Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBAACM:2021:19

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
AUA2017H00190
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 106 Lvar.

Het beroepschrift bevat niet de gronden van het beroep. Van de geboden gelegenheid om het verzuim te herstellen is geen gebruik gemaakt. De Raad verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Formele relatie: ECLI:NL:OGAACMB:2017:97

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

ARUBA

Beschikking op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba van
18 september 2017, AUA201600601 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen:

appellant,

gemachtigde: mr. E. Duijneveld, advocaat

en

de minister van Justitie,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. M.P. Jansen, werkzaam bij DWJZ

Procesverloop

Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant op 19 oktober 2017 hoger beroep ingesteld bij de Raad.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 104, eerste lid, aanhef en onder c, van de Lvar houdt het beroepschrift de gronden in waarop het hoger beroep berust.

Op grond van artikel 105 wijst de voorzitter van de Raad de inzender van een beroepschrift die de voorschriften van artikel 104 niet in acht heeft genomen, op het gepleegde verzuim en nodigt hem uit dit binnen een bepaalde termijn te herstellen.

Op grond van artikel 106, eerste lid, kan degene die niet binnen de door de voorzitter bepaalde termijn het door hem gepleegde verzuim heeft hersteld, zonder dat een nader onderzoek vereist is, door de Raad in zijn beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

2. Appellant heeft op 19 oktober 2017 een zogeheten pro forma beroepschrift ingediend tegen de aangevallen uitspraak. Hierin ontbreken de gronden van het beroep. In het beroepschrift heeft appellant aangekondigd zo spoedig mogelijk de gronden in te dienen. Bij brief van 24 november 2017 heeft de Raad appellant in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na dagtekening van de brief, dat wil zeggen voor 22 december 2017, een aanvullend beroepschrift in te dienen.

3. Appellant heeft van de geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt en ook niet om uitstel verzocht. Gelet hierop zal de Raad toepassing geven aan artikel 106, eerste lid, van de Lvar en het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaren.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Raad verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gegeven door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mrs. J. Sybesma en L.J.J. Rogier, leden, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.