Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBAACM:2020:20

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
10-02-2020
Datum publicatie
11-08-2020
Zaaknummer
AUA2016H00076
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraakdatum: 10 februari 2020

Zaaknummer: AUA2016H000076

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

Zittingsplaats Aruba

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

wonend in [woonplaats],

appellante,

gemachtigde mr. L.A. Hernandis,

tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken, zittingsplaats Aruba, van 7 november 2016, zaaknummer GAZA 328 van 2016, in het geding tussen:

appellante

en

[geïntimeerde],

geïntimeerde,

gemachtigde: A. Lumenier, werkzaam bij [dienst 1]

Procesverloop

Bij [beslissing] heeft de Minister van Toerisme, Transport, Primaire Sector en Cultuur (de Minister) het verzoek van appellante om bevordering naar schaal 7 afgewezen (de afwijzing).

Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een contramemorie ingediend.

De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2020, waar appellante in persoon is verschenen met bijstand van haar gemachtigde. De Minister heeft zich daar doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

De Raad stelt, zoals hij deed in zijn uitspraak van 16 februari 2017 (ECLI:NL:ORBAACM:2017:10), ambtshalve voorop - met verwijzing naar zijn uitspraak van 26 juli 2016, kenmerk RvBAz 2014/71419 - dat de Gouverneur, voor zover bij bijzondere regeling daarover niet anders is bepaald, op grond van artikel 4 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) het bevoegde gezag is over de ambtenaren. De omstandigheid dat de Gouverneur alleen een landsbesluit kan nemen op voordracht van een verantwoordelijke Minister, doet er niet aan af dat de inhoudelijke beslissing op, zoals hier aan de orde, een verzoek om bevordering van een ambtenaar alleen door hem bevoegd genomen kan worden. Dat houdt in dat ook de afwijzing van een dergelijk verzoek aan de Gouverneur als bevoegd gezag is voorbehouden.

1.2.

Uit het voorgaande volgt dat de afwijzing onbevoegd is gegeven. Het Gerecht heeft dat niet onderkend en de afwijzing ten onrechte niet op die grond nietig verklaard. De aangevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd en doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, zal de Raad het bezwaar tegen de afwijzing alsnog gegrond verklaren en de afwijzing nietig verklaren. Ter zitting is gebleken dat de gemachtigde van de Minister eveneens door de Gouverneur is gemachtigd hem in deze zaak te vertegenwoordigen en dat de Gouverneur de rechtsgevolgen van de afwijzing voor zijn rekening wil nemen. Daarmee is het bevoegdheidsgebrek geheeld, zodat de Raad in het navolgende zal bezien of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van de vernietigde afwijzing in stand te laten.

1.3.

Uit voorgaande volgt ook dat, zoals uit de partijvermelding in het hoofd van deze uitspraak reeds blijkt, de Gouverneur hier als geïntimeerde is aan te merken.

2. Ten gronde is bij de aangevallen uitspraak het bezwaar tegen de afwijzing ongegrond verklaard. Daartoe is het volgende overwogen.

2.1.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Lma geschiedt bevordering, voor zover daaromtrent regelen zijn vastgesteld, overeenkomstig deze regelen. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Bezoldigingsregeling Aruba 1986 (de BrA) dient een ambtenaar om in aanmerking te komen voor een bevordering te voldoen aan de in bijlage B daarvan opgenomen bevorderingseisen en voorts voor de vervulling van die betrekking geschikt en bekwaam te worden geacht. Voor een bevordering tot de rang van adjunct-commies 1e klasse (schaal 7) geldt onder meer de voorwaarde dat de betrokken ambtenaar een functie dient te vervullen die de waardering op dat niveau rechtvaardigt.

2.2.

Het is het Gerecht gebleken dat de functie die appellante ten tijde van belang bij de [DIENST 2] bekleedde, namelijk die van administratief medewerkster, aan de hand van een door haar opgesteld - dan wel goedgekeurd - functie inventarisatie formulier (fif), (opnieuw) is gewaardeerd en dat daaruit blijkt dat die functie maximaal het niveau van schaal 6 bereikt. Het gaat namelijk om een functie op MBO-werk- en denkniveau.

2.3.

Volgens vaste jurisprudentie moeten functiewaarderingsbesluiten, mede vanwege hun functie-overstijgend karakter, en de daaraan ten grondslag liggende functie- en organisatiebeschrijvingen op één lijn worden gesteld met besluiten van algemene strekking. Daarom kunnen zij, gelet op het bepaalde in artikel 35, vierde lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La), niet door de ambtenarenrechter worden beoordeeld.

