Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBAACM:2017:5

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
04-01-2018
Zaaknummer
CUR2016H00053 (voorheen: 2016/73152)
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Curaçaose zaak. Artikel 17, derde lid, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) strekt er niet mede toe om in afwijking van de op grond van de Regeling ambtenarenrechtspraak 1951 (Rar) geldende rechtsgang de mogelijkheid van administratief beroep te openen tegen beslissingen waaraan in het geheel géén functioneringsbeoordeling ten grondslag ligt. Voor zover artikel 11, eerste lid, van het Bezoldigingslandsbesluit 1998 (Bzl) daartegen wél de mogelijkheid van administratief beroep bij het bevoegd gezag opent, vormt dit een doorkruising van artikel 35 van de Rar, hetgeen de Raad bij landbesluit, houdende algemene maatregelen, zonder basis in een landsverordening niet toelaatbaar acht. Nu die basis ontbreekt, dienen artikelen 11 en 12 van de Bzl zo uitgelegd te worden dat zij alleen betrekking hebben op beslissingen als vermeld in artikel 17 van de Lma.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (Rar)

Uitspraakdatum: 10 november 2017

Zaaknummer: CUR2016H00053 (voorheen: 2016/73152)

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

Zittingsplaats Curaçao

Uitspraak op het hoger beroep van

[…],

beiden wonend in Curaçao,

appellanten,

gemachtigde: mr. W.E. Fortin, advocaat,

tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken, zittingsplaats Curaçao, van 11 juli 2016, in zaaknr. GAZ 2015/73152, in het geding tussen:

appellanten

en

de Regering van Curaçao,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J.G. Ricardo.

Procesverloop

Bij Landsbesluiten van 8 april 2013 zijn appellanten met ingang van 1 juni 2012 bevorderd tot Hoofdkommies bij de Douane Curaçao (de bevorderingsbesluiten).

Bij Landsbesluit van 31 oktober 2014 (de beslissing op administratief beroep) heeft geïntimeerde het daartegen door appellanten ingestelde administratief beroep primair niet-ontvankelijk verklaard en subsidiair ongegrond.

Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar van appellanten gegrond verklaard voor zover het betreft de niet-ontvankelijk verklaring van hun administratief beroep, en voor het overige ongegrond.

Tegen de aangevallen uitspraak hebben appellanten hoger beroep ingesteld. Daarna hebben zij nog de gronden daarvan aangevuld.

Geïntimeerde heeft een contra-memorie ingediend.

De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 september 2017. Appellanten werden vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Ook geïntimeerde heeft zich daar doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Appellanten bestrijden de bevorderingsbesluiten wat betreft de ingangsdatum. Volgens hen hadden zij vijf jaar na hun bevordering per 1 april 1997 tot Kommies 1ste klasse, dus in 2002 moeten kunnen beginnen met de opleiding tot Hoofdkommies, die zij dan in 2004 hadden kunnen afsluiten, waarna zij aansluitend hadden kunnen worden bevorderd tot Hoofdkommies. Doordat die opleiding echter pas in 2010 weer werd opengesteld, hebben zij die pas in 2012 succesvol kunnen afronden. Appellanten stellen zich op het standpunt dat dit hun niet mag worden tegengeworpen en dat zij met terugwerkende kracht per 2004 tot Hoofdkommies hadden moeten worden bevorderd en niet pas per 2012, zoals is geschied bij de bevorderingsbesluiten.

Ambtshalve beoordeling van de gevolgde procedure

2. Ambtshalve oordeelt de Raad dat tegen de bevorderingsbesluiten geen administratief beroep openstond, maar rechtstreeks bezwaar bij het Gerecht.

2.1

Over de reikwijdte van het administratief beroep zoals voorzien bij de artikelen 11 en 12, geplaatst in Hoofdstuk V onder het kopje “Administratief beroep”, van het Bezoldigingslandsbesluit 1998 (het Bzl) overweegt de Raad thans als volgt.

Artikel 17, derde lid, geplaatst in Hoofdstuk III onder het kopje “Beoordeling en ranglijst” van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma) opent alleen de mogelijkheid van administratief beroep tegen beschikkingen over verhogingen van een bezoldiging, toekenning van een toelage of beloning, en de beschikkingen tot weigering daarvan, voor zover de daartoe strekkende beschikkingen mede of uitsluitend op grond van een beoordeling als bedoeld in artikel 15 dat wil zeggen: een door het door het bevoegd gezag aangestelde beoordelingsautoriteit vastgestelde beoordeling van de wijze waarop de ambtenaar zijn functie vervult (functioneringsbeoordeling) tot stand zijn gebracht, waarbij dan op grond van het vierde lid het bevoegde gezag dient te beslissen op het administratief beroep. Die bepaling strekt er niet mede toe om in afwijking van de op grond van de Rar geldende rechtsgang de mogelijkheid van administratief beroep te openen tegen beslissingen waaraan in het geheel géén functioneringsbeoordeling ten grondslag ligt. Voor zover artikel 11, eerste lid, van het Bzl daartegen wél de mogelijkheid van administratief beroep bij het bevoegd gezag opent, vormt dit een doorkruising van artikel 35 van de Rar, hetgeen de Raad bij landbesluit, houdende algemene maatregelen, zonder basis in een landsverordening niet toelaatbaar acht. Nu die basis ontbreekt, dienen artikelen 11 en 12 van de Bzl zo uitgelegd te worden dat zij alleen betrekking hebben op beslissingen als vermeld in artikel 17 van de Lma.

