Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BR7080

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
08-09-2011
Zaaknummer
AR 75/07 - H. 181/09
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na overlijden wordt recht van erfpacht aan [geïntimeerde sub 4] toebedeeld. Appellanten vordert dat hiervoor een vergoeding wegens overbedeling wordt gesteld. Hof oordeelt dat er geen recht op vergoeding bestaat. Moeder heeft met de transactie voldaan aan een natuurlijke verbintenis, [geïntimeerde sub 4] heeft moeder bijna 30 jaar in huis gehad en verzorgd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ZAAKNRS.: AR 75/07 - H. 181/09

UITSPRAAK: 12 januari 2010

VONNIS GEWEZEN DOOR HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

in de zaak van:

1. [appellant sub 1],

2. [appellant sub 2],

3. [appellant sub 3],

4. [appellant sub 4],

allen wonende op Bonaire,

oorspronkelijk eisers, thans appellanten in principaal appel, geïntimeerden in incidenteel appel,

gemachtigden: mr. G.E. Lynch,

tegen

1. [geïntimeerde sub 1], wonende in Nederland,

2. [geïntimeerde sub 2], wonende op Bonaire,

3. [geïntimeerde sub 3], wonende op Bonaire,

4. [geïntimeerde sub 4], wonende op Bonaire,

oorspronkelijk gedaagden, thans geïntimeerden in principaal appel, appellanten in incidenteel appel,

gemachtigde: mr. V.S. La Fleur.

Partijen worden hierna aangeduid met [appellanten] onderscheidenlijk [geïntimeerden] Appellante onder 1 alleen wordt aangeduid met [appellant sub 1], geïntimeerde onder 4 alleen met [geinitmeerde sub 4].

Het verloop van de procedure

1.1. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Bonaire, (GEA) wordt verwezen naar het tussen partijen in de zaak met AR nummer 75 van 2007 gewezen en op 22 oktober 2008 uitgesproken tussenvonnis en het op 17 december 2008 uitgesproken eindvonnis. De inhoud van die vonnissen geldt als hier ingevoegd.

1.2. [appellanten] zijn bij akte van appel, ingekomen op 30 januari 2009, in hoger beroep gekomen van voornoemd eindvonnis. In een op 3 maart 2009 ingekomen memorie van grieven hebben zij vier grieven aangevoerd en toegelicht en geconcludeerd dat het Hof appellanten toestemming verleent om kosteloos te procederen, het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, hun vordering alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties.

1.3. [geïntimeerden] hebben in een memorie van antwoord tevens akte inhoudende incidenteel beroep, met producties, het hoger beroep bestreden, op hun beurt incidenteel appel ingesteld en geconcludeerd dat het Hof hun verlof zal verlenen om kosteloos te procederen en voorts, kort gezegd, het bestreden vonnis zal vernietigen en het desbetreffende recht van erfpacht zal toedelen aan [geïntimeerde sub 4] zonder vergoeding wegens overbedeling, subsidiair het vonnis zal bevestigen, meer subsidiair het recht van erfpacht zal toedelen aan [geïntimeerde sub 4] met vergoeding van een lager bedrag wegens overbedeling, met veroordeling van [appellanten] in de kosten.

1.4. [appellanten] hebben in een memorie van antwoord in het incidenteel beroep het incidenteel appel bestreden en geconcludeerd overeenkomstig hun memorie van grieven.

1.5. Partijen hebben afgezien van pleidooi.

1.6. Partijen hebben vonnis gevraagd waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2. De grieven

Voor de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven en de memorie van antwoord tevens akte inhoudende incidenteel appel.

3. De feiten

In het tussenvonnis onder 3.2 heeft het GEA feiten vastgesteld. Deze zijn niet bestreden en ook het Hof zal daarvan uitgaan.

4. Beoordeling

4.1. Het hoger beroep van [appellanten] is, gelet op artikel 264 lid 2 Rv jo artikel 119 leden 3-4 Rv, tijdig ingesteld. Blijkens de stukken was niemand bij de uitspraak van het eindvonnis tegenwoordig en is dit vonnis bij dienstbrief van 23 december 2008 aan de gemachtigde van [appellanten] toegezonden. Ook het incidentele hoger beroep is op tijd ingesteld (artikel 274 lid 2 Rv).

