Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBAACM:2020:22

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
10-02-2020
Datum publicatie
11-08-2020
Zaaknummer
AUA2016H00067
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

disciplinaire straf van ontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraakdatum: 10 februari 2020

Zaaknummer: AUA2017H00067

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

Zittingsplaats Aruba

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

gemachtigde: mw. mr. V.M. Emerencia, werkzaam bij [dienst 1],

tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken, zittingsplaats Aruba, van 3 maart 2017, zaaknummer GAZA 1962 van 2016, in het geding tussen:

[geintimeerde],

wonend in [woonplaats],

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. E. Duijneveld,

en

appellant.

Procesverloop

Bij [landsbesluit 1] (landsbesluit) heeft geïntimeerde appellant met toepassing van artikel 83, eerste lid, onder i, van de Lma de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Subsidiair is aan appellant met toepassing van artikel 98, eerste lid, onder f, van de Lma eervol ontslag verleend.

Appellant heeft tegen het landsbesluit bezwaar gemaakt.

Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het landsbesluit vernietigd.

Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.

De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2020, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Geïntimeerde is in persoon verschenen met bijstand van zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2.

Op grond van bevindingen in een strafrechtelijk onderzoek naar het bedrijf [bedrijf 1] over valsheid in geschriften bij de invoer van vleesproducten heeft appellant aan geïntimeerde, [beroep geintimeerde] bij de [dienst 2], het verwijt gemaakt (a) dat hij niet fysiek aanwezig was tijdens het openen van containers bij een ondernemer en geen degelijke controle heeft uitgeoefend, (b) dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het vragen en aannemen van geld (steekpenningen) van de [belanghebbende], [beroep belanghebbende], en / of van zijn onderneming [bedrijf 1] en van de eigenaar van [bedrijf 2] in ruil voor het verlenen van onrechtmatige (ambtelijke) diensten en (c) dat hij onrechtmatig dozen naar zijn huis heeft meegenomen die pas na aandringen zijn teruggegeven.

1.3.

Geïntimeerde heeft hierin aanleiding gevonden aan appellant bij het landsbesluit de disciplinaire straf van ontslag op te leggen; subsidiair is appellant ontslag verleend wegens functionele ongeschiktheid.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het door appellant tegen het landsbesluit gemaakte bezwaar gegrond verklaard en is dat besluit vernietigd.

2.1.

Daartoe heeft het Gerecht overwogen dat onvoldoende is komen vast te staan dat geïntimeerde zich heeft schuldig gemaakt aan het aannemen van steekpenningen en het onrechtmatig meenemen van dozen. Het Gerecht heeft daartoe de overwegingen van de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 26 september 2016 onderschreven en tot de zijne gemaakt.

2.2.

Bedoelde voorzieningenrechter had vastgesteld dat appellant zijn beschuldigingen aan het adres van geïntimeerde (hoofdzakelijk) baseert op een drietal afgeluisterde telefoongesprekken tussen de genoemde [belanghebbende], en geïntimeerde. De voorzieningenrechter was er niet van overtuigd dat uit de processen-verbaal van twee van de getapte telefoongesprekken met voldoende zekerheid volgt dat geïntimeerde zich - kort gezegd - heeft laten betalen voor het verlenen van ambtelijke diensten. In het derde van de getapte gesprekken zag de voorzieningenrechter verder evenmin een voldoende basis voor de overtuiging dat het meenemen van de dozen (zodanig) onrechtmatig was (dat het tot het ontslag van geïntimeerde zou moeten leiden).

2.3.

Het Gerecht acht wel voldoende komen vast te staan dat geïntimeerde ten onrechte niet aanwezig is geweest bij het openen van een aantal containers. Maar dit enkele verwijt is naar het oordeel van het Gerecht onvoldoende zwaarwegend om aan geïntimeerde de zwaarst mogelijke disciplinaire straf op te leggen.

3. Appellant kan zich met die uitspraak niet verenigen.

3.1.

Appellant acht het in het licht van artikel 94, lid 4, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) onjuist dat het Gerecht - in de opvatting van appellant - niet onafhankelijk van de voorzieningenrechter tot zijn eigen beslissing is gekomen. Door de uitspraak van het Gerecht moet het beroep van appellant geacht worden eveneens te zijn gericht tegen de overwegingen van de voorzieningenrechter.

3.2.

Appellant is van opvatting dat het Gerecht - in het voetspoor van de voorzieningenrechter - ten onrechte niet tot de conclusie is gekomen dat geïntimeerde zich aan ontslagwaardig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt door niet fysiek aanwezig te zijn bij het openen van containers - welk feit is komen vast te staan -, door aan de [belanghebbende], opdracht te geven om “cobre di biaha ja nos tin cen” en aan de directeur van [Bedrijf 2] een voorschot te vragen - waarbij niet aannemelijk is dat het hier om ‘teerkosten’ ging - en door dozen mee te nemen zonder ontvangstbewijs achter te laten en zonder de kennelijke bedoeling deze terug te brengen. Appellant heeft daarbij aangegeven dat geïntimeerde wisselende standpunten over een en ander heeft ingenomen.

