Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBAACM:2021:2

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
13-04-2021
Zaaknummer
CUR2019H00221 en CUR2020H00387
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Fictieve weigering verzoek van ambtenaar om benoeming in functie met terugwerkende kracht. Geen procesbelang. Er is inmiddels een reëel besluit genomen. Inhoudelijke beoordeling daarvan zou leiden tot verlies van instantie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

CURAÇAO

Uitspraak op de hoger beroepen van:

[appellante],

appellante,

gemachtigde: P.W. Rompel,

tegen de uitspraken van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Curaçao van 10 mei 2019, CUR201701346 en CUR201702520 (aangevallen uitspraak 1), en van 4 november 2020, CUR202001201 (aangevallen uitspraak 2), in de gedingen tussen:

appellante,

en

de Regering van Curaçao,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J.G. Ricardo, werkzaam bij het Land Curaçao.

Procesverloop

Bij verzoekschrift van 3 oktober 2016 heeft appellante geïntimeerde verzocht om haar met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2002 te benoemen in de functie van senior beleidsmedewerker P&O (verzoek).

Op 31 augustus 2017 heeft appellante tegen de weigering op het verzoek te beslissen bezwaar gemaakt bij het Gerecht.

Bij brief van 21 september 2017 heeft appellante tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek administratief beroep ingesteld bij geïntimeerde.

Op 21 november 2017 heeft appellante tegen de weigering op het administratief beroep te beslissen bezwaar gemaakt bij het Gerecht.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft het Gerecht het bezwaar van 31 augustus 2017 gegrond verklaard, geïntimeerde opgedragen binnen drie maanden op het verzoek te beslissen, de verzoeken om dwangsom en schadevergoeding afgewezen en het bezwaar van 21 november 2017 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 17 mei 2019 heeft appellante geïntimeerde verzocht uitvoering te geven aan de uitspraak van 10 mei 2019 en op uiterlijk 10 augustus 2019 positief te beschikken.

Op 12 mei 2020 heeft appellante tegen de weigering op het verzoek van 17 mei 2019 te beslissen bezwaar gemaakt bij het Gerecht.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft het Gerecht het bezwaar van 12 mei 2020 ongegrond verklaard.

Appellante heeft hoger beroepen ingesteld tegen aangevallen uitspraken 1 en 2 en verzocht om veroordeling van geïntimeerde tot vergoeding van materiële en immateriële schade.

Geïntimeerde heeft contramemories ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

De Raad heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 19 maart 2019. Namens appellante is haar gemachtigde verschenen. Geïntimeerde heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Appellante beoogt met de hoger beroepen tegen aangevallen uitspraken 1 en 2 te bereiken dat geïntimeerde een beslissing neemt op haar verzoek van 3 oktober 2016 om haar met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2002 te benoemen in de functie van senior beleidsmedewerker P&O.

1.1.

Geïntimeerde heeft bij besluit van 6 oktober 2020, door appellante ontvangen op 19 januari 2021, het onder 1 genoemde verzoek van appellante afgewezen. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt bij het Gerecht. Dit bezwaar is geregistreerd onder zaaknummer CUR202100482.

1.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad is voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van een bezwaar of beroep bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het instellen van bezwaar of beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van alleen een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.

1.3.

Gelet op het door geïntimeerde genomen besluit van 6 oktober 2020 heeft appellante niet langer procesbelang bij een beoordeling van haar hoger beroepen. Zij heeft hiermee immers beoogd dat geïntimeerde een beslissing nam op haar verzoek van 3 oktober 2016. Met het besluit van 6 oktober 2020 is geïntimeerde hieraan tegemoet gekomen.

1.4.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1674), kan de omstandigheid dat schade is geleden als gevolg van bestuurlijke besluitvorming tot het oordeel leiden dat sprake is van een actueel procesbelang. Daarvoor is echter vereist dat de stelling dat schade is geleden als gevolg van bestuurlijke besluitvorming niet op voorhand onaannemelijk is.

1.5.

Appellante heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt in welke zin en tot welk bedrag zij schade heeft geleden als gevolg van het uitblijven van een beslissing op haar verzoek van 3 oktober 2016. Bij gebreke van enig concreet gegeven over mogelijke schade, wordt op voorhand onaannemelijk geacht dat appellante schade in enigerlei vorm heeft geleden. Van procesbelang als gevolg van geleden schade is daarom geen sprake.

1.6.

De slotsom is dat de hoger beroepen niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang en dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wordt afgewezen.

2. De Raad overweegt overigens nog het volgende. Ter zitting heeft appellante verzocht om een inhoudelijke behandeling van haar bezwaar tegen het besluit van 6 oktober 2020. Appellante heeft daarbij onder meer gewezen op de omstandigheid dat al veel tijd is verstreken sinds haar verzoek van 3 oktober 2016 om te worden benoemd in de door haar gewenste functie. Verder heeft appellante verwezen naar de gronden die zij in het nadere stuk van 12 maart 2021 tegen het besluit van 6 oktober 2020 heeft aangevoerd. Onder omstandigheden is het vanuit een oogpunt van rechtsbescherming denkbaar dat het hangende bezwaar of beroep tegen een fictieve weigering genomen reële besluit wordt betrokken in de lopende procedure over de fictieve weigering. Die omstandigheden zijn in het geval van appellante niet aan de orde. Appellante heeft bij het Gerecht immers tijdig bezwaar ingediend tegen het besluit van 6 oktober 2020. Beoordeling van het bezwaar door de Raad zou dan voor appellante leiden tot verlies van instantie, omdat de beoordeling van haar bezwaar door het Gerecht wordt overgeslagen.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Raad:

  • -

    verklaart het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet-ontvankelijk;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Aldus gegeven door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. L.J.J. Rogier en drs. P.J. Thijssen, leden, en uitgesproken in het openbaar op 1 april 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.