Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBAACM:2019:9

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
22-02-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
RvBAz CUR2015H00010-11 en CUR2016H00085
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op de zaak betrekking hebbende stukken. Oproepen getuigen. Hoogst onbetrouwbaar gedrag is grond voor ontslag bij politieagent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (RAr 1951)

Uitspraakdatum: 22 februari 2019

Zaaknrs: RvBAz CUR2015H00010-11 en CUR2016H00085

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

Zittingsplaats Curaçao

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

wonend in Curaçao,

appellant,

gemachtigde: mr. M.O. Gomes, advocaat,

tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken, zittingsplaats Curaçao, van 23 juni 2017, in zaak nrs. GAZ 2015/75925 en 2016/77427, in de gedingen tussen:

appellant,

en

de Regering van Curaçao,

geïntimeerde,

gemachtigde mr. L.M. Virginia, advocaat.

Procesverloop

Bij Landsbesluit van 13 augustus 2015 heeft geïntimeerde appellant met toepassing van artikel 109, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit rechtspositie Korps Politie Nederlandse Antillen 2000 (het BrKPNA) in zijn ambt geschorst (de schorsing).

Bij Landsbesluit van 23 december 2015 heeft geïntimeerde appellant met toepassing van artikel 102, eerste lid, aanhef en onder i, van het BrKPNA met ingang van 1 februari 2016 ontslag verleend (het strafontslag).

Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het door appellant tegen de schorsing ingediende bezwaar (nr. 2015/75925) niet-ontvankelijk verklaard en het door hem tegen het strafontslag ingediende bezwaar (nr. 2016/77427) ongegrond verklaard.

Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.

Geïntimeerde heeft een contramemorie ingediend.

Appellant heeft nog nadere stukken ingediend.

De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2018. Partijen hebben zich daar doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De Raad stelt voorop dat appellant geen beroepsgronden heeft gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover het Gerecht daarbij het bezwaar tegen de schorsing niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hoger beroep kan dan ook niet worden geacht daar mede tegen te zijn gericht. In hoger beroep ligt aldus alleen voor het oordeel van het Gerecht over het strafontslag.

2. Op grond van artikel 101, tweede lid, van het BrKPNA kan de ambtenaar van politie die zijn ambtelijke verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft. Op grond van het derde lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goede ambtenaar van politie in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Op grond van artikel 102, eerste lid, aanhef en onder i, kan de ambtenaar van politie de disciplinaire straf van ontslag worden opgelegd.

3. Aan het strafontslag heeft geïntimeerde ten grondslag gelegd dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim door misbruik te maken van zijn positie als zogeheten ‘VIP-beveiliger’ bij het Korps Politie Curaçao (KPC) om in samenspel met een collega VIP-beveiliger (de collega) goederen waarover invoerrechten waren verschuldigd Curaçao binnen te smokkelen. Zij hebben daartoe de douaneambtenaren op Hato misleid door hen voor te spiegelen dat zij daar waren in de uitoefening van hun dienst en dat de koffers van appellant, met auto-onderdelen afkomstig uit Miami (VS), zouden toebehoren aan een VIP. Zo hebben zij die koffers ongecontroleerd door de douane geloodst.

Appellant bestrijdt primair dat hij zich aan deze misdragingen schuldig heeft gemaakt en vindt subsidiair de opgelegde disciplinaire straf van ontslag onevenredig.

4. Appellant betoogt tevergeefs dat het Gerecht ten onrechte het hem door geïntimeerde verweten plichtverzuim door geïntimeerde aannemelijk gemaakt heeft geacht.

4.1

Volgens vaste rechtspraak behoort een strafontslag wegens plichtsverzuim te berusten op een eigenstandige feitenvaststelling door geïntimeerde. Op die feitenvaststelling zijn niet de in het strafrecht geldende, zeer strikte bewijsregels van toepassing. Wél geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet kunnen zijn verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging(en) heeft schuldig gemaakt. Daarbij kan onder omstandigheden gebruik worden gemaakt van uit het strafrechtelijk onderzoek naar voren komende gegevens.

4.2

De Raad sluit zich aan bij de overwegingen van het Gerecht over de feitelijk toedracht betreffende de verweten misdragingen, zoals blijkend uit het door geïntimeerde gebezigde bewijs, en is met het Gerecht van oordeel dat dit bewijs zonder meer de overtuiging rechtvaardigt dat appellant (samen met de collega) zich schuldig heeft gemaakt aan de verweten gedragingen, in het bijzonder ook het misbruik van zijn status als VIP-beveiliger voor illegaal gewin. De Raad benadrukt hier nog dat appellant geen redelijke verklaring heeft kunnen geven voor de aanwezigheid van de collega achter de douane, waar deze buiten dienst niets had te zoeken, en zijn bemoeienis met de bagage van appellant met contrabande bij de douane. Dit gevoegd bij de als betrouwbaar te beoordelen getuigenverklaringen, die eenduidig zijn wat betreft het gezamenlijke en misleidende optreden van appellant en de collega, en het ondersteunende beeldmateriaal over dat optreden, ter zake waarvan appellant ook niet consistent heeft verklaard, laat geen ruimte voor enige twijfel.

