Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BN7664

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
05-01-2010
Datum publicatie
20-09-2010
Zaaknummer
AR 262/07 - H 79/08
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het GEA heeft voor recht verklaard dat de verjaringstermijn van art. 3:308 BW van toepassing is, hiertegen is het hoger beroep van het Eilandgebied gericht. Hof oordeelt dat de hoofdregel van toepassing is, dus dat vorderingen terzake van geldschulden ten laste van het Eilandgebied verjaren na 18 maanden. Vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienummer: AR 262/07 - H 79/08

Uitspraak: 5 januari 2010

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Vonnis in de zaak van:

de openbare rechtspersoon

HET EILANDGEBIED CURAÇAO,

zetelend op Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde,

thans appellant,

gemachtigden: mrs. G.J.M. Petrona en L.M.M. Stüger,

- tegen -

de naamloze vennootschap

SECURITY GROUP N.V.,

gevestigd op Curaçao,

oorspronkelijk eiseres,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. H.W. Braam.

Partijen worden hierna "het Eilandgebied" en "Security Group" genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Op 8 oktober 2007 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (verder: GEA), tussen partijen vonnis gewezen. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, de procesgang aldaar en de overwegingen en beslissingen van het GEA wordt verwezen naar dat vonnis.

1.2 Het Eilandgebied is in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis door op 14 november 2007 een akte van hoger beroep in te dienen. Bij op 27 december 2007 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft het zes grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en (naar het Hof begrijpt:) de vordering van Security Group alsnog zal afwijzen, met veroordeling van Security Group in de proceskosten in beide instanties.

1.3 Bij memorie van antwoord heeft Security Group de grieven bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis van beroep, met veroordeling van het Eilandgebied in de kosten van het hoger beroep, zulks uitvoerbaar bij voorraad.

1.4 Op de voor pleidooi nader bepaalde dag hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities overgelegd. Het Eilandgebied heeft daarbij nog twee aanvullende grieven geformuleerd en toegelicht. Vonnis is gevraagd en bepaald op heden.

2. De grieven

Voor de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven en naar de pleitnota in hoger beroep van het Eilandgebied.

3. De beoordeling

3.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist staan tussen partijen de volgende feiten vast:

a. Bij brief van 4 april 1990 heeft Security Group de Dienst Openbare Werken (hierna: DOW) van het Eilandgebied bericht dat zij de bewaking van het DOW-complex zal uitvoeren voor een bedrag van NAF. 26.767,- per maand, waarbij indexering volgens gegevens van het Bureau voor de Statistiek automatisch jaarlijks van toepassing zal zijn.

b. Bij brief van 29 juni 1990 heeft het Hoofd van Dienst van DOW Security Group opdracht verleend tot bewaking van het DOW-complex, met verwijzing naar onder meer de brief van 4 april 1990 en met de opmerking dat het te vorderen bedrag dient te worden gedeclareerd op declaratieformulieren van DOW.

c. Security heeft maandelijkse declaraties ingediend. De declaraties die betrekking hebben op de maanden juli, augustus, september en november 2005 vermelden telkens het bedrag van NAF. 26.767,-, met omzetbelasting, maar zonder indexering.

3.2 Security Group heeft - kort gezegd - een verklaring voor recht gevorderd dat op de verschuldigde indexering de verjaringstermijn van art. 3:306 BW, althans die van art. 3:308 BW van toepassing is en niet die van artikel 37 lid 2 van de Comptabiliteitsvoorschriften eilandgebieden. Het GEA heeft voor recht verklaard dat de verjaringstermijn van art. 3:308 BW van toepassing is. Hiertegen is het hoger beroep van het Eilandgebied gericht.

3.3 De eerste twee leden van artikel 37 van de Comptabiliteitsvoorschriften eilandgebieden (PB 1953, no. 174) luiden als volgt:

1. Vorderingen terzake van geldschulden ten laste van het eilandgebied verjaren 18 maanden na de aanvang van het dienstjaar, waarin zij opvorderbaar zijn geworden.

2. Het vorige lid geldt niet:

a. voor vorderingen wegens rente en aflossing van geldleningen, wegens bezoldiging, pensioen en onderstand;

b. voor vorderingen, waarvan het bedrag vast staat en de verevening niet afhankelijk is van de voorafgaande indiening van stukken door belanghebbenden.

Op deze vorderingen zijn van toepassing de in het Burgerlijk Wetboek bepaalde termijnen van verjaring.

3.4 Deze bepalingen hebben, mede gelet op de afdeling waarin zij zijn geplaatst (Voorschriften met betrekking tot de uitvoering van de begroting) en de overige leden van artikel 37 van de Comptabiliteitsvoorschriften eilandgebieden kennelijk (mede) de strekking te bevorderen dat betalingen worden verantwoord bij de uitvoering van de begroting van het dienstjaar waarop zij betrekking hebben.

In lid 2 sub b is, anders dan in lid 1, niet sprake van "opvorderbaar", maar van "verevening". Laatstgenoemde term moet niet worden uitgelegd als "verschuldigdheid" of "opeisbaarheid", maar als "betaalbaarstelling".

Uit de brief van 29 juni 1990 leidt het Hof af dat de betaalbaarstelling afhankelijk is gesteld van de voorafgaande indiening van declaratieformulieren. Indien bij de Girobank een automatische maandelijkse overboeking liep, zoals Security Group heeft gesteld, doet dat aan het voorgaande niet af. Die zou immers bij het achterwege blijven van de indiening van declaratieformulieren kunnen worden stopgezet. Overigens had die automatische overboeking kennelijk evenmin als de ingediende declaratieformulieren betrekking op de geïndexeerde bedragen.

De uitzondering van lid 2 sub b is dus niet van toepassing. De hoofdregel van lid 1 derhalve wel. De vordering dient daarom te worden afgewezen.

3.5 Security Group heeft bij pleidooi in hoger beroep bewijs aangeboden van haar stelling dat zij gedurende de loop van de overeenkomst diverse keren bij het Eilandgebied tot betaling van de indexering heeft aangedrongen. Deze stelling is te vaag om tot toewijzing van de vordering te kunnen leiden, zodat het bewijsaanbod zal worden gepasseerd.

3.6 De grieven behoeven verder geen bespreking. In het midden kan blijven of de bij pleidooi in hoger beroep voorgestelde nieuwe grieven toelaatbaar zijn. Het bestreden vonnis dient te worden vernietigd. Security Group als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties.

BESLISSING:

Het Hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

wijst de vordering van Security Group af;

veroordeelt Security Group in de proceskosten in eerste aanleg, aan de zijde van het Eilandgebied gevallen en begroot op nihil aan verschotten en NAF. 1.800,00 aan salaris voor de gemachtigde;

veroordeelt Security Group in de kosten van dit hoger beroep, aan de zijde van het Eilandgebied gevallen en tot op heden begroot op NAF. 215,00 aan verschotten en

NAF. 5.100,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin, H.L. Wattel en F.J.P. Lock, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao uitgesproken op 5 januari 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.