Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBAACM:2019:24

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
11-09-2019
Datum publicatie
22-10-2019
Zaaknummer
CUR2018H00036
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Curaçaose zaak. Aanstelling met terugwerkende kracht in hogere functie. Beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

Zittingsplaats Curaçao

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

wonend in Curaçao,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken, zittingsplaats Curaçao, van 18 januari 2018, in zaak nr. CUR201600898, in het geding tussen:

appellant,

en

de Regering van het Land Curaçao,

geïntimeerde,

gemachtigde mr. W.R. Flocker, advocaat.

Procesverloop

Bij Landsbesluit van 16 juni 2015 (het Landsbesluit) heeft geïntimeerde appellant met terugwerkende kracht tot 10 oktober 2010 benoemd in vaste dienst in de functie Hoofd van Dienst-E (de functie) bij de Inspectie Arbeid en Veiligheid (de Inspectie), onderdeel van het Ministerie van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn (SOAW), onder vaststelling van zijn bezoldiging per laatst vermelde datum naar schaal 16, trede 1, en vervolgens per 1 januari van ieder opvolgend jaar naar de naast hogere trede, uitmondend in een bezoldiging per 1 januari 2015 naar schaal 16, trede 6.

Bij beschikking van 6 november 2015 (de beschikking) heeft de minister van SOAW het daartegen door appellant ingediende administratief beroep ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.

De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2019. Appellant is daar in persoon verschenen. Geïntimeerde heeft zich daar doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Ter zitting is afgesproken dat appellant nog de gelegenheid kreeg nadere stukken in te zenden, waarop geïntimeerde schriftelijk zou kunnen reageren.

Appellant heeft bij schrijven van 13 maart 2019 nadere stukken ingediend en geïntimeerde heeft daarop gereageerd bij schrijven van 8 mei 2019.

Nadat partijen desgevraagd toestemming hebben verleend de zaak zonder nadere zitting te laten afdoen, heeft de Raad het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ambtshalve daarover oordelend, overweegt de Raad onder verwijzing naar zijn bestendige jurisprudentie vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van 10 november 2017, ECLI:NL:ORBAACM:2017:6 dat tegen het Landsbesluit geen administratief beroep openstond. De beschikking is dan ook onbevoegd genomen. Het Gerecht heeft dat bij de aangevallen uitspraak niet onderkend. De beschikking en de aangevallen uitspraak moeten daarom worden vernietigd.

Met toepassing van artikel 126, eerste lid, van de RAr zal de Raad, nu de inhoudelijke beoordeling van hetgeen partijen verdeeld houdt niet anders is dan in eerste aanleg, doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, de rechtmatigheid van het Landsbesluit toetsen aan de hand van de daartegen door appellant aangevoerde gronden.

2. Appellant is bij besluit van het Bestuurscollege van het voormalige Eilandgebied Curaçao (EGC) met ingang van 1 juni 2010 benoemd bij de toenmalige Dienst voor Arbeidszorg in de functie Afdelingshoofd-H, gewaardeerd op schaal 13.

Bij de overgang van het personeel van het EGC naar het Land Curaçao is appellant met toepassing van de Eilandsverordening Sociaal Statuut Land Curaçao (het Sociaal Statuut) met ingang van 10 oktober 2010 geplaatst in de functie Afdelingshoofd-H bij de Inspectie, bezoldigd naar schaal 13, trede 9, zoals vastgelegd in het Landsbesluit van 17 september 2012.

Omdat appellant onder meer, anders dan bij de Dienst voor Arbeidszorg, bij de Inspectie geen diensthoofd boven zich had, is een onderzoek geëntameerd naar de inhoud en het gewicht van zijn functie, waaruit naar voren is gekomen dat die functie feitelijk gelijkgesteld kon worden met Hoofd van Dienst-E, gewaardeerd op schaal 16.

Het Landsbesluit strekt ertoe recht te doen aan de situatie dat appellant de functie vanaf 10 oktober 2010 feitelijk heeft vervuld.

