Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBAACM:2021:11

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
AUA2017H00183
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek bevordering naar hogere rang met bijbehorende bezoldiging afgewezen. Beroep op gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Hoger beroep ongegrond. Wel aanleiding tot proceskostenveroordeling omdat geïntimeerde van belang zijnde stukken in een eerste aanleg al had kunnen en behoren te overleggen zodat appellant niet nodeloos had behoeven te procederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraakdatum: 1 april 2021

Zaaknummer: AUA2017H00183

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

ARUBA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

wonend in Aruba,

appellant,

gemachtigde: mr. L.A. Hernandis,

tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken, zittingsplaats Aruba, van 21 augustus 2017, zaaknummer GAZA 454 van 2016, in het geding tussen:

appellant

en

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan, werkzaam bij de Directie Wetgeving en Juridische Zaken.

Procesverloop

Bij landsbesluit van 24 februari 2016 heeft geïntimeerde het verzoek van appellant om de ingangsdatum van zijn bevordering naar de functie van ploegcommandant (schaal 8) afgewezen (de afwijzing).

Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het door appellant tegen de afwijzing gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.

Geïntimeerde heeft een contramemorie ingediend.

Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van de Raad hebben beide partijen erin toegestemd dat de Raad dit hoger beroep - in verband met de covid-19-omstandigheden - behandelt en afdoet zonder de zaak op een openbare zitting te behandelen. In verband daarmee hebben beide partijen gebruik gemaakt van de hun geboden gelegenheid een pleitnotitie (met bijlagen) in te dienen. Van de aan partijen geboden gelegenheid op elkaars pleitnotities te reageren, heeft geïntimeerde, onder inzending van enkele producties, gebruik gemaakt.

De Raad heeft de zaak mede op basis van de nadere stukkenwisseling beoordeeld.

Overwegingen

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Sinds 2002 was appellant ploegcommandant Binnendienst bij het Korrectie Instituut Aruba (KIA) van de Dienst Gevangeniswezen Aruba (DGW), ingeschaald in schaal 7. Op 15 juni 2012 behaalde hij het diploma Midden Kader Opleiding. Omdat appellant op grond van zijn jaren ervaring en het behaalde diploma voldeed aan de eisen om bevorderd te kunnen worden naar schaal 8, is hij bij besluit van 16 september 2013 bevorderd tot ploegcommandant schaal 8 met ingang van 1 juli 2012. Het bezwaar van appellant tegen de ingangsdatum van zijn bevordering, welk bezwaar was gebaseerd op een beroep op het gelijkheidsbeginsel - aan zijn collega’s Boekhoudt en Zievinger was destijds voorbijgegaan aan het opleidingsvereiste -, heeft geresulteerd in de uitspraak van het Gerecht van 25 augustus 2014. Daarbij is de bestreden beschikking nietig verklaard en is aan geïntimeerde de opdracht gegeven om een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak was overwogen. Het Gerecht was van oordeel dat er nog zoveel onduidelijkheid was blijven bestaan omtrent de omstandigheden waaronder en gronden waarop de door appellant genoemde collega’s destijds zijn bevorderd, dat de bestreden beschikking op dit punt niet deugdelijk is gemotiveerd.

1.2.

Bij de thans aan de orde zijnde afwijzing heeft geïntimeerde de (eerder) door appellant betwiste ingangsdatum van zijn bevordering gehandhaafd en heeft hij het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel verworpen. Hij heeft overwogen dat destijds bij de DGW verschillende leidinggevenden conform een beleidsmatige beslissing werden ingepast en bevorderd; dat de eenmalige beleidsmatige beslissing inhield dat verschillende leidinggevenden, die een vitale functie bekleedden, werden ingepast of bevorderd naar de eerstvolgende schaal zonder het nadrukkelijk voldoen aan de diploma-eis; dat deze eenmalige beleidsbeslissing werd toegepast in verband met de overgang naar een nieuwe rangen- en functiestructuur bij de DGW, waarbij gold dat een werknemer een vitale functie moest bekleden waaronder coördinatrice- of teamleidersfunctie; dat de eenmalige beleidsbeslissing niet op appellant van toepassing was aangezien hij geen vitale functie vervulde; dat appellant feitelijk niet in de functie van ploegcommandant werkzaam was maar als planner.

2. Het Gerecht heeft het bezwaar tegen de afwijzing ongegrond verklaard. Overwogen is dat appellant de stelling van geïntimeerde onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, hetgeen betekent dat laatstgenoemde thans voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat van gelijke gevallen geen sprake is en dat appellants beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

3.1.

