Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BN8487

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
27-08-2010
Datum publicatie
28-09-2010
Zaaknummer
AR 88/07-H-21/09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep richt zich tegen tussenvonnis waarin het GEA kennelijk beoogd heeft zaken ambtshalve te voegen. Hof oordeelt dat de voeging van de onderhavige zaak zonder dat een inhoudelijk tussenvonnis is gegeven niet opportuun is. Hof vernietigt het vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

UITSPRAAK: 27 augustus 2010

ZAAKNR.: AR 88/07-H-21/09

HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE

NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Vonnis in de zaak van:

de naamloze vennootschap NATIONAL GENERAL INSURANCE CORPORATION N.V. (hierna Nagico),

gevestigd op Sint Maarten,

voorheen eiseres, thans appellante,

gemachtigde: mr M. Hofman,

tegen

de naamloze vennootschap WINDWARD ROADS N.V. (hierna WWR),

gevestigd op Sint Maarten,

voorheen gedaagde, thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. T.E. Matroos en E.R. de Vries,

en

de naamloze vennootschap STEPHANIE CLEANING SERVICES N.V. (hierna SCS),

gevestigd op Sint Maarten,

voorheen gedaagde, thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. R. Kock en M.O. Kortenoever.

1. Het verloop van de procedure

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten, (verder: het GEA), wordt verwezen naar het tussen Nagico als eiser en WWR en SCS als gedaagden in deze zaak gewezen tussenvonnis van 20 januari 2009. De inhoud van dat vonnis geldt als hier ingevoegd.

Nagico heeft bij verzoek van 2 februari 2009 vergunning gevraagd om afzonderlijk hoger beroep in te stellen tegen het genoemde vonnis. Het Hof heeft bij beschikking van 16 juli 2009 onder nummer AR-88/07-HAR-21/09 het gevraagde verlof verleend.

Nagico is vervolgens in hoger beroep gekomen van genoemd vonnis door indiening op 26 augustus 2009 van een daartoe strekkende “akte van appel tevens houdende memorie van grieven ingevolge verlof tot tussentijds appel” ter griffie van het GEA. In die akte heeft zij toegelicht waarom zij het niet eens is met het vonnis van 20 januari 2009 en geconcludeerd tot vernietiging van het tussenvonnis met (terug)verwijzing van de zaak naar het GEA ter verdere behandeling en beslissing, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van het hoger beroep.

WWR en SCS hebben ieder voor zich een memorie van antwoord genomen waarin zij hebben geconcludeerd tot afwijzing van het beroep en tot veroordeling van Nagico in de kosten van het beroep.

Op de nader voor pleidooi bepaalde dag hebben de gemachtigden van Nagico en SCS pleitnota’s overgelegd, heeft WWR afgezien van pleidooi en is vonnis gevraagd, waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2. Ontvankelijkheid

Nagico is tijdig en op de juiste wijze in beroep gekomen van het door haar bestreden tussenvonnis, zodat zij daarin kan worden ontvangen.

3. Grieven

Voor de door Nagico tegen het tussenvonnis aangevoerde bezwaren, verwijst het Hof naar de akte van appel tevens houdende memorie van grieven ingevolge verlof tot tussentijds appel.

4. Beoordeling

4.1.1 In het kort betreft de onderhavige zaak het volgende.

Op 8 oktober 2003 is er een felle brand geweest in de Frontstreet te Sint Maarten. Nagico stelt dat WWR en SCS aansprakelijk zijn voor deze brand en de daarvoor veroorzaakte schade die de bij haar verzekerde partijen Kreation Gem Palace, Shoppers Paradise, Sureen N.V. Neechamall, Hemrajani Internationel N.V., Touch of Gold, Sushila Lakmichand & Sons dba AMA, Satgura N.V. dba Gemsland Jewellers en Gemsland (productie 5 inleidend verzoekschrift) hebben opgelopen. Nagico stelt bij op 13 april 2007 ter griffie van het GEA ingediend verzoekschrift dat zij deze bij haar verzekerde partijen op basis van elke individuele verzekeringsovereenkomst en voor zover die overeenkomst dekking bood, schadeloos heeft gesteld en gesubrogeerd is in de rechten die de gelaedeerden hadden ten opzichte van WWR en/of SCS. Zij vordert thans betaling van WWR en/of SCS van de door haar aan de gelaedeerden betaalde penningen.