4.2. Door [appellant sub 1] is in hoger beroep opnieuw een bewijs van onvermogen overgelegd zodat zij kan worden toegelaten om kosteloos te procederen (artikel 880 lid 1 Rv). Wat betreft het principaal appel behoeven [geïntimeerden] geen toelating daartoe in hoger beroep (artikel 880 lid 2 Rv).

4.3. De beide appellen beogen het geschil in volle omvang aan het Hof voor te leggen. Het principale hoger beroep van [appellanten] strekt ertoe – indien het recht van erfpacht aan [geïntimeerde sub 4] wordt toegedeeld – dat de vergoeding wegens overbedeling op een hoger bedrag wordt gesteld, het incidentele hoger beroep van [geïntimeerden] dat deze vergoeding uitkomt op nihil of op een lager bedrag.

4.4. Het incidentele hoger beroep is gegrond. Uit de feiten en omstandigheden die zijn komen vast te staan volgt dat de destijds 84-jarige moeder het recht van erfpacht met huis in economische zin aan haar dochter [geïntimeerde sub 4] heeft doen toekomen, aldus onder meer implicerend dat na het overlijden van de moeder de zaak zonder meer ook juridisch aan [geïntimeerde sub 4] zou toekomen. Dat het recht tijdens het leven van de moeder juridisch op naam van de moeder stond hield louter verband met het huurderschap van de moeder en de lage prijs die daardoor mogelijk werd. Alle lasten verband houdende met de financiering, onderhoud, verbetering en canonbetalingsverplichtingen zijn gedragen door [geïntimeerde sub 4] en haar echtgenoot; [geïntimeerde sub 4] was ook mede-aansprakelijk in het kader van de hypothecaire lening. De moeder genoot enkel een AOV-pensioen van ca. NAF. 450,= per maand. De bevoordeling van [geïntimeerde sub 4] is niet ten koste van de moeder gegaan. De transactie was in tegendeel slechts gunstig voor de moeder aangezien aldus haar verzorging beter verzekerd werd. Met de transactie heeft de moeder voldaan aan een natuurlijke verbintenis. Blijkens het eindvonnis, rov. 2.3 en 2.4, heeft [geïntimeerde sub 4] haar moeder bijna dertig jaar in huis gehad en verzorgd.

4.5. Dat [geïntimeerde sub 4] in 1989 in staat gesteld werd een erfpachtsrecht te Nikibobo te verkrijgen, kennelijk ten aanzien van een aan een derde verhuurde woning (productie 1 bij dupliek) staat in de gegeven omstandigheden niet eraan in de weg dat in 1998 – dus negen jaar later – ter zake van de door moeder en [geïntimeerde sub 4] gezamenlijk bewoonde woning aan een natuurlijke verbintenis werd voldaan. Grief 1 faalt derhalve.

4.6. De overige grieven in het principaal appel stuiten af op het economisch gerechtigd zijn van [geïntimeerde sub 4] tot het in 1998 verkregen erfpachtsrecht, zoals in rov. 4.4 aangeduid.

4.7. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd voor zover [geïntimeerde sub 4] is veroordeeld tot betaling van NAF. 2.500,= aan ieder der eisers wegens overbedeling en voor het overige moet worden bevestigd.

4.8. Nu het gaat het om broers en zusters zullen ook in hoger beroep de proceskosten worden gecompenseerd.

5. Beslissing

Het Hof:

- verleent [appellant sub 1] toelating om kosteloos te procederen;

- vernietigt het bestreden vonnis voor zover [geïntimeerde sub 4] is veroordeeld tot betaling van NAF. 2.500,= aan ieder der eisers wegens overbedeling;

- bevestigt het bestreden vonnis voor het overige;

- compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mrs. J. de Boer, F.J.P. Lock en E.M. van der Bunt, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, en ter openbare terechtzitting van 12 januari 2010 op Curaçao uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.