Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BN8449

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
27-08-2010
Datum publicatie
27-09-2010
Zaaknummer
KG-185/08-H-298/09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Hof oordeelt dat gelet op het aantal misstappen van de werknemer die voorshands voldoende vaststaan, de werkgever tot de beslissing heeft kunnen komen om hem op grond van een dringende reden te ontslaan. Het ontslag kan daarom niet disproportioneel worden genoemd. Werknemer heeft binnen twee dagen nadat de laatste feiten zich hebben voorgedaan kennis gekregen van het ontslag, deze termijn van twee dagen kan onverwijld worden genoemd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0787

Uitspraak

UITSPRAAK: 27 augustus 2010

ZAAKNR.: KG-185/08-H-298/09

HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE

NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[appellant],

wonend op Sint Maarten,

in eerste aanleg eiser, thans appellant,

gemachtigde: mr. T.J. Leijsen,

tegen:

de naamloze vennootschap ORMROD POWER (N.A.) N.V. (hierna OP),

gevestigd op Sint Maarten,

in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. M.M. Hofman-Ruigrok en G. Hatzmann.

1. Het verloop van de procedure

Voor hetgeen in dit kort geding in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg, zittingsplaats Sint Maarten (hierna het GEA), wordt verwezen naar het in deze zaak in kort geding gewezen vonnis van 27 oktober 2008. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

[appellant] is in hoger beroep gekomen van dit vonnis door indiening op 14 november 2008 van een daartoe strekkende akte ter griffie van het GEA. Bij op 5 december 2008 ingediende memorie van grieven heeft hij drie grieven aangevoerd en toegelicht en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en tot toewijzing van zijn vordering, met veroordeling van OP in de kosten van eerste aanleg en van het hoger beroep.

OP heeft een memorie van antwoord genomen en heeft daarin geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

Op de nader voor pleidooi bepaalde dag hebben partijen pleitnotities overgelegd, waarna vonnis is gevraagd, waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2. Ontvankelijkheid

Appellant is tijdig en op de juiste wijze in beroep gekomen van het bestreden vonnis, zodat hij daarin kan worden ontvangen.

3. De grieven

Voor de inhoud van de grieven verwijst het Hof naar de memorie van grieven.

4. Beoordeling

4.1 Er is niet gegriefd tegen hetgeen het GEA in het vonnis onder 3.1 heeft opgenomen, zodat het Hof, dat daar evenmin bezwaren tegen heeft, daar ook van uitgaat

4.2 In de eerste grief wordt geklaagd over de interpretatie die het GEA heeft gegeven aan de in het geding gebrachte camerabeelden.

Uit overweging 3.4 van het bestreden vonnis blijkt dat het GEA die beelden ten overstaan van partijen heeft bekeken en dat een ieder daarop commentaar heeft kunnen geven tijdens de zitting van het GEA. Een en ander is niet geschied tijdens de appelbehandeling en het staat het Hof, gelet op het beginsel van hoor en wederhoor, in principe niet vrij om buiten partijen om kennis te nemen van die camerabeelden. Daar waar de onderhavige procedure een kort gedingprocedure is, waarin gelet op de aard daarvan een nader bij tussenvonnis te gelasten onderzoek niet past, terwijl de constatering door het GEA voldoende is gemotiveerd, faalt de grief. Het Hof overweegt hierbij nog dat het, zonder nadere feitelijke toelichting en daaromtrent vaststaande feiten, voorshands niet tot het oordeel kan komen dat bij een controletaak als [appellant] kennelijk heeft en waarbij hij geen bijstand heeft, het lezen van een krant niet kan worden gekwalificeerd als “grove veronachtzaming van de plichten van de werknemer”. In zijn toelichting lijkt [appellant] verder van mening te zijn dat hij niet gelijk wordt behandeld als anderen die de krant lezen op de werkplek. Het antwoord op de vraag of die stelling juist is, vergt nader onderzoek omdat niet voldoende vaststaat dat het gelijke gevallen betreft. Voor een dergelijk onderzoek is geen plaats in kort geding.