4.3

In hoger beroep heeft appellant zijn klacht herhaald dat hij onvoldoende in staat is gesteld om het gebezigde bewijs te weerleggen, doordat geïntimeerde niet het volledige strafdossier van het Openbaar Ministerie (OM) over de strafrechtelijke vervolging ter zake van de betrokken gedragingen heeft overgelegd, en doordat hij niet in de gelegenheid is gesteld de getuigen die belastende verklaringen over hem hebben afgelegd, in rechte te doen horen.

4.3.1

Ook de Raad acht deze klacht ongegrond.

Geïntimeerde heeft in de gerechtelijke procedure het aan het strafontslag ten grondslag gelegde onderzoekdossier overgelegd en de Raad heeft geen reden om eraan te twijfelen dat dit het volledige onderzoekdossier betreft, ook omdat appellant niet heeft geconcretiseerd welke stukken of informatie daarin dan zou(den) ontbreken. Het strafrechtelijk dossier van het OM behoort, voor zover dat geen onderdeel vormt van het onderzoekdossier van geïntimeerde, niet tot de zich onder geïntimeerde bevindende op het strafontslag betrekking hebbende stukken, zodat geïntimeerde niet gehouden kan worden geacht dat in de procedure over het strafontslag over te leggen. Verder behoeft de ambtenarenrechter op grond van artikel 53, eerste lid, dan wel 115, eerste lid, van de RAr 1951 niet eerder een ander administratief orgaan om nadere informatie te vragen, dan wanneer daarvoor een gerede aanleiding bestaat, bijvoorbeeld als een partij specificeert welke informatie onder dat orgaan zou berusten, die relevant is voor de door de ambtenarenrechter te beslissen casus. Die gerede aanleiding was er in deze zaak in eerste aanleg niet en ook niet in appel, zodat er terecht geen gevolg is gegeven aan de daartoe door appellant gedane verzoeken.

Wat betreft de klacht over het niet horen/oproepen van de getuigen die voor appellant belastende verklaringen hebben afgelegd, vormt de enkele niet beargumenteerde stelling dat zij dat hebben gedaan in strijd met de door appellant en zijn vermelde college afgelegde verklaringen, geen grond om te twijfelen aan de waarachtigheid van die verklaringen, ook in hun onderling verband bezien, en dus evenmin reden voor de ambtenarenrechter om diegenen alsnog zelf als getuigen te willen horen. Daarbij stond het appellant vrij op grond van artikel 57, eerste lid, van de RAr 1951 (in appel te lezen in samenhang met artikel 118 van de RAr 1951) de betrokken personen zelf als getuigen op te roepen, wat hij heeft nagelaten. In dit verband overweegt de Raad verder nog dat artikel 56, eerste lid, van de RAr 1951 niet zo mag worden begrepen dat daaruit volgt dat de ambtenarenrechter gehouden zou zijn alle door een partij daarvoor opgegeven personen als getuige op te roepen, ongeacht zijn oordeel over de noodzaak daartoe. Is de ambtenarenrechter op voorhand van oordeel dat de gewenste oproeping redelijkerwijs niet nodig is voor de feitenvaststelling, dan zal hij die achterwege laten. Uiteindelijk is het, zoals ook volgt uit artikel 71, vierde lid, van de RAr 1951, aan de ambtenarenrechter om te bepalen of nog getuigen gehoord moeten worden om de betwiste feiten voldoende tot klaarheid te brengen.

4.4

Uit voorgaande volgt dat wat appellant heeft aangevoerd in het kader van de feitenvaststelling geen doel treft. De Raad is dan ook met het Gerecht van oordeel dat geïntimeerde op grond van deugdelijk vastgestelde gegevens tot de overtuiging kon komen dat appellant zich aan de verweten gedragingen schuldig heeft gemaakt en dat deze overtuiging in rechte niet onjuist is gebleken. De door appellant in appel overgelegde transactie op grond van artikel 1:149 WvSv van 12 maart 2018, waarbij de Officier van Justitie van strafvervolging afziet onder de voorwaarde dat appellant NAf 4.900,- betaalt, bevestigt veeleer dit oordeel, dan dat dit eraan afdoet.

5. Appellant betoogt verder tevergeefs dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de verweten gedragingen ernstig plichtsverzuim opleveren, waaraan de disciplinaire straf van ontslag niet onevenredig is.

Aan politieambtenaren worden terecht hoge eisen gesteld wat betreft betrouwbaarheid en integriteit, wat temeer en in verhoogde mate geldt wanneer zij, zoals appellant, een bijzondere taak vervullen bij de persoonsbeveiliging. Ernstig onbetrouwbaar gedrag in een zo verantwoordelijke positie is onverenigbaar met die hoge eisen en noopt dan ook tot oplegging van de zwaarste disciplinaire straf, te weten: onvoorwaardelijk ontslag.

De appellant verweten gedragingen kunnen niets anders worden aangemerkt dan als hoogst onbetrouwbaar gedrag. Daarbij komt nog dat appellant de mogelijkheid van verantwoording niet heeft aangegrepen om de waarheid te vertellen en ook daarna de misdragingen is blijven ontkennen. Dat appellant een lange staat van dienst had bij het KPC, vormt geen tegenwicht dat tot een andere conclusie kan leiden.

6. De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak kan worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mrs. D. Haan, voorzitter, en L.C. Hoefdraad en J. Sybesma, leden, en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

Verzonden: