Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBAACM:2022:68

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
20-07-2022
Datum publicatie
26-07-2022
Zaaknummer
CUR2021H00008
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongeschiktheidsontslag. De Regering was bevoegd appellant te ontslaan op grond van ongeschiktheid voor zijn functie. Geen sprake van onevenredigheid. Niet alleen actuele feiten en omstandigheden ten tijde van het ontslag kunnen aanleiding vormen voor het ongeschiktheidsontslag. Geen strijd met eerlijk proces op de grond dat er geen verweerschrift is ingediend maar wel zeven dagen voor de zitting een zogenoemde “akte”. Er kan een samenloop zijn van meerdere ontslaggronden. Termijn tussen voornemen tot ontslag en ontslag staat niet aan ontslag in de weg.

Hoger beroep van uitspraak van 14-12-2020, ECLI:NL:OGAACMB:2020:125

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

VAN CURAÇAO

Uitspraak op het hoger beroep van:

[Appellant]

wonende te Curaçao,

appellant,

gemachtigde: mr. A.K.E. Henriquez, advocaat

tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao (Gerecht) van 14 december 2020, CUR202000607 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:

appellant

en

de Regering van Curaçao,

geïntimeerde (hierna: de Regering),

gemachtigden: mrs. L.S. Davelaar en K. Saleh, advocaten

Procesverloop

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Regering heeft op 9 juni 2022 een akte ingestuurd.

De Raad heeft de zaak behandeld op de zitting van 16 juni 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De Regering heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Overwegingen

1. Voor een overzicht van de voorgeschiedenis, de relevante besluitvorming en de in bezwaar ingenomen standpunten van partijen verwijst de Raad naar de overwegingen 1 tot en met 6 van de aangevallen uitspraak, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:OGAACMB:2020:125 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:OGAACMB:2020:125). Volstaan wordt met het volgende.

1.1.

Appellant was sinds 1 januari 2014 als directeur Bedrijfsvoering werkzaam bij het Parket, dat onderdeel uitmaakt van het Openbaar Ministerie (OM). Daarvoor was appellant reeds als financial controller werkzaam bij het Parket.

1.2.

De Regering heeft appellant bij brief van 15 april 2019, door appellant op
30 april 2019 in ontvangst genomen, in kennis gesteld van het voornemen hem te ontslaan. Daartegen heeft appellant zich verweerd.

1.3.

Bij besluit van 30 april 2019 is appellant hangende het onderzoek naar zijn functioneren met onmiddellijke ingang de toegang tot zijn werkplek ontzegd.

1.4.

Bij Landsbesluit van 27 december 2019 (ontslagbesluit) heeft de Regering appellant met ingang van 15 januari 2020 eervol ontslag verleend, primair met toepassing van artikel 103, eerste lid, aanhef en onder f, van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (LMA), wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor zijn functie, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, subsidiair wegens een vertrouwensbreuk die aan een behoorlijk functioneren in de weg staat.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar van appellant tegen het ontslagbesluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Gerecht, samengevat, het volgende overwogen. De Regering heeft aan de hand van concrete stukken aannemelijk gemaakt dat appellant in de periode vanaf december 2016 (herhaaldelijk) op ongepaste wijze heeft gecommuniceerd met collega’s (hoofd HR en senior consultant HRM) en zijn direct leidinggevende, de Procureur-Generaal (PG), dat appellant heeft nagelaten instructies uit te voeren of afspraken naar behoren na te komen en dat hij op gebrekkige wijze projecten en of processen heeft aangepakt, gepland of aangestuurd. Appellant heeft de hem veelvuldig geboden mogelijkheden om zijn functioneren te verbeteren, dan wel de aangeboden hulp bij het vinden van een andere passende baan binnen de overheid, onbenut gelaten. Iedere verdere poging tot verbetering van het functioneren van appellant dan wel het doen van een aanbod voor een andere functie wordt om die reden zinloos geacht. Van de Regering kan daarom niet worden gevergd het dienstverband langer te laten voortduren.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Tevens heeft appellant verzocht de schade te vergoeden die hij door het ontslagbesluit heeft geleden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Onderbouwing ontslagbesluit

4.1.

Bij een ongeschiktheidsontslag moet de Regering concrete gedragingen van de betrokken ambtenaar aannemelijk maken, waaruit is op te maken dat deze niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit of instelling die nodig zijn voor het op goede wijze vervullen van zijn functie. Appellant heeft aangevoerd dat de Regering, anders dan het Gerecht heeft vastgesteld, niet aan haar bewijslast heeft voldaan. Ter onderbouwing daarvan volstaat appellant met een verwijzing naar de processtukken in eerste aanleg en het verweerschrift op het ontslagvoornemen. In aanvulling daarop voert appellant nog het volgende aan.

4.2.

Appellant betoogt dat het Gerecht ten onrechte heeft overwogen dat de Regering de vermeende uitingen van appellant jegens zijn collega’s en de PG aannemelijk heeft gemaakt. De e-mailberichten waarnaar wordt verwezen, zijn uit hun verband gerukt en in een aantal gevallen gefabriceerd. De Raad volgt appellant niet in zijn betoog, reeds omdat appellant heeft nagelaten dit betoog te onderbouwen aan de hand van concrete stukken.

4.3.

