Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:ORBAACM:2016:4

Instantie
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
26-07-2016
Datum publicatie
08-01-2018
Zaaknummer
RvBAz 2014/71419
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arubaanse zaak. Bij het bevorderingsbesluit heeft geïntimeerde in zijn hoedanigheid van het bevoegde gezag op het verzoek van appellant van 4 juni 2012 diens rechtspositie als ambtenaar over de periode tot 29 oktober 2013 nader vastgesteld. Appellant kon tegen deze beschikking in haar volle omvang opkomen. De eerdere mogelijkheid in bezwaar op te komen tegen de fictieve weigering van de Minister de noodzakelijke medewerking te verlenen aan de verzochte bevordering door een daartoe strekkende voordracht, kan daaraan niet afdoen, omdat die nu eenmaal niet van het bevoegde gezag afkomstig was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La)

Uitspraakdatum: 26 juli 2016

Zaaknummer: RvBAz 2014/71419

RAAD VAN BEROEP

IN AMBTENARENZAKEN

Zittingsplaats Aruba

Uitspraak op het hoger beroep van:

[…],

wonend in Aruba,

appellant,

gemachtigde: msr. A.J. Swaen en D.M. Passchier, advocaten,

tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken, zittingsplaats Aruba, van 25 augustus 2014, in zaaknr. GAZ 2013/3406, in het geding tussen:

appellant

en

de Gouverneur van Aruba,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. V.M. Emerencia, werkzaam bij de dienst Wetgeving en Juridische Zaken (DWJZ).

Procesverloop

Bij landsbesluit van 29 oktober 2013 heeft geïntimeerde appellant met ingang van 1 november 2009 bevorderd naar de rang van referendaris 2e klasse (het bevorderingsbesluit).

Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het door appellant daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.

Geïntimeerde heeft een contramemorie ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 mei 2016. Daar zijn voor appellant zijn gemachtigden verschenen. Geïntimeerde heeft zich daar doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij brief van 10 oktober 2013 heeft de minister van Justitie en Onderwijs (de Minister) appellant op zijn verzoek van 4 juni 2012 om hem met ingang van 1 juli 2009 en 1 juli 2011 te bevorderen naar de rang van referendaris 2e klasse (schaal 10), onderscheidenlijk referendaris (schaal 12), geantwoord dat dit verzoek niet voor inwilliging in aanmerking komt wat betreft de gevraagde bevordering per 1 juli 2011 en dat ter zake van de gevraagde bevordering per 1 juli 2009 een concept landsbesluit aan de Gouverneur ter tekening is aangeboden voor de bevordering naar de rang van referendaris 2e klasse per 1 november 2009. Vervolgens heeft geïntimeerde in overeenstemming daarmee het bevorderingsbesluit genomen.

2. De Raad stelt, ambtshalve daarover oordelend, voorop dat het Gerecht ten onrechte de minister van Justitie als verweerder heeft aangemerkt in plaats van de Gouverneur, die hier, zoals uit de partijvermelding in het hoofd van deze uitspraak reeds blijkt, als geïntimeerde wordt aangemerkt. Nu appellant zijn bezwaar tegen de brief van Minister eerder had ingetrokken, kon immers alleen nog in het geding zijn het bezwaar gericht tegen het bevorderingsbesluit en dat is genomen door geïntimeerde.

3. Op grond van artikel 41, eerste lid, van de La wordt het bezwaarschrift ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop de aangevallen beschikking of de aangevallen handeling of weigering genomen, verricht of uitgesproken is. Op grond van het tweede lid wordt een orgaan geacht de weigering tot het nemen van een beschikking of het verrichten van een handeling te hebben uitgesproken, indien het binnen de daarvoor bepaalde tijd of, waar een tijdsbepaling ontbreekt, binnen een redelijke tijd een verplichte beschikking niet genomen of een verplichte handeling niet verricht heeft. In dit geval loopt de termijn van dertig dagen van de dag waarop de weigering geacht wordt te zijn uitgesproken.

