Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BN7662

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
29-01-2010
Datum publicatie
20-09-2010
Zaaknummer
KG 97/07 - H-84/09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Betreft ontslag op staande voet. Universal is in beroep gegaan tegen het verstekvonnis en heeft de memorie van grieven te laat ingediend. Hof oordeelt dat de nietigheid van het ontslag tijdig is ingeroepen zodat de arbeidsovereenkomst is blijven voortbestaan. Hof bevestigt het vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0754

Uitspraak

UITSPRAAK: 29 januari 2010

ZAAKNRS: KG 97/07 - H-84/09

KORT GEDING

HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN DE

NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Vonnis in de zaak van:

de vennootschap naar vreemd recht

UNIVERSAL IMPRESSIONS INC,

gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika,

eerst opposante, thans appellante,

gemachtigde: mr. R.M. Stomp,

tegen

[werkneemster],

wonende op Sint Maarten,

eerst geopposeerde, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. R.A. Groeneveldt.

Partijen worden hierna aangeduid als “Universal” en “[werkneemster]”.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Sint Maarten (verder: GEA), wordt verwezen naar het tussen partijen gewezen verzetvonnis in kort geding van 7 maart 2008. De inhoud van dat vonnis geldt als hier ingevoegd.

1.2. Universal is in hoger beroep gekomen van voormeld vonnis door indiening op 17 maart 2008 van een daartoe strekkende akte ter griffie van het GEA. Bij op 14 april 2008 ingekomen memorie van grieven heeft zij één grief aangevoerd, deze toegelicht en geconcludeerd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en haar vordering alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [werkneemster] in de kosten van beide instanties.

Die vordering strekte ertoe Universal te verklaren tot goed opposant, het tussen partijen gewezen verstekvonnis van 3 september 2007 (het Hof begrijpt: 10 augustus 2007) te vernietigen en [werkneemster] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering dan wel deze af te wijzen, met haar veroordeling in de proceskosten. De akte van appel en memorie van grieven zijn op 14 augustus 2008 aan [werkneemster] betekend.

1.3. [werkneemster] heeft op 25 september 2008 een memorie van antwoord ingediend, waarin zij de grieven heeft bestreden en heeft geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van Universal in de kosten van het hoger beroep.

1.4. Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities overgelegd. Vervolgens hebben partijen vonnis gevraagd. De uitspraak is bepaald op heden.

2. Ontvankelijkheid

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat Universal daarin kan worden ontvangen.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge artikel 271 juncto 235 Rv was Universal bevoegd binnen drie weken na het instellen van hoger beroep, dus uiterlijk op 7 april 2008, een memorie van grieven in te dienen. Nu de memorie van grieven buiten die termijn is ingediend, zal het Hof daarop geen acht slaan. Dit betekent dat de pleitnota in dit geval niet kan dienen als een toelichting op de grieven. Dat neemt niet weg dat Universal wel gelegenheid moet worden gegeven door haar in eerste aanleg aangevoerde stellingen en weren toe te lichten, te verbeteren en aan te vullen met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke bepalingen. Met nieuwe, voor het eerst bij pleidooi aangevoerde feiten mag de rechter rekening houden als de wederpartij deze feiten erkent of aanvaardt dat deze feiten in de rechtsstrijd worden betrokken. Ingeval de wederpartij dit niet aanvaardt, kan de rechter deze feiten terzijde laten op grond dat de wederpartij daarop niet meer voldoende heeft kunnen reageren (zie HR 10 november 2000, NJ 2001, 301, Pitt/Van Frederici). Hetzelfde geldt overigens voor de stellingen in hoger beroep van [werkneemster], nu ook de memorie van antwoord buiten de termijn als bedoeld in artikel 274 juncto 235 Rv is ingediend.

