Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBAACM:2020:9

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
06-03-2020
Datum publicatie
29-04-2020
Zaaknummer
CUR2014H00006
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet tegen uitspraak van de voltallige Raad niet-ontvankelijk, omdat artikel 107 RAr daarom niet leent. Verzoek om herziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (RAr 1951)

Uitspraakdatum: 6 maart 2020

Zaaknummer: RvBAz CUR2014H00006

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

Zittingsplaats Curaçao

Uitspraak op het verzet en het verzoek om herziening van:

[opposante] ([opposante]),

wonende te Curaçao,

opposante onderscheidenlijk verzoekster,

tegen de uitspraak van de Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van 17 juni 2015 inzake zaaknummers: RvBAz 2013/54863, 2013/62184 en 2013/56992 in het geding tussen:

[opposante],

en

de Regering van Curaçao (de Regering).

1 Procesverloop

In de zaak met nummer 56992

1.1

Bij brief van 23 maart 2012 heeft [opposante] bezwaar gemaakt bij de fdeling HR/OO/IT tegen het Landsbesluit van 5 december 2011, no. 11/4319, waarbij [opposante] is aangesteld in de functie van Beleidsmedewerker C met als bezoldiging schaal 13, trede 3.

1.2

Bij brief van 27 februari 2012 heeft [opposante] bij de Regering bezwaar gemaakt tegen de brief van de Minister van Financiën van 23 februari 2012, waarbij zij de Regering heeft verzocht een formele beschikking te nemen.

1.3

Bij brief van 13 juli 2012heeft [opposante] bij het Gerecht in ambtenarenzaken (het Gerecht) bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op de onder 1.1 en 1.2 vermelde brieven.

1.4

Bij uitspraak van 24 april 2013 (GAZ 56992/2012) is het bezwaar ongegrond verklaard voor zover gericht tegen de weigering te beslissen op het bezwaarschrift van 23 maart 2012 en is het bezwaar gegrond verklaard voor zover gericht op de weigering te beslissen op de brief van 27 februari 2012, die als bezwaarschrift in de zin van artikel 11 van het Bezoldigingslandsbesluit 1998 moet worden beschouwd. De Regering is in de uitspraak opgedragen binnen een maand een beschikking te nemen op het bezwaarschrift van 27 februari 2012.

1.5

Tegen de uitspraak van 24 april 2013 heeft [opposante] op 21 mei 2013 hoger beroep ingesteld bij de Raad.

1.6

Bij uitspraak van 17 juni 2015 heeft de Raad dit beroep gegrond verklaard, de uitspraak van het Gerecht vernietigd en opnieuw recht doende, het bezwaar zoals ingediend niet-ontvankelijk verklaard.

In de zaak met nummer 54863

1.7

Bij brief van 18 augustus 2010 is in verband met het verkrijgen van de status van autonoom land aan [opposante] een functieaanbod gedaan in de ambtelijke organisatie van het Land Curaçao, inhoudende dat [opposante] de volgfunctie senior beleidsmedewerker wordt toegekend met als bezoldiging schaal 13, trede 3. Bij brief van 15 september 2010 heeft [opposante] bezwaar gemaakt tegen dit aanbod bij de bezwarencommisie aanbod Land Curaçao. Laatstgenoemde commissie heeft het bezwaar van [opposante] bij – voor de Regering – bindend advies, dat bij brief van de Regering van 6 april 2011 aan [opposante] is medegedeeld, ongegrond verklaard.

1.8

Op 7 mei 2011 is [opposante] bij het Gerecht in bezwaar gekomen tegen voornoemd bindend advies. Dit bezwaarschrift is bij het Gerecht in het ongerede geraakt. Uiteindelijk heeft het Gerecht beslist dat het bezwaarschrift alsnog in behandeling wordt genomen (zie hierna 1.13 en verder).

1.9

Bij Landsbesluit van 5 december 2011, no. 11/4313, is [opposante] aangesteld in de functie van Beleidsmedewerker C met als bezoldiging schaal 13, trede 3. Tegen dit Landsbesluit heeft [opposante] bezwaar gemaakt op 23 maart 2012 (zie ook hiervoor onder 1.1).

1.10

Het onder 1.9 bedoelde bezwaar is door het Gerecht in de uitspraak van 14 december 2012 (GAZ 2011/54863) niet-ontvankelijk verklaard.

1.11

Tegen de uitspraak van het Gerecht van 14 december 2012 heeft [opposante] op 11 januari 2014 beroep ingesteld bij de Raad.

1.12

Bij uitspraak van 17 juni 2015 heeft de Raad dit beroep gegrond verklaard en de uitspraak van het Gerecht vernietigd.

