Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBANAA:2007:BJ8775

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken (Nederlandse Antillen en Aruba)
Datum uitspraak
03-04-2007
Datum publicatie
29-09-2009
Zaaknummer
RvBAz 2006/51
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Raad is van oordeel dat in zaak waarin duuraanspraak in het geding is, de Raad is aangewezen om bij toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst. Voor de toekomst moet een minder terughoudende toets worden gehanteerd. Nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan geïntimeerde op zijn standpunt zou moeten terugkomen zijn niet aannemelijk geworden. Beroep op nieuwe uitspraak faalt, omdat nieuwe jurisprudentie niet kan worden aangemerkt als nieuw feit in vorenvermelde zin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak: 3 april 2007

Zaaknr: RvBAz 2006/51

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

Uitspraak

In de zaak van:

[ambtenaar]

wonende te Curaçao,

oorspronkelijk klager, thans appellant,

gemachtigde: mr. W.E. Fortin,

tegen:

HET BESTUURSCOLLEGE VAN HET EILANDGEBIED CURAÇAO

zetelend te Curaçao,

oorspronkelijk verweerder, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. M.C. Merced-Dall.

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1. Op 27 april 2006 heeft appellant een bezwaarschrift ingediend bij het gerecht in ambtenarenzaken (verder te noemen het Gerecht) tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek van 6 en 23 december 2005. Bij uitspraak van 4 oktober 2006 heeft het Gerecht het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2. Hiertegen is namens appellant hoger beroep ingesteld bij schrijven, ter griffie ingekomen op 3 november 2006. Geïntimeerde heeft een contra-memorie ingediend.

1.3. Het beroep is behandeld ter zitting van de Raad op 15 februari 2007, waar appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Geïntimeerde heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen de commandant van de brandweer, de heer [commandant].

1.4. De uitspraak is bepaald op heden.

2. Beoordeling.

Bij verzoeken van 22 oktober 2003 en 5 juli 2004 is namens appellant, werkzaam bij de brandweer in de functie van Hoofd Brandwacht Senior, verzocht om bevordering tot Wachtcommandant. Deze laatste functie is ingeschaald in schaal 8. Geïntimeerde heeft dit verzoek afgewezen bij brief van 18 mei 2005. Bij brief van 6 december 2005, aangevuld bij brief van 23 december 2005, is namens appellant verzocht om herziening van deze beslissing en alsnog te beslissen dat appellant, gerekend te zijn ingegaan op 1 januari 2003 wordt benoemd tot wachtcommandant.

Nu namens appellant is gesteld dat de afwijzende beschikking d.d. 18 mei 2005 van geïntimeerde op 17 juni 2005 formele rechtskracht heeft verkregen, is deze kennelijk aanstonds aan hem bekend gemaakt. Nu uit de verzoeken van 6 en 23 december 2005 niet blijkt dat daarmee beoogd wordt nog beroep tegen die beschikking in te stellen en ook niet is gebleken van gronden op grond waarvan de te late indiening van dat beroepschrift verschoonbaar moet worden geacht, zal dit verzoek worden opgevat als verzoek om terug te komen op de afwijzende beschikking van 18 mei 2005.

Gebleken is dat ondertussen deels aan het verzoek van appellant is tegemoet gekomen, zij het op andere gronden en met ingang van een latere datum dan door hem verzocht. Appellant is met ingang van 1 augustus 2005 bevorderd naar schaal 8, trede 6 en met ingang van 1 januari 2006 naar schaal 8, trede 7. Daarbij is zijn functie ongewijzigd gebleven. Deze bevordering heeft plaatsgevonden op grond van de zogenoemde 20/10-regel, die inhoudt dat een ambtenaar die twintig jaar in dienst is en tien jaar in dezelfde schaal is geplaatst, na twee uitstekende jaarlijkse beoordelingen één schaal hoger wordt geplaatst.

Volgens vaste jurisprudentie is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om een verzoek om terug te komen op een eerder genomen beschikking inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beschikking in volle omvang te heroverwegen. Indien het bestuursorgaan de beschikking handhaaft, kan dit niet de weg openen naar een toetsing als betrof het de oorspronkelijke beschikking. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijke voorgeschreven termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen. De ambtenarenrechter dient dan ook de oorspronkelijke beschikking tot uitgangspunt te nemen.

Anders dan voorheen is de Raad voorts van oordeel dat in een geval als het onderhavige, waarin een duuraanspraak in het geding is, het is aangewezen bij de toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst. Wat betreft de periode voorafgaand aan het verzoek om terug te komen, dient de ambtenarenrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om de oorspronkelijke beschikking te herzien. Wat betreft de periode daarna, moet een minder terughoudende toets worden gehanteerd. Daarom zal het in de regel bij een duuraanspraak niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een beschikking waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de belanghebbende wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop immers ook het betrokken bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

Het Gerecht heeft het onderscheid tussen de periode voor en die na indiening van het verzoek om herziening niet gemaakt en heeft volstaan met te onderzoeken of er sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Daarmee is een onjuiste toetsingsmaatstaf gehanteerd. De Raad zal daarom de uitspraak van het Gerecht vernietigen en zelf in de zaak voorzien.

Naar het oordeel van de Raad zijn nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan geïntimeerde voor wat betreft de periode tot indiening van de verzoeken van 6 en 23 december 2005 zou moeten terugkomen op zijn in de beschikking van 18 mei 2005 ingenomen standpunt, niet aannemelijk geworden. Namens appellant is een beroep gedaan op de uitspraak d.d. 10 juni 2005 van het Gerecht in ambtenarenzaken inzake het bezwaarschrift van [ambtenaar B.], die gelet op de uitspraakdatum ten tijde van het nemen van die beschikking nog niet aan appellant en geïntimeerde bekend kon zijn. Het beroep op die uitspraak faalt echter, reeds nu nieuwe jurisprudentie niet

kan worden aangemerkt als nieuw feit in vorenvermelde zin.

Voorts kan niet worden geoordeeld dat geïntimeerde niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen appellant ook na indiening van zijn verzoeken van 6 en 23 deceber 2005 bevordering tot Wachtmeester te onthouden. Appellant beschikt immers niet over de vereiste opleiding om voor die bevordering in aanmerking te komen, terwijl die hem overigens wel is aangeboden. Weliswaar is juist dat appellant de functie van Wachtcommandant geregeld heeft waargenomen doch dit is slechts gebeurd op tijdelijke basis (en niet onafgebroken) en zo lang er een tekort aan daarvoor opgeleide collega’s bestond. Inmiddels zijn voldoende collega’s voorhanden die de vereiste opleiding hebben voltooid en die de aanvankelijk ook door appellant waargenomen functie kunnen waarnemen.

De Raad zal het bezwaar gelet op het vorenstaande ongegrond verklaren.

Voor een veroordeling van geïntimeerde tot betaling van de door appellant gemaakte proceskosten ziet de Raad gelet op het vorenstaande geen aanleiding.

3. Beslissing

De Raad van Beroep:

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- verklaart het bezwaar ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.Th. Drop, voorzitter en J. Sybesma en mr. L.J. de Kerpel-van de Poel, leden, en uitgesproken in het openbaar op 3 april 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.