Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBAACM:2020:4

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
07-04-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
CUR2017H00042 & -43
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om toelage met terugwerkende kracht.

Aanspraken na 5 jaar niet meer in rechte afdwingbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RAAD VAN BEROEP IN AMBTENARENZAKEN

Zittingsplaats Curaçao

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant 1],

gemachtigde: mr. S.P. Osepa, advocaat,

2. [ [appellant 2],

gemachtigde: mr. B. Lie-Atjam, advocaat,

beiden wonend in Curaçao,

appellanten,

tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken, zittingsplaats Curaçao, van 23 mei 2017 (de aangevallen uitspraak), in de zaken nrs. GAZ 2015/75172 en GAZ 2016/77697, in de gedingen tussen:

appellanten,

en

de Minister van Justitie,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. S.X.T. Hato, advocaat.

Procesverloop

Bij besluiten van 10 juni 2014 heeft geïntimeerde afgewezen de verzoeken van appellanten van 20 juli 2012 om toekenning vanaf september 2000 van het verschil van bezoldiging tussen hun functie Juridisch Medewerker en die van Chef Kabinet, dan wel een toelage op grond van artikel 9 van het Bezoldigingslandsbesluit 1998 (het BzL) van maximaal 25% (de afwijzingen).

Appellanten hebben daartegen bij geïntimeerde bezwaren ingediend en tegen de weigeringen daarop tijdig te beslissen (de fictieve weigeringen) bezwaren bij het Gerecht.

Bij besluit van 30 december 2015 heeft de Regering van Curaçao de daartegen gerichte bezwaren van appellanten alsnog ongegrond verklaard (de beslissing op de bezwaren).

Appellanten hebben ook daartegen bezwaren ingediend bij het Gerecht.

Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht de bezwaren van appellanten gericht tegen de fictieve weigeringen niet-ontvankelijk en de bezwaren tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

Appellanten hebben daartegen hoger beroep ingesteld en de gronden daarvan aangevuld.

Geïntimeerde heeft een contramemorie ingediend in beide zaken.

De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 februari 2020. Daar zijn appellanten verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Geïntimeerde heeft zich daar doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door R. Martina, medewerker van het kabinet van geïntimeerde.

Overwegingen

1. Appellanten zijn met ingang van 1 september 2000 benoemd in de functie van Juridisch Medewerker, bezoldigd naar schaal 10, bij het Korps Politie Nederlandse Antillen, onderdeel Kabinet Chef van Politie.

De functie van Chef Kabinet CPC/Juridisch adviseur (de functie), bezoldigd naar schaal 13, is sedert hun benoeming jarenlang niet vervuld geweest en appellanten claimen dat zij de functie in die periode (grotendeels) hebben waargenomen. Hun verzoeken van 20 juli 2012 (de verzoeken) zijn erop gericht alsnog een passende beloning toegekend te krijgen voor die extra inspanningen op een hoger niveau dan hun eigen functie.

Procedureel

2. Ambtshalve daarover oordelend, overweegt de Raad dat de Regering ten onrechte de beslissing op de bezwaren heeft genomen. Tegen de door geïntimeerde gegeven afwijzingen stond geen administratief beroep open, noch op grond van de artikelen 120 en 121 van het Besluit rechtspositie KPNA 2000 (het BrKPNA), en evenmin op grond van artikel 11 van het BzL.

Appellanten zijn weliswaar ambtenaren van politie, maar niet belast met politietaken. Daarom gelden voor hen niet de bepalingen uit Hoofdstuk II, § 4, onder het kopje “Bezoldiging, vergoedingen en toelagen”, net zomin als de bepalingen uit Hoofdstuk IX over bezwaar bij het bevoegd gezag tegen daarop gebaseerde beslissingen. Overigens heeft de Raad bij uitspraak van 3 maart 2020, zaaknr. CUR2019H00075, geoordeeld dat de artikelen over dat bezwaar wegens strijd met artikel 3, van de RAr 1951 buiten toepassing dienen te blijven.

Voor appellanten gelden, voor zover hier van belang, de bepalingen in Hoofdstuk IV, onder het kopje “Bezoldiging, uitkeringen en toelagen”, van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht (de LMA) en de bepalingen van het daarop gebaseerde BzL. Bij zijn uitspraak van 10 november 2017 (ECLI:NL:ORBAACM:2017:6) heeft de Raad reeds geoordeeld dat artikelen 11 en 12 van het BzL over administratief beroep tegen daarop gebaseerde beslissingen alleen van toepassing zijn bij beslissingen waaraan een beoordeling als bedoeld in het LMA ten grondslag ligt. Dat is hier niet het geval.

3. Het Gerecht heeft dit bij de aangevallen uitspraak niet onderkend, ofschoon het wél geïntimeerde als verweerder heeft aangewezen. Nu het Gerecht heeft nagelaten de beslissing op de bezwaren als onbevoegd genomen te vernietigen, zal de Raad dat alsnog doen. De hoger beroepen moeten gegrond worden verklaard en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal, doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, de bezwaren als gericht tegen de afwijzingen alsnog toetsen op de grondslag van de door appellanten daartegen aangevoerde gronden.