In de zaak met nummer 62184

1.13

Bij bezwaarschrift van 7 mei 2011 is [opposante] bij het Gerecht in bezwaar gekomen tegen het onder 1.7 reeds genoemde bindend advies.

1.14

Op 20 september 2013 heeft het Gerecht een tussenuitspraak gewezen, waarbij de Rereging is opgedragen enkele stukken in het geding te brengen.

1.15

Bij einduitspraak van 7 november 2013 (GAZ 62184/2013) heeft het Gerecht het bezwaar ongegrond verklaard.

1.16

Tegen de uitspraak van het Gerecht van 7 november 2013 heeft [opposante] op 13 november 2013 beroep ingesteld bij de Raad.

1.17

Bij uitspraak van 17 juni 2015 heeft de Raad dit beroep gegrond verklaard, de uitspraak van het Gerecht vernietigd, het bindend advies dat bij brief van de Regering van 6 april 2011 aan [opposante] is meegedeeld nietig verklaard en bepaald dat de rechtspositionele gevolgen van het functieaanbod van 18 augustus 2010 en het daarna genomen rectificatiebesluit ten aanzien van [opposante] in stand worden gelaten.

1.18

Tegen de uitspraak van de Raad van 17 juni 2015, als genoemd onder 1.6, 1.12 en 1.17, heeft [opposante] op 14 juli 2015 verzet gedaan bij de Raad. Op 21 augustus 2015 heeft [opposante] aan de Raad tevens om herziening van deze uitspraak gevraagd.

1.19

De Raad heeft het verzet en het verzoek om voorziening gevoegd behandeld ter zitting van 19 februari 2020. [opposante] is daar in persoon verschenen. De Regering heeft zich doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld door mr. J.G. Ricardo, werkzaam bij het Land.

2 Overwegingen

Met betrekking tot het verzet

2.1

Op grond van artikel 107, eerste lid, van de RAr 1951 kan de voorzitter van de Raad, zonder dat een nader onderzoek door de Raad is vereist, bij met redenen omklede beschikking het beroep niet-ontvankelijk of ongegrond verklaren, indien het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.

Op grond van artikel 108, eerste lid, kan de indiener van een beroepschrift binnen dertig dagen na de dag van een uitspraak als bedoeld in artikel 107, dan wel van toezending of van de terhandstelling van die uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Raad.

2.2

De uitspraak van de Raad van 17 juni 2015, waartegen het verzet van [opposante] is gericht, is niet een uitspraak als bedoeld in artikel 107 van de RAr 1951. Deze uitspraak is gedaan na onderzoek ter zitting en niet slechts door de voorzitter, maar door de Raad in volledige samenstelling.

2.4

Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de vereisten voor het indienen van een ontvankelijk verzetschrift. Het verzet zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Met betrekking tot het herzieningsverzoek

2.5

Op grond van artikel 135 van de RAr 1951 kan ieder die partij is in een geding in hoger beroep binnen drie maanden nadat van enige omstandigheid is gebleken, die bij de behandeling van het beroep aan de Raad niet bekend was en die op zichzelf of in verband met andere feiten of omstandigheden ernstige twijfel doet ontstaan aan de juistheid van de uitspraak van de Raad, de herziening van die onherroepelijk geworden uitspraak verzoeken.

2.6

Noch uit het verzoek om herziening en de omvangrijke hoeveelheid daarbij gevoegde documenten, noch uit hetgeen [opposante] ter zitting in haar toelichting daarop naar voren heeft gebracht is de Raad gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 135 van de RAr 1951.

2.7

Al hetgeen [opposante] in haar verzoek om herziening en ter zitting naar voren heeft gebracht, komt neer op een herhaling van zetten uit de hogerberoepsprocedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 17 juni 2015.

2.8

Ook de bij het verzoek om herziening gevoegde en ter zitting besproken brief van 23 maart 2012 van mr. [C] - destijds beoogd Sector Directeur bij de Inspectie Belastingen - die [opposante] naar eigen zeggen eerst na de uitspraak van 15 juni 2015 onder ogen kreeg, geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat deze, ware de Raad daarmee eerder bekend geweest, hem tot een ander oordeel zou hebben geleid, te meer daar aan de ambtelijke mening van mr. Taylor, dat de functie van inspecteur bij de Inspectie Belastingen te laag was gewaardeerd, geen gerechtvaardigde verwachtingen konden worden ontleend.

2.9

Gelet op het voorgaande dient het verzoek om herziening te worden afgewezen.

2.10

Voor een veroordeling tot schadevergoeding dan wel tot vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

3 Beslissing

De Raad:

  • -

    verklaart het verzet niet-ontvankelijk;

  • -

    wijst het verzoek om herziening af.

Aldus gegeven door mr. D. Haan, voorzitter, drs. P.J. Thijssen en mr. dr. L.J.J. Rogier, leden, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.