4. Naar het oordeel van de Raad heeft het Gerecht het bezwaar van appellant tegen het bevorderingsbesluit niet op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard.

4.1

Voorop staat dat geïntimeerde op grond van artikel 4 van Landsverordening materieel ambtenarenrecht (de Lma) het ter zake bevoegde gezag is en dus het bestuursorgaan dat in rechte verantwoording moet afleggen over de aanwending van de gegeven bevoegdheid in het voorliggende geval.

4.2

Op grond van de bestendige jurisprudentie van de Raad waaraan het Gerecht heeft gerefereerd zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van 17 maart 2009, zaaknr. RvBAz 2008/31, ECLI:NL:ORBANAABJ6641 geldt het niet binnen een redelijke termijn uitbrengen door een verantwoordelijke minister van een voordracht tot het nemen van een Landsbesluit aan geïntimeerde als een weigering van die minister een verplichte, want voor de totstandkoming van het Landsbesluit noodzakelijke, handeling te verrichten, waartegen op grond van artikel 41, tweede lid, van de La bezwaar op het Gerecht openstaat.

4.3

Met deze rechtspraak beoogt de Raad recht te doen aan de omstandigheid dat geïntimeerde als bevoegd gezag alleen een beschikking kan nemen op voordracht van een verantwoordelijke minister, waaraan de Raad de consequentie heeft verbonden dat bij gebreke van diens medewerking, die minister zich daarvoor dan in rechte dient te verantwoorden. Uit die rechtspraak mag echter niet worden afgeleid dat de verantwoordelijke minister met voorbijgaan aan artikel 4 van de Lma inhoudelijke beschikkingen zou kunnen nemen ter zake van de aan geïntimeerde in zijn hoedanigheid van het bevoegde gezag toekomende bevoegdheid. Ook al behoeft geïntimeerde daartoe de medewerking van een verantwoordelijke minister, de uiteindelijke bevoegdheid om te beschikken over het al dan niet bevorderen, komt alleen hem in die hoedanigheid toe.

4.4

Dat laatste heeft het Gerecht miskend door te overwegen dat de brief van de Minister van 10 oktober 2013 de voor bezwaar vatbare beschikking is, waardoor er geen aanleiding meer is het bevorderingsbesluit mede op te vatten als de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek om bevordering van appellant. Bij het bevorderingsbesluit heeft geïntimeerde in zijn hoedanigheid van het bevoegde gezag op het verzoek van appellant van 4 juni 2012 diens rechtspositie als ambtenaar over de periode tot 29 oktober 2013 nader vastgesteld. Appellant kon tegen deze beschikking in haar volle omvang opkomen. De eerdere mogelijkheid in bezwaar op te komen tegen de fictieve weigering van de Minister de noodzakelijke medewerking te verlenen aan de verzochte bevordering door een daartoe strekkende voordracht, kan daaraan niet afdoen, omdat die nu eenmaal niet van het bevoegde gezag afkomstig was.

5. De slotsom is dat het Gerecht het bezwaar van appellant tegen het bevorderingsbesluit niet op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hoger beroep moet gegrond worden verklaard en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Nu niet is gebleken dat er andere gronden zijn die nopen tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar, zal de Raad dat alsnog ontvankelijk verklaren en met toepassing van artikel 127, eerste lid, van de La de zaak terugwijzen naar het Gerecht om te worden hervat in de stand, waarin zij zich bevond.

6. De Raad ziet aanleiding om het land Aruba te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep als na te melden.

Beslissing

De Raad:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst de zaak terug naar het Gerecht ter inhoudelijke behandeling van het bezwaar van appellant tegen het bevorderingsbesluit;

  • -

    veroordeelt het land Aruba tot betaling aan appellant van zijn proceskosten in hoger beroep tot een bedrag van Afl. 1.400,- (zegge: één duizend vierhonderd Arubaanse guldens), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus gegeven door mr. D. Haan, voorzitter, en mrs. S. Verheijen en A.H.M. van de Leur, leden, en in het openbaar uitgesproken op 26 juli 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.