Appellant heeft verder aangevoerd, zo begrijpt de Raad, dat de Regering actuele feiten en omstandigheden aannemelijk dient te maken waaruit kan worden afgeleid dat appellant ten tijde van het ontslag niet geschikt was voor de uitoefening van zijn functie, en niet van oude feiten en omstandigheden die dateren van voor 2019. Hoewel in zijn algemeenheid geldt dat het bevoegd gezag adequaat dient op te treden in situaties waarin twijfels bestaan over de geschiktheid van de betrokken ambtenaar, bestaat geen aanleiding te oordelen dat het bevoegd gezag slechts op basis van actuele feiten en omstandigheden ten tijde van het ontslag hiertoe mag overgaan. In het geval van appellant geldt bovendien dat uit de processtukken blijkt dat de PG appellant reeds vanaf 2017 herhaaldelijk heeft aangesproken op zijn functioneren en dat hem meerdere malen de gelegenheid is geboden zijn functioneren te verbeteren. Dat de Regering appellant pas per 15 januari 2020 ontslag heeft verleend strekt niet ten nadele van appellant. De beroepsgrond slaagt niet.

4.4.

Voor het overige herhaalt appellant wat hij in bezwaar heeft aangevoerd. Het Gerecht is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van het Gerecht en in de overwegingen waarop dat oordeel rust.

Geen eerlijk proces

4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat de door de Regering op 9 juni 2022, zeven dagen voor de zitting, ingediende ‘akte’ niet mag worden toegelaten als processtuk omdat dit in strijd is met het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Daarbij wijst appellant op het feit dat de Regering, net als in de bezwaarprocedure, heeft nagelaten om binnen de daarvoor gegeven termijn een verweerschrift in te dienen om vervolgens, vlak voor de zitting, alsnog een inhoudelijk stuk in te dienen dat in feite een verweerschrift is. Appellant is daardoor benadeeld in zijn procesvoering.

4.6.

Aan appellant kan worden toegegeven dat met het oog op een behoorlijke procesvoering mag worden verwacht dat een verweerschrift tijdig wordt ingediend. De akte van 9 juni 2022, met een inhoudelijk standpunt inzake het hoger beroep, is gelet op de artikelen 117 juncto 55, tweede lid, van de RAr tijdig ingediend. Bovendien bevat de akte geen nieuwe standpunten van de Regering ten aanzien van het genomen ontslagbesluit. Appellant heeft voorts voldoende gelegenheid gehad om een inhoudelijke reactie op de akte ter zitting voor te bereiden. Van strijd met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is dan ook geen sprake. Gelet hierop ziet de Raad geen aanleiding de akte buiten beschouwing te laten.

4.7.

Appellant heeft verder aangevoerd dat hij in zijn bewijspositie is benadeeld omdat hem de toegang tot zijn werk was ontzegd, zodat hij niet meer de beschikking had over zijn e-mail en over de stukken die zich op zijn werkplek bevonden. Hij kon daarom niet over de bewijsmiddelen beschikken om zich te verweren tegen de gronden van het ontslag. Appellant kan niet in zijn betoog worden gevolgd, reeds omdat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt welke concrete bewijzen hem door de toegangsontzegging zijn onthouden.

Samenloop van ontslaggronden

4.8.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat een ontslag niet in twee verschillende vormen kan worden verleend, wegens ongeschiktheid en wegens een vertrouwensbreuk. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 29 juni 2022, ECLI:NL:ORBAACM:2022:63) is een subsidiair gehanteerde ontslaggrond toegestaan, mits die voldoende is onderbouwd. Bij samenloop van ontslaggronden heeft het bevoegd gezag keuzevrijheid. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Termijn tussen ontslagvoornemen en ontslag

4.9.

Appellant heeft aangevoerd dat hij er niet meer vanuit hoefde te gaan dat hij ontslagen zou worden. Immers, nadat hij op 30 april 2019 het ontslagvoornemen in ontvangst had genomen, heeft het tot 22 januari 2020 geduurd voordat appellant het ontslagbesluit heeft gekregen. Daarmee is een redelijke termijn overschreden. Met deze beroepsgrond doelt appellant kennelijk op de vaste rechtspraak van de Raad dat het bevoegde gezag in beginsel in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel handelt indien hij meer dan een jaar nadat hij heeft vastgesteld dat een ambtenaar zich aan plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt, alsnog een disciplinaire straf oplegt terwijl de ambtenaar redelijkerwijs niet meer hoefde te verwachten dat een straf zou worden opgelegd. Daargelaten nog dat in het geval van appellant geen sprake is van een strafontslag, is in zijn geval de verstreken periode tussen het ontslagvoornemen en het ongeschiktheidsontslag negen maanden, dus korter dan de in de rechtspraak genoemde periode van een jaar. Dat het ontslagbesluit eerder genomen had kunnen worden omdat het bijna identiek is aan het voornemen tot ontslag, zoals appellant heeft gesteld, maakt niet dat het ontslagbesluit nietig is. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.

Conclusie

4.10.

Uit 4.2 tot en met 4.9 volgt dat de Regering bevoegd was appellant op de primaire grondslag van het ontslagbesluit, dus in verband met ongeschiktheid voor zijn functie, te ontslaan. De beroepsgronden tegen de subsidiaire grondslag behoeven daarom geen bespreking meer. Appellant heeft aangevoerd dat de Regering van haar bevoegdheid geen gebruik heeft mogen maken, omdat sprake is van onevenredigheid tussen de nadelige gevolgen voor hem en de met het ontslag te dienen doelen. Appellant heeft daarbij gewezen op zijn verminderde carrièremogelijkheden, het verlies van inkomen en zijn lagere pensioenopbouw. In de aangevoerde omstandigheden ziet de Raad geen aanleiding om te oordelen dat sprake is van onevenredigheid als hiervoor bedoeld.

Slotsom

5. De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor toewijzing van het verzoek van appellant om schadevergoeding bestaat geen grond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Raad van Beroep;

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. J. Sybesma en
mr. P. Klik, leden, uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.