4.3 In de tweede grief wordt geklaagd over het feit dat het GEA ervan uit is gegaan dat [appellant] eenmaal mondeling is gewaarschuwd en dat de gebeurtenis waarvoor [appellant] geschorst is geweest, daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

[appellant] heeft erkend dat hij is geschorst en heeft tevens erkend dat hij ter zake daarvan een brief heeft ontvangen. Gesteld noch gebleken is dat hij ten tijde van de schorsing en/of uitreiking van de schorsingsbrief bezwaar heeft gemaakt of later daar afzonderlijk over heeft geklaagd. Het Hof gaat er dan ook met het GEA voorshands van uit dat het feit waarvoor [appellant] is geschorst, ook inderdaad heeft plaatsgevonden.

Schorsing is een relatief zware maatregel die in de regel niet zonder meer wordt opgelegd. Bezien in dat licht heeft het GEA, gelet op de aard van het kort geding, dan ook terecht kunnen aannemen dat de werkgever eerder klachten over het doen en laten van [appellant] heeft geuit. Het is hierbij niet onwaarschijnlijk dat dit mondelinge klachten zijn geweest. Voor het overige vergt de grief en de toelichting daarop een nader feitelijk onderzoek waarvoor in kort geding geen plaats is.

4.4 Anders dan [appellant] bij zijn derde grief stelt, staat in deze procedure niet vast dat hij noemenswaardig ziek was tijdens zijn dienst. Hij is na die dienst wel bij de dokter geweest, doch dat betekent niet dat hij tijdens zijn dienst een ziekte onder de leden had die zijn nalatig handelen veroorzaakte. Het Hof weegt hierbij mee dat alleen [appellant] die ziekte heeft benoemd (een volgens hem ernstige buikgriep, zie onder 11 memorie van grieven) omdat het door [appellant] overgelegde doktersbriefje voor het Hof onleesbaar is. Aldus kan het Hof zijn stelling dat hij door die ziekte in slaap is gevallen, niet zonder meer onderschrijven.

4.5 [appellant] erkent dat hij twee “performance checks” niet heeft uitgevoerd, maar voert aan (behoudens zijn ziekte, welk argument hiervoor is gepasseerd) dat dit wel vaker gebeurde bij anderen zonder dat er maatregelen zijn getroffen. Anders dan hij stelt, staat echter niet vast dat anderen die “checks” uit nalatigheid niet hebben uitgevoerd, zodat het Hof hieraan voorbij gaat. Voor zover [appellant] onder de punten 14 tot en met 16 van zijn memorie van grieven klaagt dat hij anders is behandeld dan collega’s, vereist die stelling nader feitelijk onderzoek, waarvoor in dit kort geding geen plaats is.

4.6 Gelet op het aantal misstappen van [appellant] die voorshands voldoende vaststaan, heeft OP tot de beslissing kunnen komen om hem op grond van een dringende reden te ontslaan. Het ontslag kan daarom niet disproportioneel worden genoemd.

4.7 De laatste feiten op grond waarvan [appellant] is ontslagen hebben zich voorgedaan in de nacht van 11 op 12 juli 2008. Al op 14 juli 2008 schrijft [appellant] een brief aan OP met als kenmerk “Unofficial dismissal letter”. Dit betekent dat [appellant] binnen twee dagen nadat de laatste feiten zich hebben voorgedaan, kennis heeft gekregen van het ontslag. Gelet op de inhoud van zijn brief had hij op 14 juli 2008 ook kennis van de reden(en) voor het ontslag. Een dergelijke termijn van hooguit twee dagen kan onverwijld worden genoemd.

4.8 Gelet op de aard van de verzuimen en de gevolgen die deze kunnen hebben, zijn de persoonlijke omstandigheden die [appellant] heeft aangevoerd, niet zwaarwichtig genoeg om OP te weerhouden van het ontslag.

4.9 Al met al wordt het appel dan ook verworpen en dient [appellant] te worden veroordeeld in de kosten van de procedure gerezen aan de zijde van OP.

BESLISSING:

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de aan de zijde van OP gerezen kosten van dit hoger beroep, tot op heden begroot op NAF. 212,50 betekeningskosten memorie van antwoord en NAF. 5.100,- voor salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.R. Sijmonsma, E.M. van der Bunt en J.P. de Haan, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof op Sint Maarten uitgesproken op 27 augustus 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.