Toetsing van de afwijzingen

4. De Raad begint met vast te stellen dat, in het licht van de toepasselijke bepalingen uit de LMA en het BzL, de verzoeken zien op toekenning van ofwel een waarnemingstoelage op grond van artikel 25 van de LMA ofwel de toekenning van een toelage op grond van het op artikel 20 van de LMA gebaseerde artikel 9 van het BzL.

Nu de afwijzingen uitsluitend daarop betrekking kunnen hebben, laat de Raad de betogen van appellanten over hun vermeende aanspraak op bevordering naar de schaal 13 functie buiten verdere beschouwing.

5. Vervolgens is de Raad van oordeel dat geïntimeerde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor zover de verzoeken betrekking hebben op aanspraken van ouder dan vijf jaren die aanspraken in zoverre op grond van het rechtszekerheidsbeginsel niet meer in rechte afdwingbaar zijn. Gewezen wordt hier op het bepaalde bij artikel 114 van de LMA (verjaring na vijf jaren van rechtsvorderingen ter zake van geldelijke aanspraken), waaraan dat algemene rechtsbeginsel ook ten grondslag ligt.

Nu niet is gebleken dat appellanten de verzoeken niet eerder hadden kunnen doen, en evenmin appellanten hebben dat wel gesteld, maar in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat er van de kant van geïntimeerde toezeggingen zijn gedaan over het met terugwerkende kracht honoreren van de betrokken aanspraken, is er geen grond voor het toelaten van een uitzondering op vermeld algemeen rechtsbeginsel. Dat geïntimeerde, althans de Regering, frequent, zoals appellanten hebben betoogd, oudere aanspraken van ambtenaren alsnog honoreert, doet aan het voorgaande niet af. In beginsel heeft geïntimeerde, althans de Regering, die bevoegdheid, maar dat betekent niet dat het een rechtens afdwingbare verplichting vormt. Dat zou anders kunnen liggen indien in gelijke gevallen niet gelijk wordt beslist, maar daarvan is hier niet gebleken. De door appellanten ter zake overgelegde Landsbesluiten betreffen geen met de gevallen van appellanten op één lijn te plaatsen gevallen.

De Raad zal de verdere toetsing van de rechtmatigheid van de afwijzingen dan ook beperken tot de periode van vijf jaren voor de verzoeken tot de datum waarop de afwijzingen zijn gegeven, dus van 12 juli 2007 tot 10 juni 2014 (de periode).

6. Wat er zij van de situatie vóór de periode, die hier dus buiten beschouwing moet blijven, vanaf de aanvang van de periode was er geen grond (meer) voor toekenning van een waarnemingstoelage op grond van artikel 25 van de LMA, reeds omdat geïntimeerde aannemelijk heeft gemaakt dat de functie in de periode feitelijk werd vervuld en dus niet (meer) behoefde te worden waargenomen. Volstaan wordt hier met te verwijzen naar de overgelegde functioneringsverslagen betreffende appellanten uit 2007, waaruit blijkt dat die zijn vastgelegd door een leidinggevende belast met de functie.

7. Wat betreft de beslissing van geïntimeerde appellanten over de periode geen toelage op grond van artikel 9 van het BzL (de toelage) toe te kennen, overweegt de Raad als volgt.

De door appellanten overgelegde verklaringen van collega’s, waarmee zij beogen aan te tonen dat hun functioneren zodanig was dat zij voor de toelage in aanmerking kwamen, zijn niet dermate concreet dat daarmee aannemelijk is gemaakt dat zij in de periode structureel zoveel meer hebben gedaan dan wat tot hun functie gerekend kon worden of zoveel extra werk hebben verzet dat zij zich in die mate onderscheiden van hun collega’s dat dit redelijkerwijs niet zonder extra beloning mocht blijven. Andere objectieve bronnen, zoals bijvoorbeeld functioneringsverslagen of beoordelingen, voor een dergelijke vaststelling ontbreken evenzeer. Uit de reeds vermelde functioneringsverslagen blijkt in ieder geval niet van grote inspanningen boven de eigen functie.

Niet geoordeeld kan dan ook worden dat geïntimeerde, aan wie ter zake van de toekenning van toelagen een grote discretionaire bevoegdheid toekomt, niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen de toelagen niet toe te kennen.

8. De slotsom is dat de afwijzingen rechtmatig moeten worden geoordeeld en dat de daartegen gerichte bezwaren ongegrond moeten worden verklaard.

9. Ofschoon appellanten uiteindelijk materieel in het ongelijk worden gesteld, ziet de Raad in de onjuiste procedurele gang van zaken aanleiding om met overeenkomstige toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het land Curaçao te veroordelen tot betaling van de proceskosten van appellanten in hoger beroep als hierna te melden. Voor enige verdere vergoeding als door appellanten verzocht bestaat geen grond.

Beslissing

De Raad:

- verklaart de hoger beroepen gegrond;

- vernietigt de aangevallen uitspraken;

- vernietigt de beslissing op de bezwaren;

- verklaart de bezwaren tegen de afwijzingen alsnog ongegrond;

- veroordeelt het land Curaçao tot betaling aan appellanten van hun proceskosten, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, tot een bedrag aan ieder van NAf 1.420 (zegge: duizendvierhonderden twintig Antilliaanse guldens).

Aldus gegeven door mr. Haan, voorzitter, mr. Rogier en drs. Thijssen, leden, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.