4.1.2 Bij, gelet op het ARnummer “32 van 2004” kennelijk in 2004 ingediend verzoekschrift heeft Sushila Lakmichand & Sons N.V. (hierna Sushila, één van de onder 4.1.1 genoemde gelaedeerden) terzake dezelfde brand als hiervoor onder 4.1.1 genoemd, WWR gedagvaard omdat Sushila WWR aansprakelijk acht voor de door de brand bij haar, Sushila, veroorzaakte schade.

WWR heeft in dat geding met succes in vrijwaring opgeroepen Fortis Corporate Insurance N.V., Delta Lloyd Schadeverzekeringen N.V., Taliesin Construction N.V. en SCS.

SCS heeft vervolgens met succes in ondervrijwaring opgeroepen Nagico, Fortis Corporate Insurance N.V., Delta Lloyd Schadeverzekeringen N.V. en Taliesin Construction N.V.

Bij tussenvonnis van 3 juni 2008 is Sushila in de hoofdzaak in staat gesteld om te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de brand is veroorzaakt door een onderhouds- of ander gebrek in de compressor van WWR.

4.2 In zijn tussenvonnis waartegen dit beroep zich richt heeft het GEA in het lichaam overwogen dat de oorzaak van de brand ook in de onderhavige zaak, waarin enkele procespartijen optreden die ook procespartij zijn in zaak 32/2004, van belang is en dat het ter voorkoming van tegenstrijdige vonnissen dienstig is dat de uitkomst van de verhoren in zaak 32/2004 wordt afgewacht. Het GEA heeft vervolgens in het dictum de zaak verwezen voor akte uitlating naar de rol van 28 maart 2009, een datum waarop, zo begrijpt het Hof, het GEA verwachtte dat er in zaak 32/2004 een vonnis zou zijn gewezen naar aanleiding van het bijgebrachte bewijs.

Het GEA heeft kennelijk beoogd de zaken ambtshalve te voegen. Dit is echter niet in het dictum vermeld, zodat het vonnis wat dat betreft vernietigd moet worden. Het Hof zal beide zaken niet voegen, omdat voeging van de onderhavige zaak zonder dat een inhoudelijk tussenvonnis is gegeven, niet opportuun is.

Het Hof overweegt verder dat het vonnis zoals gewezen niet perse leidt tot het kennelijk door het GEA gewenste resultaat. Ook nadat in zaak 32/2004 in de hoofdzaak vonnis is gewezen, kent het recht niet de regel dat de partijen in deze zaak aan het in die zaak gewezen vonnis zijn gebonden, zodat de beslissing waarvan appel slechts tot nodeloze vertraging leidt.

4.3 Gelet op het voorgaande dient het tussenvonnis van GEA dan ook te worden vernietigd en zal het Hof recht doen als hierna vermeld en worden WWR en SCS, als de in het ongelijk gestelde partijen, veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep.

BESLISSING:

Het Hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

verwijst de zaak naar het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten in de stand waarin deze zich bevond;

veroordeelt WWR en SCS in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Nagico gevallen en begroot die kosten ten laste van WWR op NAF. 275,50 aan exploitkosten, ten laste van SCS op NAF. 275,50 en ten laste van WWR en SCS hoofdelijk op NAF. 2.550,- in totaal aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.R. Sijmonsma, F.J.P. Lock en J.P. de Haan, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof op Sint Maarten uitgesproken op 27 augustus 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.