Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBAACM:2017:2

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
16-01-2017
Datum publicatie
04-01-2018
Zaaknummer
CUR2014H00007 (voorheen: 2014/66779)
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Curaçaose zaak. Het Sociaal Statuut van het Land Curaçao (SSC) heeft alleen betrekking op de migratie van werkzaamheden vanuit de oude functie naar een plaats binnen de nieuwe bestuurlijke organisatie van het land Curaçao, zoals gedefinieerd in artikel 1, aanhef en onder k, van het SSC. De Staten maken daarvan geen onderdeel uit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (Rar)

Uitspraakdatum: 16 november 2017

Zaaknummer: CUR2014H00007 (voorheen: 2014/66779)

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

Zittingsplaats Curaçao

Uitspraak op het hoger beroep van

[…],

wonend in Curaçao,

appellante,

gemachtigde: mr. A.K.E. Henriquez, advocaat,

tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken, zittingsplaats Curaçao, van 24 juli 2014, in zaaknr. GAZ 2014/66779, in het geding tussen:

appellante

en

de Staten van Curaçao,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. E. Kleist, advocaat.

Procesverloop

Bij beschikking van 31 januari 2012 (de beschikking) heeft geïntimeerde het bezwaar van appellante tegen het plaatsingsaanbod van 12 augustus 2010 aan haar voor de functie van substituut griffier van de Staten ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het daartegen door appellante ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellante hoger beroep ingesteld.

Nadat ter zitting van 22 september 2016 de Raad een aanvang heeft gemaakt met de behandeling van de zaak, is die aangehouden om partijen de gelegenheid te bieden een nadere schriftelijk akte in te dienen.

Bij schrijven van 23 januari 2017 heeft appellant een akte van uitlatingen ingediend en geïntimeerde heeft dat gedaan bij schrijven van 24 februari 2017.

De Raad heeft de zaak vervolgens op 20 september 2017 opnieuw ter zitting behandeld. Appellante werd daar vertegenwoordigd door haar gemachtigde en geïntimeerde door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Appellante was vanaf februari 2009 tot 10 oktober 2010 griffier van de Staten van de Nederlandse Antillen. Met de staatkundige hervorming per 10 oktober 2010 (de overgang) zijn de Staten van de Nederlandse Antillen opgeheven en verviel daarmee de functie van de griffier daarvan. Op 1 april 2011 heeft geïntimeerde als zijn nieuwe griffier een andere ambtenaar benoemd. Het geschil tussen partijen spitst zich primair toe op de beantwoording van de vraag of geïntimeerde gehouden was op grond van de “Eilandsverordening Sociaal Statuut Land Curaçao” (A.B. 2010, no, 60; het SSC) die functie voorafgaande aan de overgang aan appellante aan te bieden.

2. Met geïntimeerde beantwoordt de Raad die vraag ontkennend.

2.1

Op grond van de Landsverordening Materieel Ambtenarenrecht is het bevoegd gezag over de griffier van de Staten wat betreft zijn benoeming, schorsing en ontslag de Staten zelf (voor de overgang de Staten van de Nederlandse Antillen en daarna geïntimeerde). Bij het SSC wordt geïntimeerde echter niet vermeld als bevoegd gezag, zodat hij reeds daarom daaraan niet gebonden kan worden geacht. Daarbij komt dat de verplichte plaatsingsprocedure op grond van het SSC (zie in het bijzonder artikelen 6 en 7) uitdrukkelijk alleen betrekking had op de migratie van werkzaamheden vanuit de oude functie naar een plaats binnen de nieuwe bestuurlijke organisatie van het land Curaçao, zoals gedefinieerd in artikel 1, aanhef en onder k, van het SSC. Daar vormen de Staten geen onderdeel van, zodat de plaatsingsprocedure op grond van het SSC niet kon leiden tot een verplichte plaatsing in een functie bij geïntimeerde.

2.2

Appellant heeft zich in het bijzonder beroepen op artikel 7, eerste lid, van het SSC, op grond waarvan bij het aanbod aan een personeelslid het ‘mens volgt functie-principe’ in acht wordt genomen. Maar ook in die bepaling staat dat alle personeelsleden conform dat principe een functie ‘binnen de nieuwe ambtelijke bestuurlijke organisatie’ ontvangen en dat indien een personeelslid niet volgens dat principe een functie kan worden aangeboden hem een passende functie wordt aangeboden. De conclusie kan dan ook geen andere zijn dan dat het ‘mens volgt functie-principe’ niet gold voor de functie van de griffier van de Staten.

2.3

Het voorgaande doet er niet aan af dat appellante een personeelslid was in de zin van artikel 1, aanhef en onder o, van het SSC en dat zij dus ook rechten kon ontlenen aan het SSC. Maar die rechten gingen wat betreft plaatsing niet verder dan dat het bij het SSC aangewezen bevoegde gezag haar een passende functie dan wel geschikte functie moest aanbieden binnen de nieuwe bestuurlijke organisatie van het land Curaçao.

2.4

Geïntimeerde was dus niet op grond van het SSC gehouden appellante voor de overgang een aanbod te doen tot plaatsing als zijn griffier. Daarbij wijst de Raad nog op de memorie van toelichting op de Landsverordening rechtspositie griffier Staten, bij welke landsverordening de rechtspositie van de griffier is geregeld, waarin de uitzonderlijke status van die functie wordt benadrukt en de daarvoor benodigde bijzondere kwaliteiten. Dat vormt temeer reden voor het oordeel dat geïntimeerde als het bevoegde gezag over de benoeming van die functionaris een eigen, verantwoorde afweging moest kunnen maken om de beste kandidaat te selecteren zonder gebonden te zijn aan een benoeming van voor de overgang.

3. Nu er geen grond is om te oordelen dat de beschikking voor onrechtmatig moet worden gehouden, bestaat er evenmin grond voor toewijzing van de door appellante verzochte schadevergoeding.

4. De slotsom is dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak kan worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

Beslissing

De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak

Aldus gegeven door mr. D. Haan, voorzitter, en mrs. L. Hoefdraad en J. Sybesma, leden, en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.