3.2. In de onderhavige procedure heeft [werkneemster] de veroordeling gevorderd van Universal tot doorbetaling van haar loon. Aan die vordering heeft zij ten grondslag gelegd dat zij met ingang van 1 januari 2002 bij Universal in dienst is getreden, dat zij op 7 december 2006 op staande voet is ontslagen, dat zij bij brief van 12 april 2007 de nietigheid van dat ontslag heeft ingeroepen en dat zij bereid is gebleven de bedongen arbeid te verrichten. Bij verstekvonnis van 10 augustus 2007 is deze vordering toegewezen. Bij verzoekschrift van 27 december 2007 heeft Universal daartegen verzet ingesteld. Zij heeft daarbij alleen aangevoerd dat zij meent op goede gronden [werkneemster] te hebben ontslagen wegens haar wangedrag en het niet nakomen van afspraken jegens Universal. Na een aanhoudingsverzoek zijdens Universal te hebben afgewezen, heeft het GEA bij ontbreken van verdere toelichting het verzet ongegrond verklaard. Eerst in hoger beroep voert Universal thans als verweer dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst bestaat en dat alleen sprake is van een overeenkomst tussen haar en het bedrijf van [werkneemster], Spice Travel Dispatching Services N.V., welke overeenkomst is ontstaan nadat [werkneemster] haar omstreeks maart 2006 had benaderd met het verzoek om haar bedrijf werkzaamheden voor haar te laten verrichten. [werkneemster] heeft de juistheid hiervan niet erkend. Evenmin valt in haar processtukken te lezen dat zij heeft aanvaardt dat deze nieuwe stellingen in de rechtsstrijd worden betrokken. Door de wijze van procederen van Universal heeft [werkneemster] onvoldoende gelegenheid gehad op deze stellingen te reageren. Het Hof laat deze stellingen daarom terzijde.

3.3. Bij deze stand van zaken is ook in hoger beroep voorshands aannemelijk dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaat, op grond waarvan [werkneemster] bij Universal in dienst is. Niet aannemelijk is geworden dat Universal deze overeenkomst op grond van een dringende, onverwijld aan [werkneemster] medegedeelde reden heeft doen eindigen. De in de brief van 7 december 2006 genoemde klachten zijn daarvoor te weinig concreet. In haar pleitnota in hoger beroep heeft Universal nog aangevoerd dat zij de brief van 12 april 2007, waarbij [werkneemster]s gemachtigde de nietigheid van het ontslag heeft ingeroepen, nooit heeft ontvangen. Ook aan deze stelling, die Universal niet eerder heeft betrokken, zal het Hof voorbijgaan nu [werkneemster] daarop niet meer heeft kunnen reageren. Daargelaten wordt dan nog dat Universal aan deze stelling niet de conclusie heeft verbonden dat [werkneemster] zich niet binnen de daarvoor geldende termijn op de nietigheid heeft beroepen. In dit stadium moet het Hof er dus van uitgaan dat de nietigheid van het ontslag tijdig is ingeroepen, zodat de arbeidsovereenkomst is blijven voortbestaan. Onbetwist is verder dat [werkneemster] bereid is gebleven de bedongen arbeid te verrichten. Naar voorlopig oordeel heeft zij dus recht op doorbetaling van haar loon, zoals het GEA heeft aangenomen.

3.4. Universal heeft in haar pleitnota in hoger beroep nog verzocht om matiging van de loonvordering, vanwege de korte duur dat [werkneemster] volgens haar stellingen voor haar werkzaam was, het feit dat zij de brief van 12 april 2007 niet heeft ontvangen en [werkneemster] in april 2007 in de timesharebranche van Divi werkzaam geweest zou zijn. Ook dat verzoek heeft Universal pas bij de laatste stukkenwisseling gedaan, waardoor [werkneemster] er niet meer op heeft kunnen reageren. Om die reden moet het Hof ook hieraan voorbijgaan.

3.5. Nu het Hof ambtshalve oordelend geen bezwaren heeft, moet het bestreden vonnis worden bevestigd. Universal wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De kosten van betekening van de memorie van antwoord moeten voor rekening van [werkneemster] blijven, nu deze memorie te laat is ingediend en daarom buiten beschouwing blijft.

BESLISSING:

Het Hof:

- bevestigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt Universal in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [werkneemster] gevallen en begroot deze kosten tot op heden op nihil aan verschotten en NAF 5.100,- aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.R. Sijmonsma, H.L. Wattel en E.M. van der Bunt, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof op Sint Maarten uitgesproken op 29 januari 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.