Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2010:BN7339

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
17-09-2010
Zaaknummer
EJ-340/09-H-27/10
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Man gaat in beroep tegen de vaststelling van nieuwe hogere alimentatieverplichting voor kind. In reactie daarop ziet vrouw af van alimentatie. Hof stelt alimentatieverplichting op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK: 4 mei 2010

ZAAKNR. EJ-340/09-H-27/10

HET GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Beschikking in de zaak van:

[man] (de man),

wonend in Nederland,

voorheen verweerder, thans appellant,

gemachtigde: mr. V.S. La Fleur,

tegen

[vrouw] (de vrouw),

wonend op Curaçao,

voorheen verzoekster, thans geïntimeerde,

procederend in persoon.

1 Het verloop van de procedure

Verwezen wordt naar de op 29 oktober 2009 onder EJ no. 340/09 tussen partijen uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (hierna: het GEA). Het GEA heeft in die beschikking de beschikking van het GEA van 28 februari 2008, gewezen onder EJnummer 242 van 2007 aldus gewijzigd dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [L.H.], geboren te Rotterdam (Nederland) op [datum] 1998 met ingang van 1 november 2009 wordt vastgesteld op € 400,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen aan de Raad voor het Welzijn van het Kind alhier.

Op 30 december 2009 heeft de man een appelschrift ingediend, waarbij hij de beschikking van 29 oktober 2009 heeft bestreden en heeft verzocht laatstgenoemde beschikking in die zin te vernietigen dat de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [L.H.], zal worden gehandhaafd op het in de beschikking van 28 februari 2008 bepaalde bedrag dan wel zal worden vastgesteld op € 50,- per maand althans op een door het Hof in goede justitie te bepalen bedrag.

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.

Op de voor behandeling bepaalde dag zijn de gemachtigde van de man en mevr. Martis, vertegenwoordigster van de Raad voor het Welzijn van het Kind, verschenen en hebben zij hun standpunten nader toegelicht en vragen beantwoord. Aangezegd is dat heden beschikking zal worden gewezen.

2 De beoordeling

2.1 De vrouw heeft in haar verweerschrift in hoger beroep vermeld “Het is te merken dat mijn alimentatie eis ervoor zal zorgen dat meneer Schmidt en z’n echtgenote honger zullen gaan lijden, daarom wil ik de alimentatie dat aan [L.H.] toebehoort aan hen schenken in het kader van liefdadigheidswerk. Ik distancieer me van de alimentatie eis en continueer met mijn verantwoordelijke ouderschap.”.

Het Hof trekt uit dit citaat, met inachtneming van het feit dat de vrouw niet op de mondelinge behandeling is verschenen, de conclusie dat zij van de man geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [L.H.] meer wenst, zodat de beschikking van het GEA waarvan beroep moet worden vernietigd en het Hof de beschikking van het GEA van 28 februari 2008, gewezen onder EJnummer 242 van 2007 aldus dient te wijzigen dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [L.H.], geboren te Rotterdam (Nederland) op [datum] 1998, met ingang van 1 november 2009 op nihil zal worden gesteld. Het Hof zal bepalen dat hetgeen de man eventueel meer aan alimentatie heeft betaald dan hierna zal worden bepaald, niet kan worden teruggevorderd, nu een bijdrage als de onderhavige van maand tot maand pleegt te worden verbruikt.

2.2 Gelet op de relatie die partijen hebben gehad, zal het Hof de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.

BESLISSING:

Het Hof:

vernietigt de bestreden beschikking;

wijzigt de beschikking van het GEA van 28 februari 2008, gewezen onder EJnummer 242 van 2007 aldus dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [L.H.], geboren te Rotterdam (Nederland) op [datum] 1998, met ingang van 1 november 2009 op nihil zal worden gesteld;

bepaalt dat hetgeen de man tot heden gelet op deze beschikking eventueel teveel heeft betaald, niet kan worden teruggevorderd;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van de procedure in eerste aanleg en die van het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven door mrs. J.R. Sijmonsma, E.M. van der Bunt en J.P. de Haan, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, en ter openbare terechtzitting van het Hof op Curaçao uitgesproken op 4 mei 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.