvankelijk tot een beslissing geleid dat hij in schaal 7 geplaatst diende te worden. Dat bij de benoeming van appellant van een geheel gelijke vooropleiding, voor de te vervullen functie relevante ervaring en diensttijd sprake was, is niet aannemelijk geworden. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt mitsdien. Geïntimeerde behoefde niet op zijn eerdere besluit terug te komen.

Geïntimeerde is thans niet meer het bevoegd gezag over appellant nu deze met ingang van 1 maart 2001 in Eilandsdienst is getreden. Er is door hem geen verzoek om rechtzetting van zijn rechtspositie ingediend bij het eilandsbestuur. Een beschikking of een weigering een beschikking te geven met betrekking tot eisers huidige rechtspositie, na indiening van het verzoek bi de Gouverneur, ligt dan ook niet voor. Reeds daarom kan een toetsing van de huidige situatie achterwege te blijven.

3. Beslissing

De Raad van Beroep:

- bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.Th. Drop, voorzitter en A.R. Ramirez en mr. J.P. de Haan, leden, en uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.