3. Appellant betoogt dat geïntimeerde bij het Landsbesluit niet in redelijkheid per 10 oktober 2010 zijn bezoldiging heeft kunnen vaststellen op schaal 16, trede 1. Volgens appellant kon hij gelet op zijn kwalificaties aanspraak maken op trede 9 in die schaal, en kon hij aan toezeggingen daarover van de toenmalige Minister van SOAW het rechtens te beschermen vertrouwen ontlenen dat het Landsbesluit daartoe zou strekken.

3.1

De Raad stelt voorop dat appellant niet tegen het Landsbesluit van 17 september 2012, waarbij zijn plaatsing in de functie en inschaling werden vastgelegd, is opgekomen, zodat dit in beginsel voor rechtmatig moet worden gehouden.

Vervolgens overweegt de Raad dat geïntimeerde pas rechtens kan worden geacht gehouden te zijn geweest de rechtspositie van appellant aan te passen door hem te bevorderen naar de functie en de daarbij behorende salarisschaal toe te kennen, nadat die deugdelijk was beschreven en gewaardeerd (vergelijk de uitspraak van de Raad van 10 december 2008, ECLI:NL:ORBANAA:2008:BH3402). Geïntimeerde is appellant dan ook onverplicht tegemoetgekomen door aan het Landsbesluit terugwerkende kracht toe te kennen tot 10 oktober 2010. Daaruit kan echter niet worden afgeleid, zoals appellant kennelijk meent, dat geïntimeerde daarmee heeft erkend dat het Landsbesluit van 17 september 2012 onrechtmatig jegens appellant was, wat tot schadevergoeding zou nopen.

Nu het hier een bevordering betrof vanuit een lager gewaardeerde functie heeft geïntimeerde in beginsel terecht artikel 8 van het Bezoldigingslandsbesluit 1998 van toepassing geacht, wat hier meebrengt dat appellant in zijn nieuwe schaal onderin moest beginnen.

3.2

Zijn beroep op het vertrouwensbeginsel grondt appellant tevergeefs op hetgeen staat vermeld in het Formulier Taakstellende Overeenkomst door de betrokken Minister medeondertekent op 22 mei 2014. Hij wijst op de volgende daarin opgenomen passages:

“Uw incorrecte functie beschrijving van afdelingshoofd-h middenkader zal worden gecorrigeerd naar een functie beschrijving op niveau van hoofd van dienst-E vanaf uw indiensttreding op 10 oktober 2010 en ter verdere formalisering en afhandeling worden verstuurd. Indien dit resulteert in een hogere schaal, en u dan onterecht ca. 7 jaar in een te lage schaal bezoldigd bent geweest en steeds onterecht 7 tredeverhogingen misliep, zal u dan de huidige hoogste trede in de nieuwe schaal behouden.” en

“Indien het corrigeren van uw functiebeschrijving meer dan 6 maanden duurt, wordt u voor het sinds uw aanstelling functioneren op een aanzienlijk hoger niveau dan dat van afdelingshoofd-h, voor de tussentijd een toelage van 25% conform het LMA en Bezoldigingsbesluit 1998 (o.m. art. 9) op uw salaris aangeboden.”

De Raad leest daarin niet wat appellant daarin kennelijk meent te kunnen lezen, namelijk een ongeclausuleerde toezegging dat hij met terugwerkende kracht tot 10 oktober 2010 zal worden bezoldigd naar schaal 16, trede 9. Door de jaarlijkse tredeverhogingen bij het Landsbesluit lijkt er naar het oordeel van de Raad veeleer op redelijke wijze uitvoering te zijn gegeven aan deze niet goed begrijpelijke passages.

Wat daar verder ook van zij, het had appellant duidelijk moeten zijn dat de betrokken Minister niet bevoegd was tot het doen van bindende toezeggingen in deze vorm over de aanpassing van zijn rechtspositie. Deze kunnen alleen begrepen worden als te zijn gedaan onder voorbehoud van formalisering bij landsbesluit.

3.3

Het betoog van appellant faalt.

4. De slotsom is dat de Raad, doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, het bezwaar tegen het Landsbesluit alsnog ongegrond zal verklaren.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

Beslissing

De Raad:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    vernietigt de beschikking door de Minister van SOAW genomen op het administratief beroep van appellant tegen het Landsbesluit;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen het Landsbesluit alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. D. Haan, voorzitter, en mr. L.C. Hoefdraad en drs. P.J. Thijssen, leden, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.