Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBAACM:2021:47

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
26-08-2021
Datum publicatie
30-08-2021
Zaaknummer
CUR2020H00002
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om benoeming met terugwerkende kracht afgewezen. Geen aanleiding om terug te komen op het eerder gegeven oordeel dat het benoemingsbesluit formele rechtskracht heeft verkregen omdat daartegen geen rechtsmiddel is ingesteld. Ook zijn er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd. Bevestiging van de aangevallen uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

CURAÇAO

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao (Gerecht) van 13 december 2019, CUR2017000201 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:

appellant,

en

de Regering van Curaçao,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J.G. Ricardo, werkzaam bij het Land Curaçao.

Procesverloop

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en verzocht om veroordeling van geïntimeerde tot vergoeding van materiële en immateriële schade.

De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 augustus 2021. Appellant is in persoon verschenen. Geïntimeerde heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is op 1 maart 2010 vervroegd uitgetreden. Tot die tijd was hij werkzaam als ambtenaar bij de Directie Personeel, Organisatie & ICT (directie).

1.2.

Bij landsbesluit van 6 juni 2010 is appellant met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002 benoemd in de functie van senior beleidsmedewerker bij de Directie in schaal 13 (benoemingsbesluit). Op 28 juni 2010 heeft appellant bij e-mailbericht aan de plaatsvervangend directeur van de directie kenbaar gemaakt het niet eens te zijn met de toegekende bezoldigingsschaal in het benoemingsbesluit en verzocht die naar schaal 14 te wijzigen.

1.3.

Bij brief van 5 oktober 2010 heeft appellant de minister verzocht om hem per 1 augustus 2004 te benoemen tot beleidsadviseur bij de directie in schaal 14 en per 1 september 2009 tot senior beleidsadviseur bij de directie in schaal 15. Dat verzoek heeft geïntimeerde bij besluit van 18 juni 2014 afgewezen. Het door appellant daartegen gemaakte bezwaar heeft het Gerecht bij uitspraak van 25 maart 2015 (GAZ 2014/69026) ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 augustus 2016 heeft de Raad (RvBAz 2015/69026) de uitspraak van het Gerecht bevestigd. Daartoe heeft de Raad overwogen dat het benoemingsbesluit formele rechtskracht heeft verkregen en dat appellant geen nieuwe gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft gesteld die zouden hebben kunnen leiden tot een andere beslissing dan in het benoemingsbesluit is gegeven.

1.4.

Bij verzoekschrift van 28 november 2014 heeft appellant de minister van Bestuur, Planning en Dienstverlening (minister) verzocht hem met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2002 te benoemen tot beleidsadviseur in schaal 14, en met terugwerkende kracht tot en met 1 september 2009 tot senior beleidsadviseur in schaal 15 (het verzoek).

1.5.

Bij beschikking van 23 december 2015 heeft de minister het verzoek afgewezen (primaire besluit).

1.6.

Bij beschikking van 14 februari 2017 heeft geïntimeerde het door appellant ingestelde administratieve beroep tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard (bestreden besluit). Aan het bestreden besluit heeft geïntimeerde ten grondslag gelegd dat op het afwijzende verzoek van 5 oktober 2010 al een rechterlijke uitspraak in hoger beroep is verkregen, en het verzoek van 28 november 2014 moet worden beschouwd als zijnde van gelijke inhoud en strekking.

1.7.

Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar tegen het bestreden besluit gegrond verklaard omdat dit besluit onbevoegd is genomen. Geïntimeerde had het administratieve beroep door moeten sturen naar het Gerecht. Het Gerecht heeft daarom het primaire besluit beoordeeld aan de hand van de door appellant daartegen aangevoerde gronden. Het bezwaar tegen het primaire besluit heeft het Gerecht gegrond verklaard, omdat dat besluit niet door het bevoegd gezag is genomen. Als gevolg hiervan is het besluit nietig. Het Gerecht heeft de nietigheid van het besluit voor gedekt verklaard. Daartoe heeft het Gerecht, samengevat, het volgende overwogen. Het benoemingsbesluit heeft, zoals ook is bevestigd door de Raad bij uitspraak van 10 augustus 2016, formele rechtskracht verkregen omdat appellant tegen het benoemingsbesluit geen bezwaar heeft gemaakt. Appellant heeft geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden gesteld. Niet is onderbouwd waarom het alternatieve voorstel van [ambtenaar] van 31 december 2010 een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is. Ook betekent de enkele omstandigheid dat het verzoek van 5 oktober 2010 op een andere ingangsdatum ziet, niet dat er sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

2. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Appellant heeft aangevoerd dat het benoemingsbesluit geen formele rechtskracht heeft verkregen, omdat geïntimeerde niet heeft beslist op zijn bij onder 1.2 genoemde e-mailbericht gemaakte bezwaar. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 10 augustus 2016 reeds heeft overwogen, kan dat e-mailbericht niet worden aangemerkt als een geschrift waarbij appellant een rechtsmiddel heeft ingesteld tegen het benoemingsbesluit. Het bericht was immers niet gericht aan het bevoegd gezag en vermeldde ook niet dat appellant beoogde een rechtsmiddel in te stellen. In wat appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om op dat oordeel terug te komen. In de brief van [ambtenaar] van 31 december 2010, waarnaar appellant verwijst, staat weliswaar dat verschillende werknemers van de directie, waaronder appellant, bezwaarschriften hebben ingediend, maar een als bezwaarschrift in de zin van de RAr aan te merken geschrift heeft appellant niet overgelegd. Bovendien staat bij de naam van appellant vermeld dat hij verzoekt per 1 augustus 2004 tot beleidsadviseur te worden benoemd en per 1 september 2009 tot senior beleidsadviseur. Daaruit maakt de Raad op dat de brief van 31 december 2010 gaat over het verzoek van appellant van 5 oktober 2010 en niet over een tegen het benoemingsbesluit ingesteld rechtsmiddel.

3.2.

Appellant heeft aangevoerd dat, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, wel sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Zijn verzoek van 28 november 2014 is immers gewijzigd ten opzichte van zijn eerdere verzoek van 5 oktober 2010. Verder heeft appellant nieuwe argumenten die pleiten voor inwilliging van zijn verzoek van 28 november 2014.

3.3.

Volgens vaste rechtspraak worden onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

3.4.

Wat appellant heeft aangevoerd kan niet worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het Gerecht heeft met juistheid overwogen dat het enkele feit dat de verzoeken van 5 oktober 2010 en 28 november 2014 op verschillende ingangsdata voor de gewenste benoemingen zien, niet als nieuw feit kan worden gezien. Voor zover appellant meent dat de meergenoemde brief van 31 december 2010 een nieuw feit vormt, wordt geoordeeld dat appellant deze brief al in de onder 1.3 bedoelde procedure had kunnen overleggen. Ook nieuwe argumenten hadden in die procedure kunnen worden ingebracht. Geïntimeerde heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat om terug te komen op het benoemingsbesluit.

3.5.

Wat appellant overigens in hoger beroep heeft aangevoerd kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

4. De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor het toekennen van een vergoeding van de materiële en immateriële schade of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Raad:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Aldus gegeven door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. L.C. Hoefdraad, en mr. J. Sybesma, leden, en uitgesproken in het openbaar op 1 september 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.