3.3.

Appellant heeft gesteld dat het Gerecht ten onrechte heeft overwogen dat slechts als plichtsverzuim in aanmerking kan worden genomen de afwezigheid van geïntimeerde bij het openen van containers. Appellant acht dit plichtsverzuim overigens een ernstige nalatigheid waardoor ernstige twijfels zijn gerezen ten aanzien van de integriteit van geïntimeerde. Daardoor is geïntimeerde tevens ongeschikt en onbekwaam voor de verdere uitoefening van zijn ambt.

3.4.

Appellant voert verder aan dat de voorzieningenrechter zijn bevoegdheid te buiten is gegaan door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het strafontslag te schorsen tot op het bezwaar in hoogste instantie zal zijn beslist.

4. Geïntimeerde is van opvatting dat het Gerecht tot een inhoudelijk juiste beslissing is gekomen.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1.

Blijkens de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht zelfstandig geoordeeld welk van het geïntimeerde verweten plichtsverzuim door hem is begaan, en welk niet. Kennelijk om praktische redenen heeft het Gerecht voor de motivering van dat oordeel verwezen naar overwegingen ter zake die eerder de voorzieningenrechter heeft gebruikt. Het Gerecht heeft die overwegingen tot de zijne gemaakt: zij vormen dus de eigen motivering van het oordeel van het Gerecht.

5.2.

De Raad deelt het oordeel van het Gerecht dat uit de (tekst van de) twee korte telefoongesprekken die voor appellant de basis vorm(d)en voor zijn opvatting dat geïntimeerde zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 1.2 (b) vermelde plichtsverzuim, niet met voldoende zekerheid volgt dat geïntimeerde zich voor het verrichten van ambtelijke diensten liet betalen. Zo is de door geïntimeerde gebruikte term ‘nos’ hier voor meerderlei uitleg vatbaar. Dit ‘wij’ kan zeker ook slaan op het land Aruba of de Douane. De in een van de telefoongesprekken gevallen term ‘voorschot’ kan weliswaar betrekking hebben op een betaling voor diensten, maar kan even goed te maken hebben met de figuur van in rekening te brengen ‘teerkosten’. Dat dit laatste hier niet aan de orde zou kunnen zijn, acht de Raad zonder verdere gegevens niet overtuigend.

5.3.

De Raad kan aan het feit dat geïntimeerde niet consistent is in zijn verklaringen over de hem verweten gedragingen niet de gevolgen verbinden die appellant daaraan wenst te verbinden. Weliswaar kan dit feit vragen oproepen, maar de verschillende momenten waarop die uitlatingen zijn gedaan en de verschillende situaties waarin dat plaatsvond, kunnen daarvoor een aanvaardbare verklaring zijn.

5.4.

Met betrekking tot het meenemen van enkele dozen, het onder 1.2 (c) vermelde plichtsverzuim, is door en namens geïntimeerde ter zitting een zodanige verklaring gegeven over de betrokken situatie dat ook de Raad er niet van overtuigd is dat appellant hier aan geïntimeerde terecht het verwijt maakt van onrechtmatig handelen.

5.5.

Met appellant en het Gerecht is ook de Raad van oordeel dat geïntimeerde zich wel schuldig heeft gemaakt aan het onder 1.2. (a) vermelde plichtsverzuim. Waar het hier ging om containers van een onderneming die ‘op rood’ stond, kan geïntimeerde zich niet verschuilen achter de praktijk dat het meer gebeurde dat niet alle containers fysiek werden gecontroleerd - omdat dat eenvoudig niet mogelijk was. Geïntimeerde had behoren te beseffen dat hier stipte fysieke controle geboden was. De Raad deelt het oordeel van het Gerecht dat dit eenmalig verzuim niet het opleggen van de straf van onvoorwaardelijk ontslag rechtvaardigt.

5.6.

Het onder 5.5 besproken gedrag van geïntimeerde kan leiden tot twijfel over de geschiktheid voor de uitoefening van de functie. Zonder geïntimeerde de kans op verbetering te hebben geboden, deed zich hier echter niet de situatie voor dat aan geïntimeerde onmiddellijk ontslag kon worden verleend wegens functionele ongeschiktheid.

5.7.

Hetgeen appellant verder nog naar voren heeft gebracht, behoeft geen bespreking.

6. De slotsom is dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep van geïntimeerde op de na te melden wijze.

Beslissing

De Raad:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant tot betaling aan geïntimeerde van zijn proceskosten in hoger beroep tot een bedrag van Afl. 700,- (zegge: zevenhonderd Arubaanse guldens), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Deze uitspraak is gewezen door mr. H.A.A.G. Vermeulen, voorzitter, en mrs. J. Sybesma en A.H.M van de Leur, leden, en is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2020.