Appellant stelt in zijn beroepschrift dat het Gerecht er ten onrechte aan is voorbijgegaan dat de genoemde collega’s dezelfde functie vervulden als hij en dat hij ook een vitale functie vervulde. Op grond van het gelijkheidsbeginsel komt hem dus ook een bevordering toe zonder dat aan de diploma-eis moest zijn voldaan. Dat geïntimeerde het voorstel van het managementteam om appellant met ingang van 2006 te bevorderen, naast zich heeft neergelegd, getuigt van disrespect, aldus appellant.

3.2.

In zijn pleitnotitie stelt appellant dat de meergenoemde medewerkers ten tijde van hun bevordering naar schaal 8 de functie van ploegcommandant bij de DGW bekleedden. Collega Zievinger werd daarna in de functie geplaatst van coördinatrice Vrouwenafdeling; collega Boekhoudt was is in de functie van ploegcommandant gebleven, aldus appellant. Verder is de functie van ploegcommandant te beschouwen als een (vitale) leidinggevende functie. Bij het KIA werd niet gesproken van vitale functies.

4.1.

Geïntimeerde heeft bij contramemorie (opnieuw) gesteld dat de twee door appellant bedoelde collega’s ten tijde van belang niet een zelfde functie vervulden als appellant. De functie van Zievinger was die van coördinatrice Vrouwenafdeling en die van Boekhoudt die van teamleider. In deze beide functies gaat het om vitale functies als bedoeld in het destijdse beleid in het kader van de overgang naar een nieuwe rangen- en functiestructuur bij de DGW.

4.2.

In zijn pleitnotitie en zijn reactie op de pleitnotitie van appellant stelt geïntimeerde opnieuw dat de situatie van appelant en die van beide genoemde collega’s niet gelijk waren. Aan de hand van op deze laatsten betrekking hebbende landsbesluiten wordt onderbouwd dat de genoemde collega’s ten tijde van belang niet de functie van ploegcommandant vervulden als door appellant vervuld, maar de evenvermelde functies bekleedden die zijn aan te merken als vitale functies.

5. De Raad onderschrijft het oordeel van het Gerecht.

5.1.

Appellant heeft ook de Raad er niet van kunnen overtuigen dat hij, appellant, op grond van het gelijkheidsbeginsel reeds met ingang van 2006 voor bevordering in aanmerking moe(s)t worden gebracht. Blijkens de (overgelegde) stukken is ten tijde van hun bevordering naar schaal 8 de functie van appellant - ploegcommandant - immers niet gelijk aan die van de meer genoemde collega’s. Weliswaar heeft ook collega Zievinger na het vervullen van de vitale functie van coördinatrice Vrouwenafdeling enige tijd de functie bekleed van ploegcommandant Vrouwenafdeling maar in de periode voorafgaande aan haar bevordering naar schaal 8 vervulde zij de vitale functie van teamleider beveiliging. Ook collega Boekhoudt bekleedde op dat moment deze laatste functie.

5.2.

De omstandigheid dat (de voorzitter van) het managementteam zich blijkens een brief aan de minister van Justitie op het standpunt heeft gesteld dat de ingangsdatum van appellants bevordering op een fout berust en dat die datum 1 mei 2006 behoort te zijn, is bepaald onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Niet alleen is niet onderbouwd waarom hier sprake zou zijn van een fout, maar ook bevat die brief geen relevante informatie over de inhoud van de te vergelijken functies.

6. De slotsom is dat de afwijzing in rechte stand kan houden en dat de aangevallen uitspraak dus moet worden bevestigd.

7. Omdat geïntimeerde pas in de fase van het hoger beroep stukken heeft overgelegd die zijn standpunt deugdelijk onderbouwen terwijl hij die stukken in de fase van de gedingen in eerste aanleg had kunnen en behoren te verschaffen zodat appellant niet nodeloos had behoeven te procederen, ziet de Raad aanleiding tot een veroordeling van geïntimeerde in de proceskosten van appellant. Met overeenkomstige toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze bepaald op Afl. 2.800,00.

Beslissing

De Raad van Beroep:

bevestigt de aangevallen uitspraak;

veroordeelt geïntimeerde tot betaling aan appellant van zijn proceskosten tot een bedrag van Afl 2.800,00 (tweeduizend achthonderd Arubaanse guldens) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Deze uitspraak is gewezen door mr. H.A.A.G. Vermeulen, voorzitter, en mrs. J. Sybesma en L.C. Hoefdraad, leden, en is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2021.