Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BN7653

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
13-04-2010
Datum publicatie
20-09-2010
Zaaknummer
AR 164/08 - H 205/09
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof oordeelt dat voor beoordeling van de vraag aan welke bestuurder het ongeval te wijten is het punt van overschrijding van de wegas niet van doorslaggevend belang is. De stelling dat er sprake was van een gebrek in het remsysteem dient OTTS te bewijzen, en Nia mag tegenbewijs leveren. Het Hof houdt iedere beslissing aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienummer: AR 164/08 - H 205/09

Uitspraak: 13 april 2010

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Vonnis

in de zaak van:

de vennootschap naar vreemd recht

THE NEW INDIA ASSURANCE COMPANY LTD.,

gevestigd op Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde, thans appellante,

gemachtigde: mr. S.C. Limon,

- tegen -

de naamloze vennootschap

ON TIME TOWING SERVICES N.V.,

gevestigd op Curaçao,

oorspronkelijk eiseres, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. E.B. Wilsoe.

Partijen worden hierna “NIA” en “OTTS” genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Op 16 maart 2009 heeft het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, (hierna te noemen “GEA”) tussen partijen vonnis gewezen. Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, de procesgang aldaar en de overwegingen en beslissingen van het GEA wordt verwezen naar dat vonnis.

1.2 NIA is in hoger beroep gekomen van het vonnis door op 27 april 2009 een akte van appel in te dienen. Bij afzonderlijke memorie van grieven heeft NIA drie grieven geformuleerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en de oorspronkelijke vorderingen van NIA alsnog zal toewijzen (bedoeld zal zijn: de oorspronkelijke vorderingen van OTTS alsnog zal afwijzen), met veroordeling van OTTS in de kosten van beide instanties.

1.3 OTTS heeft bij memorie van antwoord het hoger beroep bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis met veroordeling van NIA in de kosten van het hoger beroep.

1.4 Op de nader daarvoor bepaalde dag hebben partijen pleitaantekeningen overgelegd.

1.5 Vonnis is bepaald op heden.

2. De beoordeling

2.1 OTTS heeft zich op het standpunt gesteld dat [bestuurder Ford] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Daaraan heeft OTTS - zakelijk samengevat - ten grondslag gelegd dat [bestuurder Ford] de wegas heeft overschreden en vanwege een defecte reminrichting aan de door hem bestuurde Ford niet in staat was om de Ford tijdig tot stilstand te brengen, waardoor een aanrijding met het motorvoertuig van OTTS heeft plaatsgevonden.

2.2 Met het GEA is het Hof van oordeel dat voor een beoordeling van de vraag aan welke bestuurder het ongeval is te wijten, het punt van overschrijding van de wegas niet van doorslaggevend belang is. Gelet op de beperkte breedte van de weg waarop de aanrijding heeft plaatsgevonden, de begroeiing langs de kant van de weg en de beelden van de remsporen is aannemelijk dat de situatie ter plaatse het vrijwel onmogelijk maakt om de (fictieve) wegas niet te overschrijden en dat beide bestuurders dat feitelijk wel hebben gedaan. Onder die omstandigheden kan de enkele overschrijding van de wegas niet als een verkeersfout van [bestuurder Ford] worden aangemerkt op grond waarvan NIA jegens OTTS aansprakelijk zou kunnen worden gehouden.

2.3 Daarmee resteert het verwijt dat sprake was van een defecte reminrichting. Op OTTS rust de stelplicht en - bij een voldoende gemotiveerde betwisting - de bewijslast terzake. OTTS heeft haar stelling onderbouwd door (in eerste aanleg) een deskundigenrapport (opgemaakt door dhr. [R.]) over te leggen waarin is geconcludeerd dat bij de Ford sprake was van een defect in het remsysteem als gevolg waarvan de auto niet tijdig tot stilstand kon worden gebracht. In hoger beroep heeft OTTS deze onderbouwing aangevuld door schriftelijke verklaringen over te leggen van de bestuurder en de eigenaar van de Ford waarin beiden verklaren dat de Ford inderdaad een gebrek in het remsysteem had. NIA heeft zowel het rapport van Ruiter (onder overlegging van een tegenrapport, opgemaakt door dhr. [B.]) als de overgelegde schriftelijke verklaringen uitdrukkelijk betwist. Dit betekent dat OTTS haar stelling dat de Ford een gebrek in het remsysteem had, dient te bewijzen. OTTS zal daartoe in de gelegenheid worden gesteld.

2.4 Indien OTTS in dat bewijs slaagt, is daarmee in beginsel het causaal verband tussen het defect in het remsysteem en de aanrijding bewezen. Door te rijden met een defect remsysteem heeft [bestuurder Ford] immers een norm geschonden die specifiek strekt tot het voorkomen van verkeersongevallen. Door het rijden met een defect remsysteem wordt het gevaar dat bij een andere weggebruiker schade ontstaat in het algemeen aanmerkelijk vergroot. Dit tezamen in aanmerking genomen, betekent het enkele feit van de aanrijding reeds dat het specifieke gevaar waartegen genoemde norm bescherming beoogt te bieden zich hier heeft verwezenlijkt, zodat het Hof toepassing dient te geven aan de zogenoemde omkeringsregel (vgl. o.a. HR 8 april 2005, NJ 2005, 284). Tegen dit in dat geval aan te nemen bewijsvermoeden mag NIA tegenbewijs leveren, hetgeen zij in hoger beroep ook heeft aangeboden. Om proceseconomische redenen zal de gelegenheid om dat tegenbewijs te leveren worden gegeven tegelijk met de eventueel te houden contra-enquête ter zake van de aan OTTS te verlenen bewijsopdracht.

2.5 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

BESLISSING

Het Hof:

draagt OTTS op, desgewenst door middel van het horen van getuigen, te bewijzen dat het door [bestuurder Ford] bestuurde motorvoertuig (Ford, V 68-52) ten tijde van de aanrijding (25 juli 2007) een defect remsysteem had;

stelt NIA in de gelegenheid om tegenbewijs te leveren van de waarheid van het feit dat de aanrijding het gevolg is van het defecte remsysteem van het door [bestuurder Ford] bestuurde motorvoertuig (Ford, V 68-52);

beveelt dat het eventuele getuigenverhoor, eerst aan de zijde van OTTS, zal worden gehouden voor mr. F.J.P. Lock, die daartoe zal overgaan op 26 mei 2010 om 09:00 uur in een van de zalen van het gerechtsgebouw aan het Wilhelminaplein 4 alhier;

bepaalt dat de namen en woonplaatsen van te horen getuigen ten minste drie dagen voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffie worden opgegeven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Lewin, Lock en Schoemaker, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba en ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken op 13 april 2010.