2.2

Aan de bevorderingsbesluiten hebben geen functioneringsbeoordelingen van appellanten (mede) ten grondslag gelegen, zodat uit het voorgaande volgt dat daartegen geen administratief beroep openstond. De beslissing op administratief beroep is dan ook onbevoegd genomen. In plaats van daarop te beslissen, had geïntimeerde het moeten doorsturen naar het Gerecht om te worden behandeld als bezwaar. Dat het Gerecht daar eerder in deze procedure anders over oordeelde, kan hier niet tot een andere conclusie aanleiding geven.

2.3

Het Gerecht heeft dit bij de aangevallen uitspraak niet onderkend. Ten onrechte heeft het niet de beslissing op administratief beroep als zijnde onbevoegd genomen vernietigd om vervolgens het gemaakte administratief beroep als bezwaar tegen de bevorderingsbesluiten in behandeling te nemen en daarover te oordelen.

2.4

De slotsom van het voorgaande is dat de aangevallen uitspraak geheel vernietigd dient te worden, evenals de beslissing op het administratief beroep. Met toepassing van artikel 126, eerste lid, van de Rar zal de Raad doen hetgeen het Gerecht had behoren te doen en de intrekkingsbesluiten, zoals nader toegelicht bij de vernietigde beslissing op administratief beroep, toetsen aan de hand van de door appellanten daartegen aangevoerde gronden.

Toetsing van de intrekkingsbesluiten

3. Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Lma geschieden aanstelling en bevordering in overeenstemming met daaromtrent bij Landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vastgestelde regels.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van het Landsbesluit Douane Curaçao (P.B. 2010, no. 69; het LbDC) wordt degene die de opleiding tot Hoofdkommies met goed gevolg heeft afgerond ingaande de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de opleiding met goed gevolg heeft afgerond, aangesteld in de groepsfunctie van Hoofdkommies. Zonder die afgeronde opleiding is een aanstelling in de groepsfunctie van hoofdkommies niet mogelijk.

4. Anders dan appellanten kennelijk menen, kan de omstandigheid dat de voor de bevordering vereiste opleiding jarenlang niet was opengesteld, er niet aan afdoen dat de wet uitdrukkelijk bepaalt dat pas nadat de opleiding met goed gevolg is afgerond, bevordering in de functie van Hoofdkommies mogelijk is. De bevorderingsbesluiten zijn dan ook in overeenstemming met artikel 16, eerste lid, van het LbDC genomen.

5. Appellanten betogen verder tevergeefs dat geïntimeerde hen ten onrechte niet op grond van artikel 75 van de Lma met terugwerkende kracht tot 2004 heeft bevorderd.

5.1

Op grond van artikel 75, eerste lid, kan de ambtenaar wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke dienstverrichting door het bevoegde gezag worden beloond. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder c, kan de beloning een bevordering zijn.

5.2

Een afwijzing van geïntimeerde van een verzoek van een ambtenaar om hem per een bepaalde datum te bevorderen, kan in beginsel niet mede worden opgevat als een weigering toepassing te geven aan artikel 75 van de Lma, welke bepaling immers een geheel andere feitelijk grondslag veronderstelt dan de reguliere bevordering. Dit zou anders kunnen zijn, als betrokkene aannemelijk weet te maken dat in vergelijkbare gevallen geïntimeerde stelselmatig wel die bepaling heeft toegepast met het doel de wettelijke bevorderingseisen te omzeilen.

5.3

De verwijzing door appellanten naar één geval van een collega die bij Landsbesluit van 4 november 2005 per 1 juli 2004 tot Hoofdkommies werd bevorderd zonder aan de bevorderingseisen te hebben voldaan, vormt onvoldoende aanknopingspunt om de bevorderingsbesluiten hier mede op te vatten als de afwijzing van de toepassing van artikel 75 Lma. Gelet op het grote tijdsverloop sedertdien en de omstandigheid dat er toen andere criteria golden voor bevordering naar de functie van Hoofdcommies, vormt die collega geen vergelijkbaar geval, zodat een beroep op het gelijkheidsbeginsel daarom ook niet kan slagen.

6. De slotsom is hier dat de bevorderingsbesluiten in stand kunnen blijven en het bezwaar daartegen alsnog ongegrond moet worden verklaard.

7. De Raad ziet aanleiding om het land Curaçao te veroordelen in de gezamenlijke proceskosten van appellanten ter zaken van hun appel als na te melden. Er bestaat geen grond om appellanten voor twee instanties proceskosten toe te kennen, omdat zij uiteindelijk materieel in het ongelijk worden gesteld.

Beslissing

De Raad:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    vernietigt de beslissing op administratief beroep;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen de bevorderingsbesluiten ongegrond;

  • -

    veroordeelt het land Curaçao tot betaling aan appellanten van hun gezamenlijke proceskosten in appel tot een bedrag van NAf 1.400,- (zegge: duizendvierhonderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus gegeven door mr. D. Haan, voorzitter, en mrs. L. Hoefdraad en J. Sybesma, leden, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.