2.4.

Nu de functie, die appellante bij de [DIENST 2] heeft bekleed, is gewaardeerd op maximaal het niveau van schaal 6 en appellante dit niveau reeds heeft bereikt, kan zij niet verder worden bevorderd.

3.1.

Appellante heeft daartegen ingebracht dat het door het Gerecht bedoelde fif een concept fif is dat niet door appellante noch door de directe chef en het dienst- c.q. afdelingshoofd getekend is. Het is dus geen formeel en goedgekeurd fif.

3.2.

In dat verband heeft appellante verder naar voren gebracht dat de DRH de functie van administratief medewerker niet meer behoeft te waarderen. Die functie is immers reeds gewaardeerd door de Directie Personeel en Organisatie conform het overzicht Functiewaarderingen Directie Wegverkeer behorende bij de Organisatiestructuur Directie Wegverkeer.

3.3.

Tot slot is betoogd dat de onder 2.3 weergegeven overwegingen van het Gerecht tegenstrijdig zijn, dat appellante door de ongegrondverklaring van haar bezwaar ernstig in haar verdere carrière is benadeeld en dat sprake is van strijd met het motiverings-, het zorgvuldigheids- en zekerheidsbeginsel.

4. Geïntimeerde is van opvatting dat het Gerecht tot een inhoudelijk juiste beslissing is gekomen.

4.1.

Hij heeft erop gewezen dat de functiewaardering met betrekking tot de functies van de nimmer ingestelde Directie Wegverkeer niet van toepassing is voor de waardering van de functie van appellante omdat de functies bij [DIENST 2] gewaardeerd werden op basis van een fif. Dit blijkt uit onder andere het feit dat in een zich onder de gedingstukken bevindend advies van 21 juli 2009 van DPO wordt verwezen naar de waardering van de functie op basis van een fif.

Appellante zelf heeft een concept-fif overgelegd en ook geïntimeerde heeft dit fif - bij brief van 8 augustus 2016 - in geding gebracht. Op basis van dit fif is de functie door DRH maximaal op schaal 6 gewaardeerd. Dit komt overeen met de overheidsbrede maximale waardering van de functie van administratief medewerker op schaal 6.

4.2.

Geïntimeerde heeft tot slot uitdrukkelijk de onder 2.3 weergegeven overweging van het Gerecht onderschreven.

5. De Raad volgt de opvatting van geïntimeerde. De hier tot uitgangspunt te nemen waardering van de in geding zijnde functie van appellante is de door DRH op basis van het door beide partijen ingebrachte (concept) fif vastgestelde waardering op schaal 6; niet op de door appellante bepleite schaal 7. Aan de door de ministerraad aanvaarde nota van de Directie Personeel en Organisatie inzake de functiewaarderingen van de Directie Wegverkeer in oprichting kan appellante geen aanspraak op bevordering ontlenen. Die directie is namelijk niet ingesteld, als gevolg waarvan niet gezegd kan worden dat de functiewaarderingen van de functies in die (niet ingestelde) directie hebben te gelden als bevoegdelijk vastgestelde functiewaarderingen. Hetgeen appellante (verder) heeft betoogd, kan niet leiden tot de conclusie dat geïntimeerde gehouden moet worden geacht appellante niettemin - in strijd met een besluit van algemene strekking - te bevorderen naar schaal 7. Van de gestelde strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur is geen sprake.

6. De slotsom is dat, gelet op de overwegingen 1.1 tot en met 1.2, de bij de aangevallen uitspraak uitgesproken ongegrondverklaring van het bezwaar niet in stand kan blijven. De uitspraak moet worden vernietigd, het bezwaar moet gegrond worden verklaard en de afwijzing moet worden vernietigd. Gelet op de overwegingen onder 5 moeten de rechtsgevolgen van die afwijzing geheel in stand worden gelaten en moet dus met toepassing van artikel 87 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak de nietigheid van de afwijzing voor gedekt worden verklaard.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling omdat appellant materieel in het ongelijk wordt gesteld.

Beslissing

De Raad van Beroep:

verklaart het hoger beroep gegrond;

vernietigt de aangevallen uitspraak;

verklaart het bezwaar alsnog gegrond;

vernietigt de afwijzing;

verklaart de nietigheid van de afwijzing voor gedekt.

Deze uitspraak is gewezen door mr. H.A.A.G. Vermeulen, voorzitter, en mrs. J. Sybesma en A.H.M van de Leur, leden, en is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2020.