Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBAACM:2018:13

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
14-09-2018
Datum publicatie
15-11-2018
Zaaknummer
CUR2017H00009
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongeschiktheidsontslag wegens gedragingen die landsbelang doorkruisen. Geen advies in te winnen van de Adviescommissie Grondrechten en Functie-uitoefening Ambtenaren (AGFA). Anders dan appellant betoogt, staat artikel 92, eerste lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht er niet aan in de weg aan te nemen dat het strafontslag in werking is getreden per de datum die is vermeld in het ontslagbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (RAr 1951)

Uitspraakdatum: 14 september 2018

Zaaknummer: RvBAz CUR2017H00009

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

Zittingsplaats Curaçao

Uitspraak op het hoger beroep van:

[Naam],

wonend in Curaçao,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken, zittingsplaats Curaçao, van 1 februari 2017, in zaak nr. GAZ 2015/76473, in het geding tussen:

appellant

en

de Regering van Curaçao,

geïntimeerde,

gemachtigde: S.C. Lint, advocaat.

Procesverloop

Bij landsbesluit van 24 juli 2015 heeft geïntimeerde aan appellant disciplinair strafontslag verleend, subsidiair hem ontslag wegens onbekwaamheid/ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt.

Bij landsbesluit van 17 september 2015 heeft geïntimeerde onder verwijzing naar het landsbesluit van 24 juli 2015 bepaald dat het ontslag met ingang van 1 oktober 2015 in werking treedt.

Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld en daarna de gronden daarvan ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2018, waar appellant en de gemachtigde van geïntimeerde zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 97, derde lid, van de RAr 1951 schorst het hoger beroep de beslissing waartegen het gericht is.

1.1

Op grond van artikel 51 van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) zijn nevenwerkzaamheden werkzaamheden die de ambtenaar naast zijn ambt uitoefent of gaat uitoefenen in het kader van het drijven van nering of handel.

Op grond van artikel 52, eerste lid, verricht de ambtenaar geen nevenwerkzaamheden waardoor een goede vervulling van de betrokken functie of een goed functioneren van de betrokken dienst in redelijkheid niet of niet meer verzekerd is. Op grond van het tweede lid doet de ambtenaar die nevenwerkzaamheden verricht of gaat verrichten, daarvan schriftelijke opgave aan het hoofd van de dienst.

Op grond van artikel 63 is het de ambtenaar verboden misbruik te maken van hetgeen hij in zijn ambt heeft vernomen.

Op grond van artikel 88, eerste lid, kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt, of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft. Op grond van het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

Op grond van artikel 89, eerste lid, aanhef en onder i, kan de disciplinaire straf van ontslag worden toegepast.

Op grond van artikel 92, eerste lid, wordt de straf, behalve die van schriftelijke berisping, niet ten uitvoer gelegd, zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij onmiddellijke tenuitvoerlegging naar het oordeel van de tot straffen bevoegden door het dienstbelang wordt gevorderd.

2. De Raad stelt voorop dat het Gerecht het bezwaar van appellant tegen het hem gegeven ontslag terecht ontvankelijk heeft geoordeeld. Voor het beoordelen van de tijdigheid daarvan is het Gerecht, anders dan geïntimeerde meent, terecht uitgegaan van het landsbesluit van 17 september 2015. Dat besluit betreft een aanvulling op het landsbesluit van 24 juli 2015 van een niet ondergeschikt punt. Op grond van het rechtszekerheidsbeginsel moet het landsbesluit van 24 juli 2015 geacht worden te zijn geïncorporeerd in het nieuwe besluit, dat aldus een nieuw ontslagbesluit behelst (het ontslagbesluit). Daartegen kon binnen de wettelijke termijn bezwaar worden gemaakt, zoals appellant heeft gedaan.

3. Appellant werd in 1990 aangesteld als ambtenaar en was laatstelijk werkzaam bij het Ministerie van Financiën als Beleidsmedewerker B.

Aan het ontslagbesluit heeft geïntimeerde de volgende, niet betwiste, feitelijke gedragingen van appellant ten grondslag gelegd:

  • -

    appellant heeft op 21 oktober 2013 e-mails gestuurd naar [Naam 1] door tussenkomst van [Naam 2], beiden werkzaam bij USONA, waarbij hij zijn diensten aanbiedt aan USONA om als bemiddelaar op te treden voor de kapitaalfinanciering voor het bouwen van een nieuw ziekenhuis in Curaçao. Daarbij heeft appellant vermeld dat hij kan interveniëren voor een investeerder die ongeveer dezelfde voorlopige rente quoteert voor een project in Curaçao, waarvoor de regering van Curaçao een obligatielening heeft geplaatst en dat USONA contact met hem kan opnemen als er reële mogelijkheden bestaan dat deze investeerder alsnog in de plaats zou kunnen treden van de overheid;

  • -

    appellant heeft op 24 november 2013 en 17, 24 en 25 februari 2014 e-mails gestuurd naar [Naam 3] en [Naam 4], de directeur onderscheidenlijk financiële manager van CUROIL, waarbij hij zijn diensten aanbied aan CUROIL om als bemiddelaar op te treden voor kapitaalfinanciering van projecten van CUROIL tussen USD 10 en 100 miljoen;

  • -

    in die e-mails heeft appellant verwezen naar zijn Linkedin profiel, waar staat dat hij een onderneming in oprichting heeft met het doel het verstrekken van financiële adviezen.

Appellant heeft deze gedragingen niet gemeld aan zijn diensthoofd en die heeft daar eerst kennis van gekregen door klachten van USONA en CUROIL daarover.

4. Met het Gerecht is de Raad van oordeel dat deze gedragingen ernstig plichtsverzuim opleveren, waaraan de disciplinaire straf van ontslag niet onevenredig is. In zijn functie had appellant het financiële belang van het Land te dienen, terwijl vermelde gedragingen er evident blijk van geven dat hij dat belang beoogde te doorkruisen ten faveure van eigen gewin. Daarmee heeft hij het vertrouwen dat geïntimeerde in hem en zijn functioneren moet kunnen stellen geschaad, wat grond oplevert voor disciplinair strafontslag. Gelet op artikel 88, tweede lid, van de Lma behoeft de vraag of de gedragingen overtredingen zijn van de artikelen 52, tweede lid, en 63 van de Lma hier geen beantwoording, omdat los daarvan de gedragingen ernstig in strijd zijn met wat van een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden verwacht mocht worden. Het betoog van appellant dat hij alleen verkennend bezig was in het kader van een mogelijke uitdiensttreding vindt overigens zijn weerspreking in de vermelde e-mails, waaruit duidelijk blijkt dat appellant reeds met het bemiddelen in financiële transacties bezig was. Dat dit door USONA en CUROIL uiteindelijk werd afgehouden, doet daaraan niet af.

4.1

Het betoog van appellant dat het ontslagbeleid van geïntimeerde in strijd is met het verbod op willekeur faalt bij gebrek aan feitelijk grondslag. De verwijzing naar een enkele andere zaak, wat daar verder ook van zij, vormt geen basis voor een dergelijke conclusie.

4.2

Het beroep dat appellant in appel heeft gedaan op artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, snijdt reeds geen hout omdat deze bepaling geen gelding heeft in Curaçao, terwijl de vrijheid van meningsuiting en van informatie overigens ook niet kon afdoen aan de plicht van appellant zich als een goed ambtenaar te gedragen, wat hij dus heeft nagelaten.

4.3

Het verzoek van appellant aan de Raad om advies in te winnen van de Adviescommissie Grondrechten en Functie-uitoefening Ambtenaren (AGFA) kan niet worden gehonoreerd, omdat daarvoor geen wettelijk grondslag is. Het betreft een Nederlandse instantie, van wie de taken zijn neergelegd in Nederlandse regelgeving. Overigens adviseert de AGFA in Nederland ook niet de ambtenarenrechter, maar de werkgever.

4.4

Uit voorgaande volgt dat wat appellant in appel nieuw naar voren heeft gebracht over het hem verweten plichtsverzuim en de evenredigheid van de daarvoor opgelegde disciplinaire straf, niet kan afdoen aan de juistheid van het oordeel van het Gerecht bij de aangevallen uitspraak.

5. Anders dan appellant betoogt, staat artikel 92, eerste lid, van de Lma er niet aan in de weg aan te nemen dat het strafontslag in werking is getreden per de datum die is vermeld in het ontslagbesluit. Die bepaling kan immers alleen betrekking hebben op die straffen waarvoor buiten en na het besluit tot oplegging daarvan nog een daad van tenuitvoerlegging nodig is. Bij strafontslag tegen een bepaalde datum is dat niet nodig. Dit oordeel is in overeenstemming met bestendige jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep over gelijkluidende bepalingen in het Nederlandse ambtenarenrecht, vergelijk ECLI:NL:CRVB:2005:AT7322. Na de datum van ingang van het strafontslag had appellant dan ook geen aanspraak meer op bezoldiging. In dit verband merkt de Raad nog op dat appellant een onjuiste betekenis toekent aan artikel 97, derde lid, van de RAr 1951. De daar gebezigde term “beslissing” heeft betrekking op de uitspraak van het Gerecht. Het hoger beroep van appellant schorste dan ook niet het ontslagbesluit, dat gedurende de gehele procedure onverminderd van kracht is geweest.

6. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond moet worden verklaard en de aangevallen uitspraak kan worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Raad:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. D. Haan, voorzitter, en mrs. L.C. Hoefdraad en J. Sybesma, leden, en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

Verzonden: